John Cabell Breckinridge (Lexington, Kentucky 16 januari 1821 – aldaar, 17 mei 1875) was een Amerikaans politicus, militair en vicepresident.

Afkomstig uit Kentucky vestigde Breckinridge er zich als advocaat en diende tijdens de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog van 1848. Hij was voor zijn thuisstaat lid van het Huis van Afgevaardigden tussen 1851 en 1855. In deze functie verwierf hij nationale bekendheid als verdediger van het recht van individuele staten op secessie, maar bleek hij tegenstander van de uitbreiding van de slavernij naar nieuwe staten. Van 1857 tot 1861 was Breckinridge vicepresident onder president James Buchanan. Hoewel politiek machteloos, probeerde hij toch de Amerikaanse Burgeroorlog te vermijden.

In 1860 werd Breckinridge genomineerd als presidentskandidaat voor de National Democratic Party, een afsplitsing van de Democratische Partij. Hoewel hij in 11 zuidelijke staten won, werd Republikein Abraham Lincoln tot president verkozen. Hierna bleef Breckinridge in de Senaat ijveren voor een compromis om het uiteenvallen van de Unie te beletten. Op 4 december 1861 werd Breckinridge echter uit de Senaat gestoten vanwege zijn sympathie voor de Confederatie.

Nadat Kentucky had besloten zich bij het Noorden aan te sluiten, vluchtte Breckinridge naar de Confederatie. Eerst diende hij als generaal in het zuidelijke leger waar hij verdienstelijk diende aan het oostelijke front in Virginia en rondom Washington D.C. In 1865 werd hij aangesteld als minister van Oorlog van de Geconfedereerde Staten. In de chaotische nadagen van de Confederatie vluchtte Breckinridge samen met de president van de Confederatie, Jefferson Davis vanuit de zuidelijke hoofdstad Richmond.

Na de zuidelijke overgave vluchtte Breckinridge naar Europa. Na de algemene amnestie in 1868 kon hij terugkeren naar zijn vaderland. Breckinridge overleed op 54-jarige leeftijd te Lexington, Kentucky.

Vroege jaren John Cabell Breckinridge werd geboren op 16 januari 1821 in Thorn Hill, het familielandgoed nabij Lexington, Kentucky.. Hij was het vierde van zes kinderen en de enige zoon van Joseph "Cabell" Breckinridge en Mary Clay (Smith) Breckinridge. Zijn moeder was de dochter van Samuel Stanhope Smith de stichter van Hampden–Sydney College in 1775 en de kleindochter van John Witherspoon, een van de ondertekenaars van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. De vader van Breckinridge was voorzitter geweest van het Huis van Afgevaardigden in Kentucky en werd net voor de geboorte van zijn zoon aangesteld als secretary of state in Kentucky. In februari, een maand na de geboorte van Breckinridge, verhuisde het gezin naar de Governor's Mansion in Frankfort, Kentucky zodat zijn vader zijn nieuwe taken naar behoren kon uitvoeren.

In augustus 1823 woedde een ziekte in Frankfort waarbij de patiënt zware koortsaanvallen kreeg. Cabell Breckinridge stuurde zijn kinderen naar zijn moeder in Lexington. Zowel Cabell als zijn echtgenote werd getroffen door de ziekte. Cabell overleed, maar zijn echtgenote genas. De erfenis was te klein om alle schulden af te betalen. Ze trok met haar kinderen in bij haar schoonmoeder. John Breckinridge liep school aan de Pisgah Academy in Woodford County. Zijn grootmoeder gaf hem les in de politieke overtuigingen van zijn grootvader, John Breckinridge, die lid was geweest van de Amerikaanse senaat en onder president Thomas Jefferson minister van Justitie was.

Na een ruzie tussen zijn moeder en grootmoeder verhuisden zijn moeder, zijn zuster Leatitia en Breckinridge naar Danville en trokken ze in bij zijn zus Frances en haar man John C. Young die voorzitter was van Centre College. Zijn oom, William Breckinridge, die eveneens verbonden was aan het college, schreef zijn neef in 1834 in aan het college. Beriah Magoffin, William Birney, Theodore O'Hara, Thomas L. Crittenden en Jeremiah Boyle volgden daar eveneens les. In september 1838 behaalde Breckinridge een Bachelor of Arts. In de winter van 1838-39 volgde hij les aan de College of New Jersey (het huidige Princeton University). Daarna studeerde hij rechten bij rechter William Owsley.. Hij vervolgde in november 1840 zijn rechtenstudies aan de Transylvania University in Lexington, waar hij les kreeg van onder andere George Robertson en Thomas A. Marshall. Op 25 februari 1841 kreeg Breckinridge zijn Bachelor of Laws.

Loopbaan als advocaat Na zijn studies bleef Breckinridge nog enige tijd in Lexington tot hij had beslist waar hij een advocatenkantoor zou beginnen. In Lexington was de concurrentie te groot. Hij wilde een kantoor openen in Frankfort, maar vond geen geschikte locatie. Daarop besliste hij om samen met zijn vriend Thomas W. Bullock op 10 oktober 1841 naar het Iowaterritorium te trekken. Breckinridge had een stuk grond geërfd in Jacksonville, Illinois maar toen ze daar arriveerden, was ook daar nog weinig nood aan advocaten omdat mannen zoals Stephen A. Douglas en Abraham Lincoln er als werkzaam waren. Ze trokken verder naar Burlington, Iowa en in de winter van 1842 schreef hij een brief naar zijn familie dat hij al veel rechtszaken had behandeld. Onder invloed van zijn zakenpartner Bullock werd Breckinridge lid van de Democratisch Partij. Vrijwel zijn volledige familie was aanhanger van de Whigs en toen zijn neef William Breckinridge vernam dat John Breckinridge Democraat geworden was, schreef hij dat hij het gevoel had alsof zijn dochter onteerd was.

In mei 1843 bracht Breckinridge een bezoek aan zijn familie. Hij bleef langer dan verwacht omdat hij eerst de brokken probeerde te lijmen tussen zijn moeder en schoonmoeder en daarna omdat de griep kreeg. Hij ontmoette er de nicht van Bullock, Mary Cyrene Burch en in september waren ze verloofd. Hij keerde in oktober terug naar Iowa waar hij zijn kantoor overliet aan zijn zakenpartner en begon in Kentucky een nieuw advocatenkantoor met Samuel Bullock, de neef van zijn vriend. Op 12 december 1843 huwden Breckinridge en Mary en vestigden zich in Georgetown, Kentucky. Het koppel kreeg zes kinderen: Joseph Cabell (geb. 1844), Clifton Rodes (geb. 1846) en later een congreslid voor Arkansas), Frances (geb. 1848), John Milton (geb. 1849), John Witherspoon (geb. 1850) en Mary Desha (geb. 1854). Breckinridge groeide in zijn rol als advocaat en in 1845 verhuisde het gezin terug naar Lexington waar hij een partnerschap sloot met de toekomstige senator James B. Beck.

Mexicaans-Amerikaanse oorlog thumb|right|alt=Black and white oval portrait of Breckinridge in blue U.S. Army uniform, young man in his 20s, dark hair|Breckinridge in uniform van het United States Army Als voorstander van de oorlog met Mexico gaf Breckinridge zich op als vrijwilliger in de staf van generaal-majoor William O. Butler, die een vooraanstaande Democraat was in Kentucky. Butler kon hem enkel een onbezoldigde post aanbieden en raadde hem af om dit aan te nemen. In juli 1847 gaf Breckinridge een toespraak bij een herdenkingsdienst voor soldaten uit Kentucky die gesneuveld waren tijdens de Slag bij Buena Vista. Het inspireerde Theodore O'Hara om het gedicht "Bivouac of the Dead" te schrijven. Toen er op 31 augustus 1847 twee nieuwe regimenten gerekruteerd werden in Kentucky, diende hij opnieuw een aanvraag in om een militaire benoeming te krijgen bij gouverneur William Owsley. Uit politieke overwegingen werd er beslist dat er op zijn minst één Democratische officier diende benoemd toe worden. Op 6 september 1847 benoemde Owsley Manlius V. Thomson tot kolonel, Thomas Crittenden tot luitenant kolonel en Breckinridge tot majoor in het Third Kentucky Infantry Regiment. Het regiment vertrok op 1 november en arriveerde op 21 november in Veracruz. Er was net een uitbraak van gele koorts en het regiment reisde vlug verder naar Mexico-stad. Toen ze op 18 december arriveerden in Mexico-Stad, was de oorlog bijna voorbij. Ze zagen geen actie en dienden als bezettingsmacht tot 30 mei 1848.

Door zijn juridische achtergrond werd hij gevraagd om Gideon Johnson Pillow te helpen verdedigen in een onderzoek die ingesteld werd door Winfield Scott. In een poging om de presidentiële ambities van Scott te fnuiken, hadden Pillow en zijn medestanders brieven gepubliceerd waarin stond dat Pillow de eer te beurt kwam voor de overwinningen bij Contreras en Churubusco en niet Scott. Om zijn betrokkenheid bij de affaire te verdoezelen liet Pillow een ondergeschikte opdraven om het schrijven van de brief op zijn conto te schrijven. De enige rol die Breckinridge speelde was het verhoren van enkele getuigen omdat Pillow zelf het woord nam voor zijn verdediging. Op 16 juli 1848 keerde Breckinridge terug naar Louisville waar het regiment op 21 juli ontbonden werd. Tijdens de oorlog verloor het regiment 100 van de 1.000 soldaten door ziekte. Hoewel Breckinridge niet had deelgenomen aan gevechten, stond zijn militaire periode mooi op zijn C.V. om eventuele politieke ambities waar te maken.

Politieke loopbaan Vroege politieke loopbaan Breckinridge voerde actief campagne voor James K. Polk, de Democratische kandidaat voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 1844. Toen zijn zakenpartner klaagde dat hij te veel tijd spendeerde in de politiek en te weinig in het advocatenkantoor besliste Breckinridge om niet deel te nemen aan lokale verkiezingen. In 1845 vroeger verschillende lokale Democraten aan Breckinridge om zich kandidaat te stellen voor een zitje in het Amerikaanse congres, maar hij weigerde beleefd en gaf zijn steun aan Alexander K. Marschall, die niet zou verkozen worden. Hij was tegen het Wilmot Proviso die slavernij verbood in de pas verworven gebieden na de oorlog met Mexico. Tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1848 steunde hij de kandidatuur van de Democratische kandidaat Lewis Cass.

Huis van Afgevaardigden in Kentucky In augustus 1849 werden er verkiezingen gehouden in Kentucky voor de Grondwetgevende vergadering en leden voor huis van afgevaardigden en senatoren in het staatsparlement. Twee ooms van Breckinridge, William en Robert Jefferson Breckinridge, kwamen samen op met Cassius Marcellus Clay om een lijst te vormen met voornamelijk abolitionisten. Als antwoord hierop diende een groep van anti-abolitionisten eveneens een lijst in. Op deze lijst stelde Breckinridge zich kandidaat voor een van de twee vacante zetels voor Fayette County in het huis van afgevaardigden in Kentucky. Hoewel hij zelf vijf slaven had en opkwam tegen pogingen om het instituut van de slavernij in enige vorm in te perken, was Breckinridge lid van de vrijmetselaarsloge en de First Presbyterian Church in Lexington; die beide anti-slavernij waren. Als advocaat had hij vrije Afro-Amerikanen vertegenwoordigd en drukte hij zijn steun uit voor de vrijwillige vrijlating van slaven. Hij speelde ook een rol in de Kentucky Colonization Society die zich inzette voor de hervestiging van voormalige slaven in Liberia. thumb|left|alt=A man with thick, dark hair wearing a high-collared white shirt under a black jacket and tie, black and white sketch|Breckinridge, rond 1850

Breckinridge kreeg 1.481 stemmen op zijn naam, meer dan 400 meer dan zijn dichtste concurrent. Hij werd de eerste Democraat die Fayette County mocht vertegenwoordigen in het staatparlement. Tussen de verkiezing en het officieel openen van het parlementaire jaar ging Breckinridge een nieuw partnerschap aan met George B. Kinkead. Zijn vorige partner was overleden aan de gevolgen van cholera enkele maanden voordien. Hij was ook de mede-oprichter van de Kentucky Statesman, een Democratische krant. Breckinridge bracht in die periode ook een bezoek aan zijn stiefnicht Mary Todd, waar hij ook haar man ontmoette, Abraham Lincoln. Ondanks hun verschillende politieke meningen werden ze vrienden.