right|150px|Klein kruis De Frans Jozef-orde (Duits: Franz Josephs-Orden) werd op 2 december 1849 door keizer Frans Jozef I van Oostenrijk ingesteld ter gelegenheid van zijn eerste ambtsjubileum. Deze ridderorde werd voor maatschappelijke verdiensten verleend. De statuten spraken van "onverschrokken en beproefde aanhankelijkheid aan keizer en vaderland in oorlog- en vredestijd" en van "het dienen van het algemeen belang, het verbeteren van de landbouw, het doen van uitvindingen, het werken in handel, industrie, wetenschap, kunst en liefdadigheid". Ook buitenlanders konden in deze orde worden opgenomen. De keizer behield zich in het stichtingspatent het recht om vreemdelingen in de orde die zijn naam droeg uitdrukkelijk voor. De statuten van de Frans Jozef-orde werden op 25 december 1850 vastgesteld en in 1869, 1901 en in 1908 herzien. Het aantal leden van deze orde, de eerste moderne orde van Verdienste in Oostenrijk, want zij verleende niet zoals de Leopoldsorde adeldom of titels aan de Ridders, was onbeperkt.

Deze eerste moderne Oostenrijkse orde volgde het voorbeeld van de moderne orden van verdienste zoals de Pruisische Orde van de Rode Adelaar en het Franse Legioen van Eer. De orde werd dankzij de uitgebreide kring van de in de statuten genoemde verdiensten de in de 19e eeuw meest verleende onderscheiding onder de Oostenrijkse ridderorden, vergelijkbaar met de Nederlandse Orde van Oranje-Nassau en de Belgische Kroonorde.

De Frans Jozef-orde was de laatste van de door de Habsburgers gestichte ridderorden. Oostenrijk kende in 1849 een militaire orde, de Orde van Maria Theresia, en de voor verdiensten uitgereikte versierselen van de Leopoldsorde en de Orde van de IJzeren Kroon. Na de Frans Jozef-orde werd in de 69 jaar die de monarchie nog restte alleen nog een Damesorde, de Elisabeth-Orde ingesteld.

In het Oostenrijk van de 19e eeuw speelden orden en onderscheidingen een grote rol in het maatschappelijk verkeer. De Frans Jozef-Orde werd duizenden malen uitgereikt aan de onderdanen van de keizer maar ook aan buitenlanders zoals diplomaten en handelaren.

De geschiedenis van de orde thumb|Commandeurskruis en ster van de Frans Jozef-orde De orde was de eerste Oostenrijkse orde van verdienste zonder de gebruikelijke gouden ordeketen. Ook van de inmiddels bij de Oostenrijkse orden in onbruik rakende ordekleding werd bij deze nieuwe ordestichting afgezien. De laagste rang werd in de eerste jaren officieel steeds "Kleines Kreuz" genoemd waarmee werd benadrukt dat de drager door het ontvangen van dat kruis geen erfelijk of niet-erfelijk Ridder (Duits: "Ritter") binnen de Oostenrijkse adelstand was geworden. Ook de aan het met veel pracht en praal aangeklede Habsburgse hof gebruikelijke herauten en schitterend geuniformeerde functionarissen ontbreken bij de Frans Jozef-orde.

Als motto van de orde werd het Latijnse regeringsmotto van de jonge keizer, "VIRIBVS VNITIS" oftewel "met vereende krachten" uitgekozen. Dit regeringsprogramma benadrukte de door de Habsburgers gewenste eenheid van de veelvolkerenstaat Oostenrijk die in het revolutiejaar 1848 door revolutionaire en nationalistische opstanden bijna te gronde was gericht. Frans Jozef I had zich alleen met Russische militaire steun op de wankele Hongaarse troon kunnen handhaven en in Italië en in de Duitssprekende kroonlanden hadden de maarschalken Radetzky, Windischgraetz en Jellačić de Habsburgers met militair ingrijpen en executies van revolutionairen weer op hun troon hersteld. De Duitstalige adel had de keizer en het aartshuis Habsburg gesteund, de Hongaarse adel had voor een deel tegen de Habsburgers en voor het herstel van de onafhankelijkheid van Hongarije gekozen. De opkomende burgerij wenste erkenning van zijn steeds groter wordende rol en eiste democratisering van de regering. De nieuwe Frans Jozef-Orde was bijzonder geschikt om de banden met de burgerij aan te halen en kan daarom als een politiek instrument worden gezien.

In de stichtingsdocumenten en latere officiële correspondentie wordt benadrukt dat het kruis van de orde de "Allerhöchste Wahlspruch" en de "Allerhöchste Namenszug" droeg. In de byzantijnse sfeer van het hof gaf deze persoonlijke verbinding tussen de "Allerhöchste" heerser en de orde een bijzonder cachet aan de versierselen.

Het patent van 1850 benadrukte dat de Frans Jozef-orde "zonder op afkomst of religie te letten" en "alleen voor uitstekende verdienste" aan "Oostenrijkse rijksburgers" zou worden toegekend. Het besluit noemde als redenen voor het toekennen "onverschrokken en bestendige trouw aan de keizer en het vaderland, in oorlog en in vrede, door bijzondere ontdekkingen en verbeteringen" en "ijverig bevorderen van de belangen van de landbouw, industrie en handel". Ook "opoffering voor de lijdende mensheid", voor kunst en wetenschap kwamen voor een voordracht in aanmerking. left|150px|Kleine kruisen aan het vredes- en oorlogslint De keizer stichtte voor zijn nieuwe orde een eigen ordekanselarij met een eigen kanselier, schatmeester, ordesecretaris, een eerste en tweede secretaris (Kanzlisten) en enige dienaren. Alleen de door de Keizer en Grootmeester benoemde Ordenskanzler moest ook lid van de orde zijn voordat hij kon worden benoemd. Het grootmeesterschap van de orde was volgens het statuut "onverbreekbaar met de Oostenrijkse kroon verbonden". In het laatste jaar waarin deze kanselarij de orde bestuurde, dat was in 1912, had zij een begroting van 125 895,38 kronen. In 1913 werd het beheer van de Oostenrijkse orden gereorganiseerd. De opperhofmeester zou in het vervolg de verenigde kanselarij van de Leopoldsorde, de Orde van de IJzeren Kroon, de Frans Jozef-orde en de Elisabeth-Orde leiden.

De eerste kanselier was Vorst Felix von Schwarzenberg. Deze kanselier van de Oostenrijkse regering gaf al leiding aan de ministerraad maar omdat het absolutistisch geregeerde Oostenrijk van die tijd nog geen zelfstandig kabinet bezat kan hij slechts tot op zekere hoogte als premier van Oostenrijk worden beschouwd. Omdat de kanselier door de keizer uit de leden van de orde moest worden benoemd was Fürst Schwarzenberg op diezelfde dag, de`16 april 1850, tot Grootkruis in de Frans Jozef-orde benoemd. De Hof- und Ministerialrat Freiherr v. Pflügl werd schatmeester, Ministerialrat Joseph Marherr werd ordesecretaris en tevens archivaris en de Registrieradjunkt im Obersthofmeisteramt Franz v. Raymund werd eerste kanzlist van de orde. Aan deze functies waren inkomens verbonden; de kanselier verdiende 5880 Kronen per jaar voor wat in zijn geval vooral een erefunctie was. De heren v. Raymund en v. Pflügl ontvingen respectievelijk 2400 en 2000 Kronen per jaar.

Een ridderorde die aan brede groepen verdienstelijke burgers werd verleend was voor het aristocratische Habsburgse hof iets nieuws. De ridders in de Frans Jozef-orde waren, zij waren immers geridderd, met hun echtgenoten toegelaten tot de plechtigheden van het hof ook al waren zij geen edelen. In de Oostenrijkse samenleving was de Orde niet erg in tel; wanneer iemands vermogen, en daarmee zijn krediet, werd ingeschat was een Frans Jozef-orde niet in tel. De eigenaren van een florerend bedrijf werden immers vaak in de Orde van de IJzeren Kroon opgenomen. De ridders vond men en alle lagen van de samenleving waarbij in de eerste jaren veel kunstenaars in de orde werden opgenomen. De Frans Jozef-orde had immers de plaats ingenomen van de Genademedailles waarmee eerdere kunstenaars werden geëerd. Toen het Keizerlijk-Koninklijk Oostenrijks-Hongaars Ereteken voor Kunst en Wetenschap was ingevoerd daalde het aantal benoemingen van scheppende en vertolkende kunstenaars in de Frans Jozef-orde.

Het was "unstatthaft" wat zoiets als "ongepast" om om het toekennen van de Frans Jozef-orde te verzoeken.Statuten, Art. 5 Op een dergelijk verzoek werd desondanks geen in de statuten vermelde sanctie toegepast.

De conservatieve Oostenrijkse keizer brak met de instelling van de Frans Jozef-orde met een aantal gebruiken maar sommige karakteristieken van de oude Oostenrijkse ridderorden bleven ook hier bewaard. De grootkruisen hadden op de verschillende ordedagen toegang tot het kabinet ("Geheimen Ratsstube" van de keizer. Wanneer de ridders der Ie en IIe Klasse van de Orde van de IJzeren Kroon en de grootkruisen en commandeurs van de Leopoldsorde toegang verkregen tot de Ratsstube dan werd dat privilege uitgebreid tot de twee hoogste graden van de Frans Jozef-orde. Alle ridders verkregen toegang tot de minder exclusieve ruimten van het strenge Oostenrijkse hof en de hoffeesten waar verder alleen edellieden en officieren toegang hadden. Ook al werden de leden van de Frans Jozef-orde niet automatisch edelen, zij die een familiewapen voerden mochten de versierselen in dat wapen opnemen en lint of keten om het wapenschild hangen.

De keizer heeft de versierselen van zijn "eigen" orde weinig gedragen. Op portretten ziet men Frans-Jozef I met de vijf sterren van zijn vijf ridderorden waaronder de ster van de Frans Jozef-orde. Vaak droeg de keizer zoals gebruikelijk vier sterren en dan werd de ster van de Frans Jozef-orde weggelaten.

Een nieuwbenoemde ridder moest na zijn benoeming een "revers", een verklaring waarin hij vast liet leggen dat zijn gouden kruis en zilveren ster na zijn dood weer aan de kanselarij zouden worden teruggezonden, tekenen. In oorlogstijd werden de kruisen en sterren ook met de Oorlogsdecoratie toegekend.

Toen de Oostenrijkse monarchie in november 1918 viel verdween ook deze ridderorde in de schaduwen van de geschiedenis. In 1919 verbood de Republiek Oostenrijk het voeren van titels als "Ridder in de Frans Jozef-orde".

De oude gouden en zilveren Medailles van Genade die al eeuwen door de Habsburgse vorsten werden verleend werden na het instellen van de Frans Jozef-orde niet langer toegekend. Het daarvoor gereserveerde goud- en zilver werd door de Munt in Wenen afgestaan aan juwelier Alexander Kittner in Wenen. Het ging om gouden medailles ter waarde van 1500 dukaten van ieder 3.442 gram en zilver ter waarde van 20 000 Oostenrijkse gulden.

In april 1850 werden 20 massief zilveren sterren van 80 gulden per stuk, 50 commandeurskruisen uit dukatengoud van 70 gulden per stuk en 100 kleine kruisen van dukatengoud ter waarde van 56 gulden per stuk aan de nieuwe kanselarij geleverd. De juwelier vervaardigde ook gouden en zilveren kruisen van verdienste die hij uit omgesmolten oude gouden medailles en zilveren ter waarde van 1260 gulden en oude ketens ter waarde van 240 gulden vervaardigde.

Uit deze gang van zaken is duidelijk dat de nieuw ingestelde Frans Jozef-orde in de ogen van de Oostenrijkse regering het definitieve einde van de medailles betekende.

De keizer heeft aan de vormgeving van zijn nieuwe orde actief meegewerkt. De adelaar werd op zijn aandringen niet van goud, zoals die van de versierselen van de Orde van de IJzeren Kroon, maar van afwisselend zwart geëmailleerde en gouden veren gesmeed. De keizer was ontevreden met het oorspronkelijk voorgestelde wit-rode lint met een bies van gouddraad. In plaats daarvan bleef met het effen hoogrode lint van de vroegere Genademedaille ook voor de nieuwe Frans Jozef-orde gebruiken. left|700px|Draagwijze