De hut van Oom Tom (ook De negerhut of De negerhut van Oom Tom) van Harriet Beecher Stowe is een van de bekendste boeken uit de canon van de Amerikaanse literatuur. Het is voor alles een tendensroman en een aanklacht tegen de destijds nog niet afgeschafte slavernij. Centraal staan de lotgevallen van een aantal slaven in en rondom een plantage ergens in de Amerikaanse staat Kentucky.
De roman werd in 1852 gepubliceerd, nadat hij eerst tussen 1851 en 1852 als feuilleton was verschenen.
Achtergronden Beecher Stowe haalde voor het verhaal onder meer inspiratie uit de lotgevallen van de prediker Reverend Josiah Henson en zijn werk voor de Underground Railroad. Ze schreef de roman in de eerste plaats uit onvrede over de Fugitive Slave Act van 1850, die het uitleveren van ontsnapte slaven aan hun eigenaren dwingender maakte. Elizabeth Ammons, Harriet Beecher Stowe's Uncle Tom's Cabin. A Casebook, 2007, p. 7. Gearchiveerd op 23 juni 2023. Ze gebruikte royalty's ervan om een petitie tegen de Kansas-Nebraska Act te helpen organiseren.Stanley W. Campbell, The Slave Catchers. Enforcement of the Fugitive Slave Law, 1850-1860, 2012, p. 85. Gearchiveerd op 23 juni 2023.
Uncle Tom's Cabin geldt als de eerste grote – en uiteindelijk ook goeddeels geslaagde – poging om het brede publiek in de Verenigde Staten en elders te wijzen op de immorele en mensonterende praktijken van de slavernij en slavenhandel in de Verenigde Staten. Het verhaal focust op de wrede kanten van de slavernij en hoe erg de meeste hoofdpersonen hieronder lijden, ook al wordt dit laatste door iedereen inclusief henzelf verdoezeld.
In het verhaal zelf wordt enerzijds erkend dat veel meesters hun slaven goed behandelen. Deze slaven lopen door hun ondergeschikte positie echter wel het risico dat ze (wegens geldgebrek of overlijden van de eigenaar) verkocht worden aan slechte meesters, waarbij ouders en kinderen bovendien van elkaar gescheiden worden.
Titel De oorspronkelijke titel is Uncle Tom's Cabin or Life Among the Lowly, letterlijk Oom Toms hut of leven onder de nederigen. In het Nederlands werd het boek aanvankelijk uitgegeven als De negerhut en later als De negerhut van Oom Tom. Waarom de titel niet, net als in andere talen, letterlijk vertaald is, is onbekend. De titel De hut van Oom Tom komt in het Nederlands ten minste sinds 1853 voor, maar wordt pas sinds begin jaren 1980 algemeen gebruikt. De versie met het woord negerhut in de titel werd in 1982 voor het laatst gedrukt, tegenwoordig is De hut van Oom Tom gebruikelijk.
Verhaal
160px|thumb|Litho uit 1852, waarop de dood van Eva is uitgebeeld 160px|thumb|Simon Legree bedreigt Oom Tom (bron: projectie uit een toverlantaarn, ca. 1885) Er zijn twee hoofdverhaallijnen. Een ervan is het verhaal van de slaaf Oom Tom, die door een voor hemzelf ongunstige samenloop van omstandigheden uiteindelijk belandt op de katoenplantage van Simon Legree. Het andere verhaal is dat van het echtpaar George en Eliza Harris, twee ontsnapte slaven die samen met hun jonge zoontje Harry naar Canada weten te vluchten. Tevens worden ze aan het eind herenigd met een deel van hun familie.
Het verhaal begint met de moeilijke financiële situatie van de Shelby's. Arthur Shelby ziet zich gedwongen om zijn trouwste slaaf Tom (door iedereen "Oom Tom" genoemd) en Eliza's zoontje Harry te verkopen aan de enkel op rijkdom beluste slavenhandelaar Haley. Eliza slaagt erin om met Harry te vluchten, waarna ze bij de senator Bird belandt, die haar verder helpt. Op ongeveer hetzelfde moment vlucht ook Eliza's man, George Harris: hij is slaaf van een andere eigenaar die hem slecht behandelt, en is door diegene verhuurd aan een zeildoekfabriek waar hij zelf een machine heeft uitgevonden om hennep te zuiveren. George had het in de fabriek naar zijn zin, maar wordt nu door zijn meester teruggeroepen. Hij ontsnapt met hulp van mr. Wilson, de eigenaar van de fabriek waar hij werkte. Eliza ontsnapt samen met Harry over de bevroren Ohio. Zij en George vinden elkaar terug en besluiten om samen te proberen in Canada te komen. Ze worden achtervolgd door een groep slavenjagers die in opdracht van Haley achter hen aan zijn gestuurd, onder leiding van Tom Loker. Bij de achtervolging raakt Loker gewond door een val in een ravijn, waarna Eliza en George zich over hem ontfermen. Ze laten hem voor verzorging bij de Quakers achter.
Oom Tom wordt door Haley gekocht en weggehaald bij zijn vrouw Chloe en zijn drie kinderen. Hij vindt het weliswaar vreselijk, maar verzet zich op geen enkele manier. Hij wordt meegenomen in een boot over de Mississippi, in de richting van de gevreesde katoenplantages. Aan boord redt hij een jong meisje genaamd Evangeline (door iedereen Eva genoemd) van de verdrinkingsdood. Eva haalt uit dankbaarheid haar vader, de welgestelde en goede slavenhouder Augustine St. Clare, over om Tom te kopen. Bij de St. Clares in New Orleans wordt Tom zeer goed behandeld: hij krijgt een eigen kamer, mag zijn bijbel die hij uit Kentucky heeft weten mee te nemen houden, en hij mag een brief naar zijn familie schrijven. Marie St. Clare, Eva's moeder en de echtgenote van Augustine, denkt alleen maar aan zichzelf en zou de slaven het liefst compleet uitbuiten, maar zij heeft vanwege het gezag van haar man in huis weinig te zeggen. Tom ontwikkelt een zeer hechte band met Eva, die net als hijzelf zeer gelovig is. Eva heeft echter een erg zwak gestel en sterft op een gegeven moment door uitputting, waarna Tom zich meer dan voorheen gaat bekommeren om zijn nu zwaar depressieve meester, met wie hij eveneens een goede band heeft opgebouwd. Augustine is mede door de dood van zijn dochter tot nieuwe inzichten gekomen en belooft Tom en al zijn andere slaven nu snel vrij te zullen laten. Hij sterft echter korte tijd later, nadat hij in een café een zware dolksteek heeft gekregen. Tom en de andere slaven van de St. Clares zijn nu compleet overgeleverd aan de onverbiddelijke Marie, die besluit hen allemaal te verkopen. Hiermee is voor Tom alle hoop om snel weer bij zijn familie in Kentucky te zijn dus weer vervlogen. Voordat Tom wordt verkocht, wil Ophelia toch nog iets voor hem doen. Ze schrijft daarom een brief aan de Shelby's, waarin ze hen op de hoogte brengt van Toms situatie.
Na de veiling in het slavenmagazijn belanden Tom en het meisje Emmeline in Louisana bij de zeer wrede plantagehouder Simon Legree, die zijn slaven op de ergst denkbare manieren behandelt. Hoewel Tom een goede en gehoorzame kracht is, weigert hij om op bevel van Legree een andere slaaf af te ranselen, waarna Tom zelf wordt afgetuigd door Legrees knechten Sambo en Quimbo. Tom helpt soms ongemerkt andere slaven op Legrees plantage bij het extreem zware werk. Later verzwijgt Tom tegenover Legree hoe Cassy – een vrouw die eveneens door Tom werd geholpen bij het katoenplukken en die hem verzorgde toen Tom was afgetuigd – en Emmeline de plantage van Legree zijn ontvlucht. Legree laat Tom een hele nacht afranselen door Sambo en Quimbo in de hoop dat Tom de schuilplaats van de twee vrouwen zal verraden, maar Tom blijft zwijgen. George Shelby, de zoon van de inmiddels overleden plantagehouder, is inmiddels naar aanleiding van de brief van Ophelia afgereisd naar New Orleans om Tom te zoeken. Hij is nog net op tijd op de plantage van Legree om Tom levend aan te treffen. Tom sterft korte tijd later aan zijn verwondingen, terwijl George naast hem zit. Legree hoeft geen geld van George voor het lichaam van Tom, omdat hij zijn slaven enkel als "wegwerpproducten" ziet.
George begraaft Tom in een zandheuvel en keert hierna terug naar Kentucky, om het slechte nieuws aan Chloe en Toms kinderen te vertellen. Aangezien Arthur Shelby is overleden, is de plantage nu van George Shelby zelf. George besluit al zijn slaven vrij te laten; hij is zo verontwaardigd door wat hij op de plantage van Legree heeft gezien, dat hij zich nu volledig van de slavernij besluit af te keren.
Na hun geslaagde vlucht ontmoeten Cassy en Emmeline op de boot de zus van George Harris, Emily. Met z'n drieën reizen ze naar Canada, waar Cassy ontdekt dat Eliza haar eigen dochter is, van wie ze vroeger werd gescheiden toen beiden werden verkocht. Nu de familie is verenigd reizen ze door naar Frankrijk en vervolgens naar Liberia, waar ook de eveneens verkochte zoon van Cassy wordt teruggevonden.
De titel van het boek wordt aan het einde verklaard: George Shelby wijst naar de hut waar Oom Tom woonde voordat hij verkocht werd. Hij beschouwt het huisje als een monument voor de trouwe slaaf.
Belangrijke personages Slaven Tom Een eerlijke en hardwerkende slaaf van middelbare leeftijd. Hij is vooral ook een strikt gelovige christen, die heel vaak bidt en veelvuldig passages uit de bijbel leest en aanhaalt. Hij weigert nimmer een bevel van iemand, zolang het niet in strijd is met zijn eigen geweten. Toms oorspronkelijke meester, Arthur Shelby, is wegens geldgebrek gedwongen hem te verkopen. Hij komt daarna eerst terecht bij de St. Clares in New Orleans, waar hij het misschien nog wel beter heeft dan bij de Shelby's. Hij blijft echter intens naar zijn oude huis met zijn gezin in Kentucky verlangen. Na de plotselinge dood van zijn meester St. Clare wordt hij overgekocht door Simon Legree, die hem zeer slecht behandelt en uiteindelijk laat doodmartelen. Tom doorstaat dit alles, in de overtuiging dat Gods koninkrijk hierna voor hem zal openstaan. Hij gunt zelfs zijn zeer slechte meester tot het laatst (tevergeefs) dat die tot inkeer komt en zo vergeving van God zal krijgen. Chloe De vrouw van Oom Tom, met wie ze aan het begin van het verhaal in Kentucky woont samen met hun drie kinderen. Ze vervult de rol van huisvrouw en kan uitstekend koken. Nadat Tom bij haar is weggehaald spaart ze geld om hem terug te kunnen kopen. Uiteindelijk krijgt ze van George Shelby te horen dat haar man op de plantage is omgekomen, waarna ze compleet instort. 160px|thumb|Eliza vlucht met haar zoontje over de ijsschotsen (litho, 1899) Eliza De kamenier van mevrouw Shelby. Ze heeft van haar meesteres een goede opleiding gekregen. Ze slaat met haar zoontje Harry op de vlucht voor de slavenhandelaar Haley; die haar achtervolgt. De rivier Ohio kan niet overgestoken worden; wegens ijsgang is de veerboot uit de vaart genomen. Eliza springt met al haar krachten over de ijsschotsen naar de overkant. Ze is nu voorlopig veilig, want Haley is niet bij machte om ditzelfde te doen. Eliza komt hierna terecht bij Quakers, die haar met liefde verder helpen. George Harris De man van Eliza en vader van Harry. Hij is een mulat. Hij is zeer intelligent en een uitvinder. Hij is ook de slaaf van een andere meester die hem mishandelt en vernedert. George besluit ongeveer op hetzelfde moment als Eliza te vluchten. Onderweg ontmoet hij Eliza weer en samen reizen ze door naar het vrije Canada. Later bouwt hij, met zijn gezin, zijn zus en zijn schoonmoeder, een nieuw bestaan op in Liberia. Topsy Een meisje van acht of negen jaar. Ze wordt door haar eerste meester in New Orleans mishandeld en verwaarloosd. St. Clare koopt haar uit medelijden en geeft haar aan Ophelia. Ze zit vol kattenkwaad en het valt niet mee haar op te voeden. Pas na een terechtwijzing door Eva, die kort daarna overlijdt, betert Topsy haar leven. Later wordt ze zendelinge. Cassy De mulatdochter van een rijke blanke en een slavin. Ze groeit als vrije burger op en het ontbreekt haar aan niets, maar officieel staat ze als slavin geregistreerd. Als haar vader overlijdt, wordt ze verkocht aan de bullebak Simon Legree. Ze verzorgt Tom op diens sterfbed. Met haar intelligentie en goede opleiding heeft ze een zeker overwicht over Legree en ze slaagt er zelfs in te ontsnappen. Uiteindelijk blijkt dat ze de moeder is van Eliza.