Het Kapitaal: Kritiek der politieke economie (Duits: Das Kapital: Kritik der politischen Ökonomie) is het hoofdwerk van Karl Marx. In dit boek in drie (of vier) delen zet Marx een kritische theorie van de moderne, kapitalistische economie uiteen, met nadruk op de organisatie van productie.
Het eerste deel van Het Kapitaal werd gepubliceerd in 1867. Het tweede deel verscheen in 1885, twee jaar na Marx' dood, en het derde in 1894, beide verzorgd door Friedrich Engels. Marx' aantekeningen voor een vierde deel werden daarna door Karl Kautsky verwerkt tot een boek (in drie banden, 1905-1910), getiteld Theorieën over de meerwaarde, dat soms als vierde deel van Het Kapitaal wordt beschouwd.
Ontstaansgeschiedenis Voorgeschiedenis Marx promoveerde in de filosofie en was daarna vooral als journalist werkzaam, in welke hoedanigheid hij gaandeweg aandacht kreeg voor economische verschijnselen. In 1844 begon hij aan een studie naar de grondslagen van de economie, waarvan de (postuum gepubliceerde) Parijse manuscripten het tastbare overblijfsel vormen. Daarna schreef hij een schotschrift tegen de economische opvattingen van Proudhon (Armoede van de filosofie) en Loonarbeid en kapitaal, maar zijn economische studies werden onderbroken door de revoluties van 1848, als gevolg waarvan hij naar Engeland moest uitwijken.
Te Londen hervatte Marx zijn studies, gebruikmakend van de bibliotheek van het British Museum, nu met als oogmerk om te begrijpen waarom de revoluties hadden plaatsgevonden en waarom ze, vanuit zijn standpunt, waren mislukt. Hij concludeerde dat de opstanden begrepen moeten worden als gevolg van de handelscrisis van 1847. Op verzoek van de Bond der Communisten hervatte hij eind 1850 zijn werk aan een groot economisch werk. In 1851 schreef hij aan Friedrich Engels dat hij aan een manuscript kon beginnen, maar of dat er gekomen is, is onbekend.
Journalistieke verplichtingen leidden Marx af tot in 1857 een nieuwe handelscrisis uitbrak; hij wenste vóór de revolutie die hij daaruit verwachtte zijn werk gepubliceerd te hebben. Van het manuscript dat hij op dat moment had werd het eerste deel haastig persklaar gemaakt onder de titel Zur Kritik der Politischen Ökonomie (1859).Rosdolsky (1977:1-9). Uit dezelfde periode stamt een grote verzameling aantekeningen die qua onderwerp deels overlappen met Zur Kritik, later uitgegeven als de Grundrisse.
Van Zur Kritik naar Het Kapitaal Tussen 1857 en 1867 worstelde Marx met de presentatievorm van zijn hoofdwerk. Zijn plan in 1857 was nog geweest om het werk in zes delen te vatten, behandelend, achtereenvolgens, kapitaal, grondbezit, loonarbeid, overheid, buitenlandse handel en markt/crisis.Rosdolsky (1977:10-11). Dit plan werd later ingedikt tot vier delen volgens de uiteindelijke indeling, die werden geschreven in een volgorde die bijna omgekeerd is aan die van de uiteindelijke publicatie: eerst deel III, daarna II en uiteindelijk het inleidende deel I.miniatuur|Titelblad van de eerste uitgave van het eerste deel, 1867. In 1867 verscheen bij Otto Meissner in Hamburg het eerste deel van Het Kapitaal, met als ondertitel Het productieproces van het kapitaal (“Der Produktionsprozeß des Kapitals”). In 1872 verscheen bij dezelfde uitgever een tweede, door Marx zelf nog herziene uitgave.
Na Marx' dood verscheen, opnieuw bij Meissner, in 1883 een derde uitgave, verzorgd door Friedrich Engels. Deze werd gevolgd door het tweede deel van Het Kapitaal, Het circulatieproces van het kapitaal (“Der Zirkulationsprozess des Kapitals”), door Engels samengesteld op basis van Marx' manuscripten met noten en correcties van de redacteur. Na een vierde editie van deel I (1890), waarin Engels aantekeningen van Marx verwerkte,Deze vierde editie wordt ook nu nog meestal gebruikt, bijvoorbeeld in de bekende “blauwe banden” van de Marx-Engels Werke (uitg. Dietz, Berlijn [DDR] 1962). volgde in 1894 deel III, Het proces van de kapitalistische productie als geheel (“Der Gesamtprozess der kapitalistischen Production”). Dit was het laatste deel dat Engels verzorgde.
Toen Engels in 1895 overleed, had hij niet de kans gehad Marx' manuscripten voor het beoogde vierde deel van Het Kapitaal uit te geven. Deze werden tussen 1905 en 1910 door Karl Kautsky bewerkt en uitgegeven in drie banden als Theorien über den Mehrwert ("Theorieën over de meerwaarde"). Eveneens van Kautsky's hand is een volksuitgave van het eerste deel van Het Kapitaal uit 1921 (Dietz Verlag, Stuttgart). Deze uitgave is opmerkelijk omdat Kautsky hier en daar Marx corrigeert.
Inhoud In (nagenoeg) alle opvattingen die er bestaan over de ontwikkeling van het economisch denken van Marx wordt onderstreept dat diens economische theorie een kritiek op de “burgerlijke” economische theorie behelst. In de kritiek op de toenmalige politieke economie ontstonden langzaam maar zeker bepaalde theoretische concepten, die kenmerkend zijn voor de economische theorie van Marx: zijn interpretatie van de arbeidswaardetheorie; zijn meerwaardetheorie; zijn accumulatietheorie; etc. Het werk van Marx moet dus in belangrijke mate gelezen worden als kritiek op de “burgerlijke” economische theorie van zijn tijd. Daarnaast bevat het ook belangrijke elementen van kritiek op anarchistische theoretici (bijvoorbeeld Proudhon).
Min of meer parallel aan Marx’ kritiek op het kapitalistische stelsel, ontwikkelde zich zijn kritiek op de toenmalige economische theorie. Friedrich Engels was hem in 1844 hier al in voorgegaan in een artikel in de Duits-Franse Jaarboeken met de titel “Schets van een Kritiek der Politieke Economie” (Umrisse zu einer Kritik der Nationalökonomie).
De studie richt zich op het werk van David Ricardo, Adam Smith en vele andere economen. Vooral in de jaren ’50 onderwerpt Marx daarnaast een zeer breed gebied van actuele economische vraagstukken aan zijn onderzoek, vooral in het kader van zijn journalistieke werk voor de New York Daily Tribune.
De “Kritik der politischen Ökonomie” is in de ontwikkeling van het denken van Marx een grote rol blijven spelen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de ondertitel van “Das Kapital”. Dat blijkt ook uit de “Theorieën over de meerwaarde”: dit vierde deel van Het Kapitaal (in de Marx-Engels Werke uitgegeven in drie banden) bevat een historisch-kritische studie van heel veel belangrijke economische beschouwingen.
Deel I: Het productieproces van het kapitaal page=53|thumb|Eerste editie deel I van Das Kapital met notities van Karl Marx zelf, pagina 88/89. Dit boek bevindt zich in de collectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Deel I van Het Kapitaal behandelt de "kapitalistische productiewijze" die met de industriële revolutie was ontstaan. Theorie en historische beschouwingen wisselen elkaar af. In de theoretische gedeeltes wordt de productie als afgesloten systeem behandeld: de aanname in vrijwel het gehele boek is het bestaan van een liberale utopie met eerlijke, wetsgetrouwe deelnemers aan een vrije markt. Deze utopie prikt Marx van binnenuit door, door tegenstellingen aan te wijzen die van dit systeem van "vrijheid, gelijkheid, eigendom en Bentham" er één maken van machtsongelijkheid, uitbuiting en instabiliteit. Deze tegenstellingen illustreert hij in de historische passages.
Marx begint met antropologische beschouwingen over de aard van de productie onder het kapitalisme, die losgezongen is van de directe behoeften van de producent: in plaats van voor de bevrediging van specifieke behoeften, produceert men koopwaar voor de markt. Aannemend, zoals de klassieke economen ook deden, dat de markt altijd neigt naar een evenwichtstoestand, stelt hij de vraag hoe prijzen op deze markt tot stand komen: bij marktevenwicht kan dit niet verklaard worden vanuit vraag en aanbod. Marx trekt de conclusie dat prijzen afspiegelingen zijn van de moeite die in de productie is gestoken, gemeten in arbeidsuren. De markt heeft echter de neiging om deze arbeidstijd te verhullen achter de prijs, een fenomeen dat hij warenfetisjisme noemt.
Vanuit deze analyse van de warenproductie en een beschouwing over geld komt Marx tot de definitie van kapitaal, die is gevat in zijn omloopschema's. Onafhankelijke producenten (handwerkslieden, arbeiders) volgen het schema W–G–W: zij bezitten of produceren een waar, al naargelang hun beroep, verkopen die voor geld, en kopen met het geld een andere waar om hun behoeften mee te bevredigen. Daarnaast zijn er echter de bezitters van geld, die hun geld de omloop G–W–G laten maken: ze beginnen en eindigen met geld. Deze op het eerste gezicht nutteloze omloop heeft alleen zin als het uiteindelijke geldbedrag meer is dan het beginbedrag, oftewel als er winst wordt gemaakt. Dit is voor Marx de essentie van kapitaal: bezit dat bezig is meer bezit te worden, te accumuleren.
Deze winst verklaart Marx uit de meerwaardetheorie, die een groot deel van het boek in beslag neemt. Nog steeds werkend met de liberale aannames over marktwerking, neemt Marx aan dat ook op de arbeidsmarkt een eerlijke prijs voor arbeidskracht wordt betaald: voor één dag werk wordt voldoende loon betaald om de werker en zijn gezin één dag in leven te houden en dus zijn arbeidskracht de volgende dag te reproduceren. De meerwaarde ontstaat dan doordat de werkdag langer is dan noodzakelijk, dus als er onbetaalde meerarbeid wordt verricht. Marx onderscheidt absolute meerwaarde, verkregen door het aantal uren in de werkdag te verlengen, en relatieve, die verkregen wordt door de arbeidsproductiviteit te verhogen (zodat de noodzakelijke werkdag korter wordt). Bij beide vormen van meerwaarde geeft hij historische uitweidingen: bij de eerste over de klassenstrijd om de werkdag in Engeland terug te brengen tot tien uur, bij de tweede over de manier waarop arbeidsdeling zich ontwikkelt tot het fabriekssysteem, waarin volgens Marx de arbeider een verlengstuk van de machine wordt.
Na een beschouwing over loonvorming verschuift Marx zijn aandacht van de micro-economie van de individuele arbeider naar een macro-economische beschouwing over de kapitalistische klassenmaatschappij. Hij komt tot de algemene wet van de kapitalistische accumulatie, een viertal stellingen die het sluitstuk van het hoofdargument in het boek vormen. Deze stellingen die laten zien hoe het ideaaltypische kapitalisme, bezien vanuit het standpunt van de productie, (i) instabiel is door de neiging tot monopolievorming, die de marktwerking verstoort, (ii) een industrieel reserveleger van werklozen in stand gehouden wordt en (iii) de verdeling van bezit en macht steeds schever wordt en steeds meer armen uit de markt gedrukt worden.
Na deze theoretische verhandeling volgt nog een historische passage, over de oorspronkelijke accumulatie, het ontstaan van het kapitalistisch stelsel. Deze is te lezen als een kritiek van Adam Smiths idee dat het kapitaal voortkwam uit spaarzaamheid, verschil in talent en samenwerking; in plaats daarvan wijst Marx op de gewelddadige ontstaansgeschiedenis van het kapitaal, die verbonden is met de Europese kolonisatie, het verjagen van boeren van hun land en andere vormen van roof uit publiek bezit.
Deel II: Het circulatieproces van het kapitaal Deel II bestudeert de werking van markten en de manier waarop kapitaal door een economie circuleert. Marx maakt hier een omgekeerde aanname vergeleken met deel I, namelijk dat de productie van meerwaarde ongestoord plaatsvindt, zonder technologische, organisatorische of maatschappelijke verschuivingen, terwijl de realisering van meerwaarde op de markt diverse spanningsvelden oproept. Ten eerste is er de strijd tussen kapitalisten onderling en met overheid en grondbezitters over de verdeling van de winsten. Ten tweede moet het kapitaal zorgen voor een afzetmarkt, omdat anders een overproductiecrisis dreigt.