miniatuur|De weegschaal symboliseert de kern van gerechtigheid in de islam, waar daden nauwkeurig worden gewogen en beoordeeld. Dit concept wordt krachtig benadrukt in de Koran, zoals vermeld in Sūrah al-Zalzalah, 99:6-8: "Op die Dag zullen de mensen in verschillende groepen tevoorschijn komen om hun daden te zien. Dus wie iets goeds deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. En wie iets kwaads deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien." Deze verzen benadrukken het geloof dat elke goede en slechte daad, hoe klein ook, door Allah zal worden beoordeeld, waarbij de weegschaal een krachtig symbool is voor deze goddelijke rechtvaardigheid. Sharia (Arabisch: شريعة sjarī'a) is een Arabisch woord dat zoveel betekent als "de islamitische wet" of "de wet van God" en het betekent letterlijk 'weg naar de bron', ook: 'gebaande weg', 'wet' en 'rite'. Een Nederlandse term is islamitisch recht. De sharia lijkt in een aantal opzichten op de joodse halacha.
Geen recht in westerse zin Het islamitisch recht is geen recht in westerse zin. Er is geen sprake van wetboeken die bedoeld zijn om conflicten te voorkomen en, in het uiterste geval, te beslechten. De sharia is in de eerste plaats een religieuze plichtenleer die het menselijk handelen in wereldse en religieuze zaken bepaalt, zowel in de relatie van mensen onderling als van mens tot God. Hoewel het eindoordeel over het menselijk handelen door de Koran bij God gelegd wordt, omvat de sharia ook sancties om het juiste handelen af te dwingen wanneer daar een maatschappelijk belang mee is gediend.Zie ook Maurits Berger: Sjaria, (2006), p. 31-33 Islamologen als Urbain Vermeulen beschrijven de islam overigens eerder als een rechtssysteem dan een godsdienst omdat in die gebieden waar de islam zich heeft kunnen vestigen als meerderheidsgodsdienst er nooit een dichotomie heeft bestaan tussen religieus-eschatologische en ethisch-juridische aspecten.
Ondanks diverse pogingen is de sharia nooit gecodificeerd, waardoor details steeds opnieuw - en soms met tegenstrijdige uitkomst - beredeneerd worden. In plaats van wetboeken gelden oudere uitspraken en juridische traktaten als basis voor rechterlijke beslissingen. De wetenschap die zich met het afleiden van rechtsregels bezighoudt, wordt fikh genoemd. Rechters (kadi’s) worden niet geacht jurisprudentie en traktaten tot in detail te kennen. Zij fungeren in de eerste plaats als arbiters. Komen zij er zelf niet uit, dan doen zij een beroep op een rechtsgeleerde (faqih), die op basis van de bronnen (Koran, soenna, idjma – overeenstemming van rechtsgeleerden – en qiyas – analogie –) een fatwa afgeeft.
Varianten Een belangrijk probleem bij de bespreking van het begrip sharia is dat de islamitische wereld geen eenstemmig leergezag kent, waardoor er vele, soms sterk uiteenlopende versies van het begrip sharia bestaan. Er kan wat dat betreft dus niet gesproken worden van 'de' sharia, net zomin als er sprake is van 'het recht' als geldend in de hele wereld. Toch wordt in de praktijk wel vaak van de sharia gesproken. In dit geval betreft het een abstract begrip ervan, of wordt aan een van de varianten ervan gerefereerd.
Doorgaans wordt verwezen naar de interpretaties van de madhahib of rechtsscholen. Er zijn vier soennitische en twee sjiitische rechtsscholen, met elk hun eigen interpretatie van de sharia. Voor veel actuele maatschappelijke vraagstukken worden verschillende en soms zelfs tegenstrijdige richtlijnen opgesteld.
De sharia heeft slechts betrekking op een beperkt aantal rechtsgebieden: familierecht, enkele strafrechtelijke delicten, oorlogs- en contractenrecht en ten slotte de juridische positie van niet-moslims en vrouwen binnen deze rechtsgebieden. Alle overige rechtsgebieden vallen onder de regelgevende bevoegdheid van de overheid (siyasa).Maurits Berger: Sharia, (2006), p. 114 Volgens Fazlun Khalid kent de sharia ook iets wat we met milieurecht zouden kunnen aanduiden.Fazlun M. Khalid: "Islam and the Environment", in: Encyclopedia of Global Environmental Change (2002), vol. 5, p. 332-339, aldaar p. 335
Fikh
Fikh wordt binnen de islam gezien als de jurisprudentie van de sharia. Letterlijk betekent dit 'het goede inzicht in iets hebben', het weten en het begrijpen van wat iets betekent. Fikh gaat zowel over islamitische rituelen als over het islamitisch recht. Binnen de verschillende rechtsscholen, madhhabs, kunnen verschillende ideeën over hetzelfde punt bestaan. De fikh wordt gebaseerd op vier bronnen: de Koran, de Soenna, analogie en consensus van rechtsgeleerden. Daarnaast bestaan enkele aanvullende principes.
De islamitische wetten worden op basis van vier bronnen afgeleid (in volgorde van hiërarchie) en gebruikmakend van naskh die eventuele tegenspraak opheft:
De Koran; De Hadith, inclusief de uitspraken en het leven van Mohammed zoals overgeleverd door tijdgenoten van de eerste tot en met de derde generatie na Mohammed; Al-Qiyas, analogie en vergelijking met vroegere uitspraken van islamitische juristen op precedenten; IJma, consensus: de interpretatie, zoals bepaald door de meerderheid van islamitische geleerden van reputatie in een bepaald land.
Menselijk handelen Het brede toepassingsgebied van de sharia vindt zijn oorsprong in de overtuiging dat de wet in alles moet voorzien wat noodzakelijk is voor iemands geestelijke en lichamelijke gezondheid. De islam maakt daarbij geen onderscheid tussen het religieuze en het seculiere leven. Voor moslims zijn alle handelingen verdeeld in vijf categorieën:
Verplicht (فرض fard, of واجب wādjib) - het doen wordt beloond, het nalaten bestraft. Aanbevolen, verdienstelijk (مندوب mandōeb, مستحب moestahabb of سنة soenna) - het doen wordt beloond, het nalaten niet bestraft. Toegestaan (مباح moebāh حَلاَلْ halāl) - doen en laten worden beloond noch bestraft. Laakbaar, afkeurenswaardig (مكروه makrōeh) - het doen wordt niet bestraft, het nalaten beloond. Verboden (حرام harām) - het doen wordt bestraft, het nalaten beloond.
Bij fard wordt onderscheid gemaakt tussen individuele en gemeenschappelijke plichten (فرض العين fard al-`ayn en فرض الكفاية fard al-kifāya). Bij gemeenschappelijke verplichtingen volstaat het als een deel van de gemeenschap zich inspant. In de eerste categorie vallen bijvoorbeeld de salat, in de tweede categorie een begrafenis, waarbij het volstaat dat een aantal vrienden en kennissen het gebed voor de overledene en de teraardebestelling bijwoont. De aanwezigen hebben daarmee namens de gemeenschap aan haar verplichting voldaan.
Met straf en beloning wordt in dit verband in de eerste plaats bestraffing en beloning in spirituele zin bedoeld. Plichtsverzaking tegenover God blijft in de meeste gevallen een zaak tussen de gelovige en God. Moslims gaan ervan uit dat men voor zijn doen en laten op de Dag des oordeels rekenschap voor God aflegt en door God beloond ofwel bestraft wordt. Slechts in enkele gevallen is een strafmaat vastgesteld. Dat is voornamelijk zo wanneer er ook maatschappelijke belangen in het geding zijn, zoals bij alcoholgebruik.
Bij de uitvoering van een handeling is het van belang of de handeling met de juiste intentie (نية nīya) is verricht. Bij een juridische beoordeling zal een rechter een aantal zaken in aanmerking nemen, namelijk onder meer de vraag of iemand de intentie had een misdaad te begaan ('met voorbedachten rade'), of hij/zij meerderjarig is en bij zijn/haar volle verstand.
De basis van de verplichtingen van een moslim worden gevormd door de vijf zuilen van de islam.
Deelgebieden Kledingvoorschriften thumb|In de beelden die op 26 augustus 2001 in het geheim zijn opgenomen door de "Revolutionaire Vrouwenunie" in Afghanistan, wordt een vrouw in het openbaar gestraft met een stok door de religieuze politie voor het ontvouwen van haar boerka (gezicht). Zowel voor mannen als vrouwen gelden richtlijnen met betrekking tot het uiterlijk en het lichaam, awrah. Een vrouw moet haar lichamelijke schoonheid voor mannen die geen directe familieleden zijn bedekken. Oudere, niet meer in een huwelijk geïnteresseerde vrouwen hebben meer vrijheden (Soera Het Licht 60). Mannen behoren ten minste het lichaam van de navel tot de knie bedekt te houden in het bijzijn van anderen en behoren baard en haar te verzorgen. Het is mannen niet toegestaan om goud of zijde te dragen; vrouwen mogen dit wel. In het algemeen geldt dat zowel mannen als vrouwen zich 'behoorlijk' dienen te kleden.
Over de mate van bedekking die voor vrouwen is voorgeschreven bestaan regionale en ideologische verschillen. Volledige sluiering, dus inclusief het gezicht, zoals bij de nikaab en boerka, was tot het begin van de twintigste eeuw vooral een stedelijk fenomeen. Op het land lagen echter vaak praktische eisen aan de kleding ten grondslag of werden voorislamitische gebruiken in stand gehouden. Soms wordt wel het gezicht bedekt, maar blijft het haar vrij. Bij de Touareg bijvoorbeeld bedekken de mannen het gezicht en laten de vrouwen het gezicht en soms ook het haar vrij. Er bestaan aanwijzingen dat in het Medina van Mohammed alleen vrije vrouwen het haar en eventueel het gezicht bedekten, terwijl slavinnen ongesluierd waren.
Soera Het Licht 31 en Soera De Partijscharen 59 gelden als bronnen die voor het gebruik van een hoofddoek pleiten. De Koran bevat geen teksten die het bedekken van het gezicht voorschrijven. Dit 'voorschrift' stoelt op het minderheidsstandpunt dat Soera De Partijscharen 53 niet alleen voor de vrouwen van Mohammed, maar voor vrouwen in het algemeen geldt.
Het kledingvoorschrift strekt zich uit tot niet-aanstootgevend gedrag en gedrag dat geen aanleiding geeft tot onwenselijke seksuele contacten. Er zijn Hadith bekend waarin moslims wordt gezegd zich te onderscheiden in hun kleding van de niet-moslims.
Verhouding tussen mannen en vrouwen In de islam zijn mannen en vrouwen complementair aan elkaar. Volgens bepaalde Koranexegeten moeten de betreffende passages worden gelezen in de geest van de tijd, waarin vrouwen in de openbare ruimte beschermd moesten worden. Het zou daarmee duiden op het streven naar een gelijkwaardige positie tussen mannen en vrouwen. Vrouwen beschikken dan ook vrijelijk over eigen geld en bezittingen en het is hen niet verboden betaalde arbeid buitenshuis te verrichten. Islamitische Juristen zijn het niet eens over de vraag of de vrouw verantwoordelijk gehouden kan worden voor het huishouden en de opvoeding van kinderen.
Mannen hebben een onderhoudsplicht tegenover vrouwen en kinderen; een echtgenoot, zoon of schoonzoon behoort hen in gelijke mate als zichzelf van onderdak, levensonderhoud en kleding te voorzien.
Huwelijken worden door een huwelijksovereenkomst (عقد النكاح aqd an-nikāh) tussen een wettelijke vertegenwoordiger (ولى wāli, in beginsel de vader) van de bruid, en de bruidegom in het bijzijn van ten minste twee getuigen gesloten. De getuigen moeten betrouwbare, volwassen moslims zijn die over hun volle verstandelijke vermogens beschikken. De wāli en de getuigen dienen zich (behalve volgens de sjafiitische leerschool) van de instemming van de bruid te overtuigen. Een huwelijk dat zonder instemming van de bruid gesloten is, is volgens de andere drie leerscholen onwettig. Een bruidsschat (مهر mahr of صداق sadāq), door de man aan de vrouw te geven, is een voorwaarde voor een geldig huwelijk op basis van Soera De Vrouwen 4: En geeft de vrouwen gewillig haar huwelijksgift. Als zij echter naar haar eigen behagen u er een gedeelte van kwijtschelden, geniet daarvan met genoegen en heilzaam gevolg. De bruidsschat wordt door de man aan de vrouw gegeven en kan dienen als noodvoorziening in geval van echtscheiding of overlijden van de man.