Zuidergo (Fries: Sudergoa) is een naam die voorkomt in oude documenten over Friesland. Het zou een graafschap geweest zijn waarvan Stavoren de hoofdplaats was. In latere documenten is ook sprake van het Graafschap Stavoren.

Geografie De naam Zuidergo verwijst naar de ligging ten opzichte van de drie andere gouwen Westergo, Oostergo en Bornego. Het gebied bestond vooral uit uitgestrekt veengebied rondom enkele stuwwallen.

De omvang van het gebied is onbekend. Het wordt aannemelijk geacht dat het teruggaat op het gebied rond Stavoren in de 9e eeuw. Op basis van 12e-eeuwse eigendomsverhoudingen van het Sint-Odulfusklooster in Stavoren kan het mogelijk vanaf de 10e eeuw en zeker vanaf de 11e eeuw het gebied omvat hebben van de veenontginningen rond Hieslum, Oudega en Heeg en dat de noordoostelijke grens gevormd werd door de Wijde Wijmerts. De westgrens werd deels gevormd door het Vlie. In het verlengde daarvan zouden theoretisch ook de gebieden rond de benedenloop van de Tjonger en gebieden langs de oever van het Almere ertoe behoord kunnen hebben. Het gebied rond Oosterzee werd er niet toe gerekend.

Mol vermeldt verder dat Emelwerd (op Schokland), Urck en Cunre in elk geval tot 1558 onder het aartsdiakonaat van de abt van het Sint-Odolfusklooster vielen (ook Naghele wordt in 1132 en 1245 genoemd), maar dat daarmee onduidelijk blijft of ze onder Zuidergo vielen. Volgens Halbertsma vormden de gebieden tussen de rivier de Nagele en de benedenloop van de IJssel (Urk, Schokland, Genemuiden en IJsselmuiden) vermoedelijk onderdeel van de IJsselgouw.Henstra, D.J (2012), Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer. Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200). bezorgd door A.T. Popkema. Koninklijke Van Gorcum BV. p. 116, noot 104

Geschiedenis De oudste vermelding van Zuidergo dateert uit 845 als (in pago) Sutrachi"In pago Sutrachi in uilla que dicitur Aldgrepeshem terram XX animalum et dimidiam unius." in cartularium Werden, verso (p.) 34.

Datering: 845 in kopie begin 10e eeuw.

Bron: Gysseling, M. (1960), Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226). lemma Zuidergo. (in de eerste naamval pagus Sutrachus). In deze oorkonde is sprake van een schenking van enige landerijen, gelegen in Zuidergo, aan het Klooster Werden.

In 1006 kreeg Liudolf van Brunswijk de Friese gouwen in handen, zodat Zuidergo deel ging uitmaken van het Graafschap Midden-Friesland.

In een document uit 1077 is sprake van de gift van het graafschap Stavoren aan de Utrechtse bisschop. Een verklaring voor die naamswijziging zou kunnen zijn dat een groot deel van het graafschap Zuidergo tussen 845 en 1086 verloren was gegaan bij de vorming van de Zuiderzee. Het restant zou daarom als Stavoren aangeduid worden. Egbert II van Meissen was voorafgaand aan de overdracht van Zuidergo aan de bisschop van Utrecht de gouwgraaf, maar door opstandigheid jegens de keizer geraakte hij bij hem in ongunst en verloor zijn gebied.

In de 12e en 13e eeuw werd een deel van Zuidergo verzwolgen door het water. Wat ervan restte, ging in de 13e eeuw deels op in Westergo en het district Waghenbrugghe. In de 14e eeuw vielen Waghenbrugghe en Bornego uiteen en nog geen eeuw later ontstond Zevenwouden, waartoe ook een klein deel van het voormalige Zuidergo ging behoren, dat eerder onder Wahenbrugghe had behoord.

Categorie:Heerlijkheid Friesland Categorie:Gouw in de Nederlanden