thumb|Toegangspoort van de Ennemaborg De Ennemaborg, vroeger ook Ennemaborgh, is een borg of buitenplaats in Midwolda. Het gebouw dateert uit het begin van de 18e eeuw, maar had een voorloper uit de tijd rond 1600.
In het Oldambt ontbreken de adellijke voorrechten, omdat de stad Groningen dit gebied al vroeg in handen kreeg. Niettemin speelden de leden van de familie Hora, die de borg bewoonden, een leidende rol in het dorpsleven. In de 19e eeuw werd de Ennemaborg een veenontginningsbedrijf, we zouden dan kunnen spreken over een veenborg.
Achter de borg ligt het Midwolderbos, een gereconstrueerd park in barokstijl met aansluitende bospercelen van 2,5 kilometer lang en 300 meter breed. De borg is met het bos sinds 1965 eigendom van stichting Het Groninger Landschap. Voor de borg ligt een gazon van stinsenplanten (börgbloumkes) als boerenkrokussen, bosgeelsterren, sneeuwklokjes, sterhyacinten en winterakonieten. De leilindes voor het koetshuis werden in de jaren 1980 herplant. Achter de borg ligt een vijver, vroeger mogelijk onderdeel van de oude gracht. In het bos bevindt zich tevens een oude reigerkolonie.
De borg werd sinds 1992 bewoond door beeldend kunstenaar Maya Wildevuur (1944-2023), die hier tevens haar atelier en galerie had. Na haar overlijden werd het gebouw opnieuw verhuurd als woning. Het koetshuis − gerestaureerd in 1969 − herbergde lange tijd een horecabedrijf, maar biedt nu plek aan een bezoekerscentrum van Het Groninger Landschap.
Geschiedenis Een steenhuis? thumb|Midwolda in 1585 (naar Lucas Janszoon Waghenaer, Spieghel der Zeevaerdt). Het is vrijwel uitgesloten dat dit gebouw de Ennemaborg betreft. thumb|De Ennemaborg op een eind-17e-eeuwse tekening van Jacobus Stellingwerf. In de voorgevel bevindt zich een duivenslag. Op de achtergrond zijn de spitsen van een mogelijk poortgebouw. Waarschijnlijk berust de afbeelding op fantasie.
Het wordt wel beweerd dat de Ennemaborg zou zijn ontstaan uit een middeleeuws steenhuis, waarvan de sporen nog in het muurwerk te zien zouden zijn. Dat is vermoedelijk gebaseerd op een misverstand. In een document uit 1420 wordt een zekere Sebo Emmens te Midwolda genoemd. In een andere versie van hetzelfde document, gedateerd in 1391 maar vermoedelijk in de 16e eeuw geschreven, wordt gesteld dat deze Sebo Ennens in Scheemda woonde. Ubbo Emmius noemt hem in 1598 als Sebo Ennema Midwoldani. De 18e-eeuwse bewoners van de borg meenden hierin hun voorgangers te herkennen. Rond 1400 lag het dorp Midwolda echter nog anderhalve kilometer noordelijker. Toen Midwolda in de 16e eeuw na de 'inbraak' van de Dollard noodgedwongen werd verplaatst, kwam de bebouwing ter hoogte van de latere plek van de Ennemaborg te liggen.
Zelf waren de borgbewoners ervan overtuigd dat hun familie sinds de 16e eeuw de borg bewoonde. Van Johan Hora Siccama wordt bij zijn overlijden in 1812 gezegd dat zijn "voorouders sedert bijna twee en halve eeuw bezitters geweest zijn zeer aanzienlijke landgoederen, in den Oldambte en elders gelegen". Volgens de familieoverlevering hadden ze "in het zevende geslacht, regstreeks, hoezeer meestal door de vrouwelijke linie, onafgebroken bezeten de burg Ennemaburg en diens toebehoren".Frederik A. Begeman, De kortstondigheid en moeijelijkheid des menschelijken levens, beschouwd in eene leerrede over Psalm XC: vers 10 bij gelegenheid van het afsterven van den heer Jan Hora Siccama, oud-raadsheer der stad Groningen: uitgesproken den 24 van bloeimaand 1812 te Midwolda, Groningen 1812, p. 29.
De Ennemaborg komt vóór de 18e eeuw niet voor in de historische bronnen. Wel vinden we in Spieghel der Zeevaerdt van Lucas Janszoon Waghenaer (1585) bij het woord 'Mitwolde' een gebouw met twee hoektorentjes, dat het steenhuis zou kunnen uitbeelden. Andere kaarten laten echter zien dat hiervoor de Viertorenkerk model moet hebben gestaan.
Vanaf 1598 komt de familie Duircken of Diurcken voor als bewoners van de deftige boerderij die op de plek van de latere Ennemaborg stond. Kerkvoogd Reinold (Rinner) Diurcken was gehuwd met Wya Sebens, die de boerderij van haar vader Sebo Luwerts (Bunninga) had geërfd. Omdat hun zoon de naam Sebe kreeg, wordt soms aangenomen geacht dat Wya Sebes een nakomeling was van Sebo Ennens.
Lubbina Duircken trouwde rond 1627 met de Groninger raadsheer Johan Clinghe, waarmee de boerderij in handen van de familie Clinge (of Clinghe) kwam. Een gedetailleerde kaart van de Dollarddorpen uit 1638 toont op deze plek een grote boerderij met een stenen voorhuis en een bijschuur.Nationaal Archief, Hingman cat.nr. 3083: Kaart van landen en venen aan de Dollard door Cornelis Edskens, ca. 1638, hier nrs. 37 en 50. Bouwhistorisch onderzoek toonde in 2024 aan dat ten minste de voorste kamers van de borg uit de tijd rond 1600 moeten dateren. De boogfunderingen onder de borg zouden nog ouder kunnen zijn.
De heerd Ennema wordt bij de verdeling van Wya's erfenis in 1655 voor het eerst als zodanig genoemd.O.D.J. Roemeling, 'Oldambster geslachten', in: De Nederlandsche Leeuw 97 (1980), kol. 258, naar Groninger Archieven, toegang 574: Collectie De Sitter - Schönfeld, inv.nr. 96. Een andere boerderij, die tegenover de latere borg stond, droeg overigens in 1677 dezelfde naam.
Pas op provinciekaarten rond 1681 komt op deze plek voor het eerst de buitenplaats van de familie Clinge voor. Een passerende reiziger vertelt in 1691 dat hij en zijn gezelschap "een goede distantie van ons het huys Midwolde" zagen, dat "sich door sijn hoochte, over een vlacke streecke lants, van verre claer opdoende". Mogelijk verwarde hij de borg met het ruïne van de Viertorenkerk.
Op een eind-17e-eeuwse tekening van Jacobus Stellingwerff wordt een gebouw afgebeeld met aan de voorzijde twee zes- of achtkante hoektorens met uivormige spitsen. Achter het gebouw zijn twee kleine torenspitsen te zien, die kunnen duiden op een poortgebouw. Stellingwerff maakte vaker gebruik van schetsen die anderen hem aanleverden, en het lijkt er dan ook op dat de afbeelding op fantasie berust. Kennelijk gebruikte hij de misleidende schets van de Viertorenkerk, die Lucas Janszoon Waghenaer in 1585 publiceerde.
Hora Siccama: De gloriejaren thumb|left|Portretten van Johan Hora (linksboven, 1683-1744) en zijn vrouw Catharina Wolthers (rechtsboven, 1695-1775) en van Johan Hora's kleinzoon Johan Hora Siccama (linksonder, 1738-1812) en zijn vrouw Egberta Louisa Beckeringh (rechtsonder, 1740-1810)
De tweede dochter van borgheer Johan Clinge, Anna Maria Clinge, erfde de Ennemaborg na de dood van Johan in 1649 en Lubbina in 1674. In 1681 trouwde zij met de Groningse staatssecretaris Wilhelmus Hora, de zoon van de rijke bankier Mozes Aäron (Hora). Wilhelmus wilde zich kunnen meten met de landadel van het Hogeland en bezat door zijn vader daarvoor ook de middelen. Hij kocht samen met zijn vrouw vanaf 1689 verschillende landerijen in omliggende plaatsen als Eexta (Eexterhamrik), Finsterwolde, Midwolda, Oostwold en Woldendorp, waardoor het landgoed rond de Ennemaborg sterk werd vergroot. De grootste aankoop betrof twee heerden in Midwolda van bijna 400 hectare. Wilhelmus overleed reeds in 1696. Zijn vrouw bleef daarna nog tot 1706 nieuwe gronden aankopen. Haar broer kocht in 1695 het verwaarloosde Huningameer, waar zij een deel van erfde. Het oorspronkelijke gebouw werd omstreeks deze tijd afgebroken en vervangen door een vierkant symmetrisch landhuis. De borg wordt in 1706 voor het eerste genoemd; hij wordt in 1709 als "nieuws getimmerde borgh" betiteld en zal enkele jaren daarvoor zijn gebouwd.
Na de dood van zijn vrouw Anna Maria rond 1709 werd hun zoon Johan Hora borgheer. In 1716 trouwde hij met een kleindochter van Ubbo Emmius, Catharina Wolthers. Hij was raadsheer van de stad Groningen en gedeputeerde. Zijn oudste dochter Anna Catharina (1718) trouwde met Wiardus Siccama van de borg Klinkema in Zuidhorn. Hierdoor ontstond de naam Hora Siccama. Johan Hora's jongste dochter Anna Maria (1722) trouwde met Onno Joost Alberda van Nijenstein en ging wonen op Ekenstein bij Appingedam. De Ennemaborg werd door de familie vooral gebruikt als zomerhuis. In 1734 nodigde Johan Hora predikant Wilhelmus Schortinghuis (een voorvechter van de Nadere Reformatie) uit naar Midwolda te komen. Johan raakte innig met hem bevriend en beschermde hem. Schortinghuis droeg zijn bekendste (en meest bekritiseerde) werk Het innig Christendom (1740) aan hem op. Nadat de derde druk daarvan was verboden, legden de staten van Stad en Lande Schortenhuis een 'eeuwigdurend stilzwijgen' op, maar Johan wist uiteindelijk de kerkelijke censuur op het geschrift te voorkomen. In 1738 was Johan nauw betrokken bij de bouw van de nieuwe kerk van Midwolda. Zijn jongste dochter Anna Maria legde de eerste steen.
Anna Catharina Hora trouwde in 1737 met de Groningse burgemeester Wiardus Siccama. Het echtpaar kreeg één zoon genaamd Johan Hora Siccama (1738). Anna Catharina overleed twee maanden na de geboorte op het kraambed. In 1744 overleed Johan Hora sr. Over zijn weduwe Catharina Wolthers wordt het volgende verhaal verteld: enkele jaren na de dood van haar man werd de borg belaagd door gewapende verveners die een gunstiger contract wensten dan zij eerder met Johan Hora sr hadden getekend. Zij dreigden Catharina te vermoorden als ze niet toegaf. Catharina stond hen te woord aan de poort, maar weigerde in te gaan op hun eisen. Zij gaf aan dat ze geen vrees had voor de dood, waarop de verveners afdropen.Vinhuizen (1926), p. 69 geeft aan dit verhaal gehoord te hebben van jonkvrouw Catharina de Wendt Alberda van Ekenstein.
Johan Hora Siccama werd ook bestuurder in Groningen, waar hij vele hoge functies vervulde, zowel tijdens de Republiek als in de Franse tijd. Zo was hij achtereenvolgens secretaris en ambtman van het Gorecht, lid van de provinciale rekenkamer, raadsheer van de stad Groningen, lid van de Staten-Generaal, lid van de Nationale Vergadering in 's-Gravenhage, lid van het departementaal bestuur van Groningen en vervolgens tot zijn dood lid van de departementale raad van de Westereems. Hij trouwde in 1761 met Egberta Louisa Beckeringh. Hij financierde in 1772 het monumentale Hinsz-orgel van de kerk van Midwolda. In 1775 overleed zijn grootmoeder Catharina Wolthers, waarop hij een jaar later de Ennemaborg in bezit kreeg. De Ennemaborg gebruikte hij als zomerverblijf. In de winter woonde hij in de stad. Hij kocht over de loop der jaren grote stukken land van de stad Groningen: Leegkerk, Noordbroek, Midwolda, Finsterwolde en in het Munnikeveen en de Oostwolderpolder. Het totale bezit breidde hij zo uit tot ongeveer 1000 deimatten (500 hectare). Hij bezat een vijftal boerderijen, waar koeien, paarden en schapen werden gehouden. Na de dood van zijn vader Wiardus in 1797 erfde hij ook de Klinkemaborg, die hij vervolgens verhuurde (zijn zoon deed later hetzelfde).