De associatie van struikhei en stekelbrem (Genisto anglicae-Callunetum) is een associatie uit het verbond van struikhei en kruipbrem (Calluno-Genistion). Het betreft de centrale associatie van het verbond.
Naamgeving en codering thumb|Een close-up van de associatie met beide naamgevende soorten. Men ziet struikhei in bloei en stekelbrem in vrucht.
Natura2000-habitattypecode (EU-code): H4030 Syntaxoncode voor Nederland (rVvN): r20Aa01 BWK-karteringscode: cg
De wetenschappelijke naam Genisto anglicae-Callunetum is afgeleid van de botanische namen van respectievelijk struikhei (Calluna vulgaris) en stekelbrem (Genista anglica).
Fysiognomie De associatie van struikhei en stekelbrem manifesteert zich altijd in de formatie van een dwergstruweel. Alhoewel de symmorfologie van de associatie ietwat verschilt per subassociatie, wordt het vegetatieaspect altijd bepaald door struikhei. De associatie is zeer soortenarm.
Ecologie thumb|Een close-up van een begroeiing van de associatie van struikhei en stekelbrem
De associatie van struikhei en stekelbrem komt tot ontwikkeling op droge, oligotrofe, zure zandgronden. Het gaat om bodems met een podzolprofiel. Mineralisatie van organisch materiaal verloopt traag, waardoor er een laag mor is gevormd met een dikte van veelal ± 2 cm. De standplaatsen zijn in de regel blootgesteld aan de volle zon. Het is halfnatuurlijke vegetatie die in stand wordt gehouden door begrazing met schapen of ander vee, of door het kappen van opslag. Karakteristieke milieus zijn open vlakten in dekzandgebieden (heiden) en taluds langs snelwegen.
Syndynamiek Deze associatie omvat halfnatuurlijke dwergstruwelen; zonder menselijk ingrijpen wordt zij op den duur verdrongen door bos. De climaxvegetatie op deze bodem is meestal een berken-eikenbos (Betulo-Quercetum).
Subassociaties in Nederland en Vlaanderen Binnen de associatie van struikhei en stekelbrem worden in Nederland en Vlaanderen drie subassociaties onderscheiden. Deze worden hieronder besproken.
Subassociatie met gewoon stapelbekertje thumb|De subassociatie met gewoon stapelbekertje
Een subassociatie met gewoon stapelbekertje (Genisto-Callunetum cladonietosum cervicornis) vormt de meest pionierachtig-psammofiele vleugel binnen de associatie. Het is gebonden aan stuifzand en ontstaat uit vegetatie van het buntgras-verbond, waarmee het floristische verwantschap vertoont. Differentiërende taxa voor deze subassociatie zijn gewoon stapelbekertje, slank stapelbekertje, girafje, open heidestaartje, bruin heidestaartje, varkenspootje, ezelspootje, hamerblaadje, plomp bekermos, wrattig bekermos, gewoon kraakloof en buntgras. Daarnaast vinden ruig haarmos, grijs kronkelsteeltje, rafelig bekermos, bruin bekermos, rood bekermos, rode heidelucifer, dove heidelucifer en open rendiermos binnen de associatie hier hun optimum. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de subassociatie met gewoon stapelbekertje is r20Aa01a.
Typische subassociatie De typische subassociatie (Genisto-Callunetum typicum) omvat de meest bekende en verbreide van de drie subassociaties. Ze wordt gekenmerkt door de absolute dominantie van struikhei, wat in de late zomer het typische beeld geeft van de 'purperen heide'. Andere hogere planten zijn er nauwelijks te vinden. Deze subassociatie komt het meest voor op goed ontwikkelde humuspodzolgronden of haarpodzolgronden in dekzand. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de typische subassociatie is r20Aa01b.
Subassociatie met tandjesgras Een subassociatie met tandjesgras (Genisto-Callunetum danthonietosum) omvat binnen de associatie de vleugel met de relatief hoogste zuur- en trofiegraad alsmede het hoogste vochtgehalte van de bodem. Dit syntaxon ontwikkelt zich vooral op lemige zandgronden met een laag moder. Vlakdekkend komt het optimaal voor op moderpodzolgronden op preglaciale riviersedimenten en lemig dekzand, waar het doorgaans vervangingsvegetatie betreft van het beuken-eikenbos. Verder is het vaak lintvormig aanwezig langs heidepaden. De vegetatie vormt zowel in ruimte als tijd vaak een overgang naar het verbond van heischrale graslanden. Differentiërende taxa voor deze subassociatie zijn tandjesgras, tormentil, borstelgras en zandhaarmos. Voorts hebben binnen de associatie kruipbrem, stekelbrem, pilzegge, pijpenstrootje, fijn schapengras en gewoon struisgras een hogere presentie in deze subassociatie. Een karakteristieke insectensoort voor deze begroeiingen is de veldkrekel. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de subassociatie met tandjesgras is r20Aa01c.
Vegetatiezonering Waar het terrein natter wordt, kan de associatie van struikhei en stekelbrem geleidelijk overgaan in de dophei-associatie. Op die plaatsen komen struikhei en dophei naast elkaar voor. Dikwijls zijn dit ook de plaatsen waar beide soorten het best floreren.
Biogeografie Het verspreidingsgebied van de associatie van struikhei en stekelbrem is beperkt tot de Atlantische provincie: de kuststrook van West-Europa, Groot-Brittannië en Ierland. Het is een typische vegetatie die zich thuis voelt in streken met een maritiem klimaat, met hoge luchtvochtigheid, niet te warme zomers en geen strenge winters.
In Vlaanderen is ze te vinden in de heidegebieden van de Antwerpse Kempen (onder andere in de Kalmthoutse Heide in Kalmthout, het Groot Schietveld in Brasschaat en het Turnhouts Vennengebied), en in Limburg (onder andere in de Hoge Kempen).
Diagnostische taxa voor Nederland en Vlaanderen In de onderstaande synoptische tabel staan per vegetatielaag de belangrijkste diagnostische taxa voor de associatie van struikhei en stekelbrem in Nederland en Vlaanderen.
Kruidlaag Kentaxon Diff.soort Abundantie Triviale naam Botanische naam Opmerking kA A/F stekelbrem Genista anglica kA A/F kruipbrem Genista pilosa kK D struikhei Calluna vulgaris O Duitse brem Genista germanica kA Z kleine wolfsklauw Lycopodium tristachyum kA Z klein warkruid Cuscuta epithymum kV Z grote wolfsklauw Lycopodium clavatum dA fijn schapengras Festuca ovina subsp. tenuifolia F grote bremraap Orobanche rapum-genistae dS tandjesgras Danthonia decumbens subassociatie met tandjesgras dS tormentil Potentilla erecta subassociatie met tandjesgras dS pilzegge Carex pilulifera subassociatie met tandjesgras dS borstelgras Nardus stricta subassociatie met tandjesgras
Moslaag Kentaxon Diff.soort Abundantie Triviale naam Botanische naam Opmerking kK F heideklauwtjesmos Hypnum jutlandicum dK gewoon gaffeltandmos Dicranum scoparium dK bronsmos Pleurozium schreberi dA A/F ruig haarmos Polytrichum piliferum dS A/F Cladonia sp. subassociatie met gewoon stapelbekertje dS F gewoon peermos Pohlia nutans subassociatie met gewoon stapelbekertje dS F boskronkelsteeltje Campylopus flexuosus subassociatie met gewoon stapelbekertje dS F breekblaadje Campylopus pyriformis subassociatie met gewoon stapelbekertje dS F open rendiermos Cladina portentosa subassociatie met gewoon stapelbekertje
Fauna Goed ontwikkelde begroeiingen van de associatie van struikhei en stekelbrem vormen door hun structuurvariatie plekken met een microklimaat die in het bijzonder van belang zijn voor bepaalde reptielen- en insecten. Vooral de subassociatie met tandjesgras, waarbij open warme plekken afgewisseld worden met dichte plekken met dwergstruiken vormen zeer waardevolle habitats. Veel van deze diersoorten zijn door het verdwijnen van deze terreinen echter zeldzaam geworden.
Reptielen Soorten als de zandhagedis en de gladde slang komen praktisch enkel op dergelijke terreinen voor. Ook de hazelworm is er te vinden.
Insecten De associatie van struikhei en stekelbrem kent veel typerende insecten die er een geschikt habitat vinden. Opvallende dagvlindersoorten zijn bijvoorbeeld de heivlinder, kleine vuurvlinder, groentje en kommavlinder. Belangrijke rechtvleugeligen zijn de blauwvleugelsprinkhaan, het zoemertje en de zeer zeldzame kleine wrattenbijter. Ook de grijze spinnendoder en mestkevers vinden een habitat in deze associatie.
Bedreiging en bescherming thumb|Een rompgemeenschap met bochtige smele, ontstaan door vergrassing van de associatie van struikhei en stekelbrem. Net als de dopheide-associaties zijn de meeste struikheide-stekelbremassociaties geen climaxvegetatie. Ze zijn ontstaan ten gevolge van oude landbouwsystemen, waar na ontbossen en afbranden de overblijvende, onbebouwde grond werd gebruikt voor begrazing door schapen. Plaggen en strooisel van de heidegronden werden met mest uit de stal op het bouwland gebracht als compost. Heideplaggen deden ook dienst als bouwmateriaal of brandstof.
Ze vragen dus regelmatig beheersmaatregelen om te blijven bestaan, zo niet treedt vrij snel verbossing op. De verwaarlozing van dit beheer is een eerste belangrijke bedreiging.
Een tweede belangrijke bedreiging, die zelfs bij een goed heidebeheer voor problemen zorgt, is de vergrassing. Vooral het pijpenstrootje en de bochtige smele dreigen op vele plaatsen de droge heide te overwoekeren. Er zijn verschillende oorzaken voor de toenemende vergrassing, die elkaar versterken.
Ten eerste is er de overbemesting door nabijgelegen landbouwgronden en door atmosferische stikstofdepositie. Ook de struikhei profiteert van een hoger voedselaanbod, maar als gevolg hiervan wordt de strooisellaag tussen de planten dikker. En deze strooisellaag is nefast voor de zaden van de struikhei, die naakte bodem nodig hebben om te kiemen.
Een tweede probleem is dat deze strooisellaag ideaal is voor de ontwikkeling van het heidehaantje, een keversoort die leeft van de bladeren van de struikhei, regelmatig plagen veroorzaakt en dan zware schade kan toebrengen aan de droge heide.
De derde algemeen aanvaarde oorzaak van de vergrassing is de zure neerslag, die nefast is voor vegetatie op een reeds zure bodem, en die eveneens de struikhei verzwakt.
Het beheer of de herontwikkeling van de droge heide moet dus gericht zijn op twee punten: Voor de instandhouding van de struikheide-stekelbremassociatie zijn twee soorten beheersmaatregelen nodig: het tegengaan van de natuurlijke successie door het regelmatig kappen van de boomopslag; het tegengaan van de eutrofiëring door verschillende ingrepen zoals het maaien van de kruidlaag, begrazen, afbranden van de vegetatie en/of het plaggen van de toplaag van de bodem.
De keuze van de (combinatie van) beheersmaatregelen zal onder meer afhankelijk zijn van de grootte en de toestand van het terrein, de beleidsopties en het beschikbare werkkracht. Vooral plaggen is erg arbeidsintensief, maar levert - indien goed uitgevoerd - binnen enkele jaren terug een gezonde vegetatie op. Plaggen kan ook gebruikt worden om een volledig verwaarloosde en vergraste heide terug interessant te maken, doordat de zaden van de struikhei in de bodem zeer lange tijd kiemkrachtig blijven.
Fotogalerij
Externe links Associatie van struikhei en stekelbrem op Flora van Nederland
Struikhei en stekelbrem Categorie:Dwergstruweel Categorie:Heide