Het Nederlands en het Nederduits hebben in de loop van de eeuwen invloed op elkaar gehad. Deze invloed was meestal een Nederlandse invloed op het Nederduits, slechts zelden andersom.Gilbert de Smet, "Niederländische Einflüsse im Niederdeutschen"; in: "Handbuch zur niederdeutschen Sprach- und Literaturwissenschaft", hrsg. von Gerhard Cordes und Dieter Möhn, Erich Schmidt Verlag, Berlin 1983, , p. 730 - 761

Geografische afgrenzing Nederlands en Nederduits In de tijd van Oudnederlands en Oudnederduits is het moeilijk die twee talen tegenover van elkaar af te grenzen.

Ten eerste komt dit door de overeenkomstigheid van de talen die het maken van een duidelijk onderscheid nauwelijks toelaat.

Ten tweede komt dit door het vrijwel ontbreken van schriftelijke overlevering. Wanneer na de 13de eeuw meer teksten worden gemaakt, zijn deze in hun taal gebonden aan het gebied van hun ontstaan en geven zij een grote variëteit in een glijdende schaal te zien tussen Oud-/Middelnederlands in het westen en Oudsaksisch/-nederduits in het oosten.

Bij gebrek aan andere bronnen onderzoekt men dan de moderne dialecten en kijkt of ze typisch "Saksische" (oftewel Oudnederduitse) kenmerken hebben, zoals de eenheidsmeervoud bij de werkwoorden: wi maakt (Saksisch) tegenover wi maken (Nederfrankisch).

Dus blijft de westelijke begrenzing van het Oudnederduitse taalgebied tamelijk onzeker.Willy Sanders, "Sachsensprache, Hansesprache, Plattdeutsch - Sprachgeschichtliche Grundzüge des Niederdeutschen", Göttingen 1982, Vandenhoeck und Ruprecht,

De Nederlands-Duitse staatsgrens was nooit een taalgrens, zij werd dat pas op standaardtaalniveau als gevolg van de instelling van een staatstaal (de officiële taal van een staat, zoals in Nederland Nederlands en in Hannover en Pruisen Hoogduits).

Aan weerszijden van de zuidelijke staatsgrenzen (aan de Nederrijn) waren er Nederrijnse dialecten, die taalhistorisch en typologisch eerder bij het Nederlands (in de zin van Nederfrankisch) dan bij het Nederduits (in de zin van Nedersaksisch) en zeker niet bij het Hoogduits gerekend kunnen worden. Het Nederlands werd immers grotendeels gevormd door de sprekers van Nederfrankische dialecten; de Nederrijnse dialecten, met name het Kleverlands, behoren daar ook toe. In het maken van onderscheid moet men rekening houden met bestaande en ingeburgerde concepten die overlappende en variërende inhouden hanteren en dus verwarring scheppen.

Verder naar het Noorden toe waren er langs de staatsgrens Oost-Nederlandse dialecten, die andersom juist meer bij het Nederduits gerekend kunnen worden en, misschien uit afkeer van het element 'Duits', door de sprekers liever Nedersaksisch genoemd worden. Ook hier ontbreekt in deze ingeburgerde concepten een duidelijk onderscheid.

De Oost-Nederlandse dialecten (in de Achterhoek, Twente en Drenthe) vormden in ieder geval een taalhistorische eenheid samen met de dialecten van het Duitse westelijke Munsterland. De noordoostelijke Nederlandse dialecten (in Groningen) hangen samen met die van het Eemsland en Oost-Friesland, streken die in de 18de en 19de eeuw achtereenvolgens tot de koninkrijken Pruisen en Hannover en ten slotte tot het Duitse keizerrijk behoorden.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de taalgrens een steeds uitgesprokener grens tussen de Duitse en de Nederlandse standaardtaal omdat het gebruik van de gezamenlijke dialecten afnam en de school, media en dienstplicht de kennis en het gebruik van het Hoogduits c.q. het Nederlands verspreidden. De sprekers van deze dialecten gingen vervolgens hun talen als 'Nederlands' dan wel 'Duits' dialect beschouwen, wat een staatspolitieke en niet een taalhistorische bepaling was. Door de tweetaligheid werden de grensdialecten, die eerst grote overeenkomst vertoonden, verrijkt met hier Nederlandse en daar Duitse standaardtaal-elementen, waardoor hun onderlinge verstaanbaarheid afnam en ze uit elkaar dreven.

De huidige taalwetenschap is overwegend van mening dat in de moderne tijd de dialecten uit het gebied van de Duitse standaardtaal (daktaal) Nederduits moeten worden genoemd, en de taalhistorisch overeenkomstige dialecten in het gebied van de Nederlandse standaardtaal (daktaal) Nederlandse dialecten zijn. De bewuste sprekers van die laatste dialecten geven de laatste tijd de voorkeur aan de betiteling Nedersaksisch;Dieter Stellmacher, "Niederdeutsche Sprache", 2. Auflage, Berlin 2000, Weidler Buchverlag, anderen bakenen ze af onder de noemer Nedersaksisch.Henk Bloemhoff, Jurjen van der Kooi, Hermann Niebaum en Siemon Reker (red.), "Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde", Assen 2008, Van Gorcum De taalwetenschap hanteert hiermee niet een taalhistorisch maar een staatspolitiek criterium.

In de moderne vakboeken over het tegenwoordige Nederduits worden, uitgaande van de Duitse daktaal, de Noordoost-Nederlandse dialecten overwegend buiten beschouwing gelaten. Daarmee wordt in de benaming van de dialecten de daktaal bepalend. Deze schrijft voor of we met een 'Duits' dan wel een 'Nederlands' dialect te doen hebben, ongeacht de overeenkomstigheden die deze dialecten met elkaar hebben of hadden. Dit hebben taalkundigen op dit ogenblik het meest praktisch gevonden, al had de Duits-Nederlandse staatsgrens als dialectgrens nog geen grote betekenis ten tijde van de gegevensverzameling voor de grote taalatlassen.Zoals de "Deutscher Sprachatlas", de "Deutscher Wortatlas" en de "Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland". In Henk Bloemhoff, Jurjen van der Kooi, Hermann Niebaum en Siemon Reker (red.), "Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde", Assen 2008, Van Gorcum, blz. 437

In de traditionele taalwetenschap daarentegen, die uitgaat van een dialectcontinuüm, bestaan er op zich geen 'Nederlandse' en 'Duitse' dialecten; zowel de dialecten die gesproken worden in het Nederlandse taalgebied als die in Duitsland ten noorden van de Benrather Linie worden gerekend tot het Nederduits omdat ze in tegenstelling tot het Hoogduits (Middelduits en Opperduits) niet de tweede Germaanse klankverschuiving hebben ondergaan en historisch een zekere eenheid (in verscheidenheid) vormden (zie Rijnlandse waaier).

De problematische classificatiemoeilijkheid die de moderne taalwetenschap heeft met Nederfrankisch in het Duitse daktaalgebied en Nedersaksisch in het Nederlandse daktaalgebied wordt in de historische context opgelost: zowel Nederfrankisch als Nedersaksisch horen dan immers tot het Nederduits volgens de traditionele opvatting.

In dat opzicht kan men stellen dat, omdat de Nederlanden in het verloop van de Middeleeuwen langzaamaan een eigen plaats kregen in het Heilige Roomse Rijk (en in het zuidwesten, het huidige West-Vlaanderen) zelfs nooit tot dat Rijk behoorde), ze ook, in tegenstelling tot het het Nederduitse taalgebied in Noord-Duitsland, niet zouden gaan deelnemen aan de uitbreiding van de invloed van het Hoogduits, dat sinds de 16de eeuw de standaardtaal van Noord-Duitsland werd, anders gezegd de daktaal die daar het Nederduits ook in zijn standaardtaalfuncties ging verdringen.

In het westen van het Nederduitse taalgebied, dat lag binnen de Nederlandse gewesten, zou zich echter juist in de 16e en 17e eeuw door de staatkundige verzelfstandiging van de Nederlanden een scheiding ten opzichte van het noorden van Duitsland vormen welke aansloot bij de Nederlandse standaardtaalontwikkeling: het Nederlands wordt daar daktaal. Men kan stellen dat sinds het einde van de 16de eeuw de (in ontwikkeling zijnde) Nederduitse standaardtaal in de bij het Duitse Rijk gebleven staten, voor het Hoogduits verdween, terwijl de Nederduitse standaardtaalvarianten in de Nederlandse provincies, met name in Groningen, Drenthe, Twente en de Achterhoek, plaats maakte voor de Nederlandse standaardtaal die verwarrend genoeg tot in het begin van de 19de eeuw 'Nederduitsch' werd genoemd.

Terminologische overlappingen scheppen verwarring. Het Nederlands in de 17e en 18e eeuw werd namelijk als regel Nederduits genoemd, en kortweg ook vaak Duits, voordat de naam Nederlands zich in de 19e eeuw doorzette. De Engelsen namen het 17e-eeuwse taalgebruik over en noemden het Nederlands Duits (Dutch), terwijl zij ter onderscheiding voor het Duits een historische academische betiteling zochten: German (Germaans).

Nederlandse invloed op de Nederduitse dialecten

Kolonisatie In de 12e eeuw en vooral de 15e eeuw zijn veel mensen uit de Nederlanden oostwaarts geëmigreerd, met name naar Noord-Duitsland inclusief de gebieden die sinds 1945 tot Polen behoren. Zij lieten een Nederlands substraat, uiteraard geen standaardtaalsubstraat maar een dialectsubstraat na in de dialecten van deze streken waar de kolonisten zich vestigden. Dat Nederlandse dialectsubstraat vormt op zich geen homogeniteit maar omvat te onderscheiden Vlaamse, Hollandse en Friese elementen. De mennonieten in de door hun drooggelegde Danziger Niederung (zie Gdańsk) vormden daarin weer een afzonderlijke taalgroep. Deze immigranten waren hoofdzakelijk boeren, daarnaast kooplieden en handwerkers (waaronder waterbouwdeskundigen), die in voornamelijk in de stad Gdańskwoonden.

Brandenburg Sommige van deze migranten werden in toenmalige Latijnse oorkonden Hollandrenses, Hollandri e.d. genoemd en kwamen dus waarschijnlijk uit het graafschap Holland. Anderen werden Flandrenses ("Vlamingen") genoemd naar de bevolking tussen de Noordzeekust en de Schelde, hooguit tot aan de Dender. Een belangrijk kolonisatiegebied was de streek tussen de rivieren Elbe, Havel en Saale. Het gebied Fläming, ten zuiden van Berlijn, is naar deze kolonisten vernoemd.

Soms hebben de kolonisten hun nieuwe woonplaatsen naar Nederlandse of Belgische plaatsen genoemd. Voorbeelden: Finken (naar Vinkem of Vinkt (Vlaanderen)) Wendgraben, vroeger Groeden, naar Groede (Zeeland) Häsewig, naar Heeswijk (Noord-Brabant) Kalow, naar Kallo (Oost-Vlaanderen) Krägen, vroeger Craienhem, naar Kraainem (Brabant) Muntenache, naar Montenaken (Belgisch-Limburg) Rabenstein, naar Ravenstein (Noord-Brabant) Roßlau, naar Reusel (Noord-Brabant) Gentha, naar Gendt (Betuwe)

De twee kerngebieden van de Nederlandse kolonisatie waren: de streek Elbe-Havel (oostelijke Altmark met Stendal en Wische, de twee districten Jerichow) de Fläming met het gebied Zerbst en van de Mulde tot aan de Elbe (Dessau, Dübener Heide) Van de middenloop van de Elbe en de benedenloop van de Saale hebben zich Nederlandse invloeden verspreid richting Oosten, en vaak het hele Brandenburgse gebied bereikt.

Ook in de dialecten hebben de Nederlandse kolonisten hun sporen achtergelaten. Bijvoorbeeld is er in Brandenburg een groot dialectgebied waar de mol Moll wordt genoemd (zoals in het Nederlands) terwijl de omringende gebieden andere namen gebruiken.

Deltagebieden van Elbe en Wezer, Oostholstein Vanaf de 12e eeuw hebben dijkwerkers uit de Nederlanden gewerkt aan het cultiveren van de marsen van Elbe en Wezer, in het bijzonder in opdracht van de bisschoppen van Bremen en Hamburg. Velen bleven op deze ontgonnen gronden wonen. Een gevolg van deze kolonisering zijn plaatsnamen als Hollerland (Hollandria) ten oosten van Bremen. In West-Pruisen werden de oevers en de delta van de Weichsel (Wisła) ook drooggelegd en in cultuur gebracht en heetten de dorpen tot 1945 "Holländereien" (zie hierna onder Mennonieten). In de streektalen ter plaatse komen veel uitdrukkingen voor die met ontwatering en dijkbouw te maken hebben. Voorbeelden daarvoor zijn Nederduitse woorden als sluus ("sluis") en diik ("dijk"), die in de Hoogduitse standaardtaal als Schleuse en Deich zijn overgenomen.

Mennonieten in de Weichseldelta In de eerste helft van de 16e eeuw begon in de Nederlanden het schrikbewind van de hertog van Alva. Dit leidde ertoe dat vooral mennonieten en calvinisten het land verlieten. De laatsten kwamen terug, de eersten bleven en werden versterkt door latere emigranten.