Antony (Toon) Kok (Rotterdam, 18 april 1882 - Haarlem, 29 oktober 1969) was een Nederlandse schrijver en dichter. Hij was een experimentele schrijver, vooral in de klankpoëzie, en mede-oprichter van het vernieuwende tijdschrift De Stijl. Antony Kok stond bekend als een bedachtzaam en vrijgevig man. Hij was volgens hen die hem kenden een groot kunstminnaar en ook een mecenas, niet alleen voor een bekende schilder als Piet Mondriaan maar ook voor regionale kunstenaars.
Levensloop Kok werd geboren als zoon van een adjunct-commies bij de Staatsspoorwegen. Hij groeide voornamelijk op in Maasbree. In 1899 trad hij in de voetsporen van zijn vader door na zijn middelbareschooltijd ook bij de Staatsspoorwegen te gaan werken. Na eerst vanaf 1902 als klerk-telegrafist te hebben gewerkt in 's-Hertogenbosch en vanaf 1903 in Oisterwijk werkte hij zich vanaf 1908 in Tilburg op tot chef-commies. In Tilburg woonde hij de eerste tien jaar in de Tuinstraat, in een kamer boven slagerij De Brouwer. Hij verhuisde daarna nog viermaal binnen Tilburg.
Hier ontmoette hij voor of in oktober 1914 de uit Amsterdam afkomstige schrijver en schilder Theo van Doesburg, die vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog met zijn legeronderdeel aan de Belgische grens, niet ver van Tilburg gelegerd was. Over hun precieze ontmoeting doen verschillende versies de ronde. Kok zelf heeft hier in een veel later opgenomen bandopname eens het volgende over gezegd:
Deze bandopname is echter vrij opmerkelijk, omdat alleen het voornemen van Kok en Van Doesburg een eigen tijdschrift op te richten overeenkomt met de werkelijkheid. Van Doesburg leerde Mondriaan pas in februari 1916 kennen (ruim een jaar na zijn ontmoeting met Kok) en Koks voorstel het op te richten tijdschrift De Stijl te noemen wordt in geen enkele overige bron bevestigd. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat hij aan Van Doesburg werd voorgesteld door hun gezamenlijke vriend, Maurits Manheim. Voorjaar 1915 organiseerden zij met zijn drieën zeker twee soirées intimes in het Tilburgse Café Janssen. Tijdens deze avonden speelde Kok piano, bracht Manheim liederen ten gehoor en hield Van Doesburg redevoeringen en droeg hij gedichten voor. Het was ook dat jaar dat Kok onder invloed van Van Doesburg voor het eerst experimenteerde met de klankpoëzie, als een van de eersten in Nederland. Verder schreef hij in september 1915 het aan Van Doesburg opgedragen gedicht Bloei en is zijn in oktober van dat jaar geschreven gedicht Soldatenkwartier waarschijnlijk geïnspireerd op een serie gedichten van Van Doesburg, getiteld Soldaten.Tromp en Dautzenberg (1989): p. 40. Nadat Van Doesburg in september 1915 overgeplaatst werd naar Utrecht ontstond een briefwisseling tussen de twee, die tot de vroegtijdige dood van Van Doesburg in 1931 voort zou duren. Deze omvangrijke briefwisseling – 240 stukkenHiervan bevindt zich het grootste deel in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag. Ottevanger (2008): p. 9. – is tegenwoordig een van de belangrijkste bronnen met betrekking tot de geschiedenis van de Stijlbeweging. Kok onderhield echter ook contact met Van Doesburgs eerste vrouw, de eigenzinnige dichteres Agnita Feis.Tromp en Dautzenberg (1989): p. 38.
Ook vroeg Kok Van Doesburg om commentaar te geven op zijn gedichten. Van Doesburg antwoordde meestal bemoedigend. Vooral het gedicht Reuk-engram kon op veel waardering van Van Doesburg rekenen. ‘Reuk-engram is een der beste verzen van onzen tijd. Ik verzeker je dat ik er zeer blij meê ben’, schreef hij. Gesterkt door deze woorden stuurde Kok het gedicht op 11 juni 1917 ter beoordeling naar de redacteur van de tijdschrift De Beweging, Albert Verwey. Maar omdat deze niet op Koks brief reageerde, vroeg Kok hem drie weken later beleefd het gedicht terug te sturen. Eerder had hij het gedicht ook al opgestuurd naar Het Getij. Nadat de redactie-secretaris van dit tijdschrift, Ernst Groenevelt, voorstelde slechts een gedeelte ervan te publiceren, reageerde Van Doesburg furieus.Tromp en Dautzenberg (1989): pp. 42-43. Van Doesburg zelf zou later, van juli 1918 tot januari 1921, overigens regelmatig voor Het Getij schrijven.
thumb|119px|links|Monogram voor Antony Kok, door Theo van Doesburg, ca. 1919 Vanwege dit soort strubbelingen, besloten Kok en Van Doesburg al eind 1914/begin 1915 een eigen tijdschrift op te richten, dat zij wilden gebruiken om hun opvattingen over de moderne literatuur en beeldende kunst te ventileren. Het uiteindelijke tijdschrift, De Stijl, werd veel meer dan dat en zou een blijvende invloed hebben op de moderne kunst in Nederland en daarbuiten. Omdat Van Doesburg eerst geschikte geldschieters en gelijkgestemde medewerkers moest vinden liep de uitgifte van het eerste nummer ernstige vertraging op. In mei 1917 waren de voorbereidingen nog in volle gang, zoals blijkt uit een brief, die Van Doesburg op 14 mei van dat jaar aan Kok schreef: ‘Ik zou dolgraag willen dat je eens een artikel schreef. Moet ik je officieel uitnoodigen? Of gaat het ook zoo. Laat ik je in mijn kwaliteit van a.s. hoofdredacteur uitnoodigen een artikel te schrijven over het verband tussen muziek en moderne beeldende kunst’.Aangehaald in Tromp en Dautzenberg (1989): p. 79. Het uiteindelijke artikel dat Kok schreef was echter getiteld ‘De moderne schilderij in het interieur’ (zie Publicaties). Het eerste deel van dit artikel verscheen in het eerste nummer van De Stijl. Hoewel dit nummer oktober 1917 gedateerd is, wordt aangenomen dat het pas in november verscheen. Tot de eerste medewerkers van het tijdschrift behoorden naast Kok en Van Doesburg ook de schilders Bart van der Leck, Vilmos Huszár en Piet Mondriaan en de architecten J.J.P. Oud en Jan Wils.
In 1921 verschijnt een vervolg op De Stijl. In een brief aan Kok van Van Doesburg, gedateerd 24 februari 1921, schrijft de laatste: Ik ben van plan om een prachtig bulletin in elkaar te zetten, ... Wanneer je eens een geestig dadaïstisch stuk hebt, stuur het me dan voor dit bulletin! Het bulletin zou uiteindelijk Mécano gaan heten.Theo van Doesburg, oeuvre catalogus, 2000, p.308
Kok debuteerde zelf eerder in 1917 in het tijdschrift Eenheid, met zijn gedicht Excelsior. Andere gedichten van zijn hand die in hetzelfde tijdschrift verschenen waren De Rozelaar (1917) en Gods Licht (1918). In 1917 verscheen in het tijdschrift Holland Express zijn experimentele gedicht De Wisselwachter. Kok schreef voor het eerste nummer van De Stijl een beschouwing met de titel De moderne schilderij in het interieur. In de loop van de tijd verscheen in De Stijl meer beschouwend proza van de hand van Kok, zoals Scheppen (1918), Denkextracten, Over organische schoonheid en Kunst en ontroering, Synthetische analyse (1919). Kok behoorde ook tot de ondertekenaars van de eerste twee manifesten van De Stijl: het eerste manifest (november 1918), dat de algemene koers van De Stijl uitzette, en het tweede manifest, dat uitsluitend betrekking had op de literatuur (april 1920).
Het dadaïstische gedicht X-Beelden, dat Van Doesburg in mei 1920 onder pseudoniem I.K. Bonset in De Stijl publiceerde, betekende Koks eerste kennismaking met deze kunststroming. Kok doorzag dit pseudoniem echter vrijwel onmiddellijk. Op 24 juni 1920 schreef Van Doesburg hem: ‘Ik was blij met je entousiasme voor X-beelden. Ik dacht wel dat je begreep wie het was, maar spreek er niet met andere over. Enfin jij spreekt alleen intimi’.Aangehaald in Tromp en Dautzenberg (1989): p. 29. Koks kennismaking met het dadaïsme was echter geen liefde op het eerste gezicht. ‘Kok is eenige dagen mijn logé geweest’, schreef Van Doesburg op 3 november 1920 in een brief aan Evert Rinsema, ‘Ik heb hem eenige dadaïstische verzen voorgelezen, maar ik moest ermee ophouden, want ik dacht dat hij uit elkaar barstte van den lach’.Aangehaald in Tromp en Dautzenberg (1989): p. 78. Wel vertaalde Kok in 1921 een gedicht van dada-voorman Tristan Tzara, getiteld ‘Pour faire un poème dadaïste’ (Hoe een dada-gedicht te maken). Voorjaar 1923 ontmoette hij tijdens de door Van Doesburg en Vilmos Huszár georganiseerde Dada-tournee de Duitse kunstenaar Kurt Schwitters, die hem aanzette twee dadaïstische gedichten te schrijven: het aan Schwitters opgedragen Vlahaïsvatka: poème dada en Jagadada.Tromp en Dautzenberg (1989): pp. 29, 80. thumb|280px|Briefkaart aan Antony Kok, door Theo van Doesburg verstuurd op 12 september 1921 vanuit Weimar Slechts twee gedichten van Antony Kok werden opgenomen in De Stijl. In 1921 was dit Stilte + stem (Vers in W), in 1923 gevolgd door Nachtkroeg, dat Kok echter acht jaar eerder schreef. Beide gedichten bestaan voor het grootste deel uit klanknabootsende woorden en werden beschouwd als een belangrijke bijdrage tot de vernieuwing van de dichtkunst door niet alleen Van Doesburg maar ook Mondriaan en Schwitters. Ook nam Schwitters het gedicht Stilte + stem (Vers in W) op in zijn eigen tijdschrift Merz (zie Publicaties). Van Doesburg nam beide gedichten echter niet ongewijzigd op in De Stijl. De titel van Stilte + stem (Vers in w) is door Van Doesburg bedacht, omdat hij vond dat de oorspronkelijk titel, Stem in de stilte, ‘nog wat sentimenteel aandoet’, zoals hij op 17 augustus 1921 aan Kok liet weten. In het geval van Nachtkroeg ging Van Doesburg nog veel verder. De oorspronkelijke versie van dit gedicht, dat Volle Nachtkroeg heette, bestond naast klanknabootsende woorden ook hele strofen bestaande uit traditionele rijmvormen. Om het overeen te laten stemmen met het tweede manifest van De Stijl schrapte Van Doesburg alle traditionele strofen, waardoor het gedicht meer abstract van gehoor werd.Tromp en Dautzenberg (1989): pp. 31, 33, 36. Van Doesburg drukte Nachtkroeg af in het artikel ‘Symptomen eener réconstructie der dichtkunst in Holland’, naast gedichten van Til Brugman en zichzelf in zijn hoedanigheid als I.K. Bonset, als voorbeeld voor moderne dichtkunst in Nederland. In dit artikel gaf Van Doesburg een soort rechtvaardiging voor zijn ingrijpende redactie van Nachtkroeg, door op te merken:
De publicatie van deze twee gedichten – waarvan één in sterk afgeslankte vorm – en een handvol proza in De Stijl, is een wat schrale oogst voor iemand die te boek staat als een van de oprichters van dit tijdschrift. De neerlandicus Marco Entrop, die een doctoraalscriptie aan Kok wijdde, verklaart dit als volgt: ‘Ik denk dat Van Doesburg niet zo erg geporteerd was van het dichtwerk van zijn vriend, maar dat hij hem – het was ten slotte een hele goeie vriend – altijd de hand boven het hoofd heeft gehouden’. Bovendien dateren Koks laatste experimentele gedichten uit 1923 en schijnen zijn pogingen om verder te komen in de moderne dichtkunst omstreeks die tijd te zijn gestrand. Volgens beeldend kunstenaar en Kok-auteur Jef van Kempen kwam dit omdat hij de energieke en taalvaardige Theo van Doesburg eenvoudigweg niet heeft kunnen bijbenen.Tromp en Dautzenberg (1989): p. 44.