thumb|De Spieghel Historiael van Jacob van Maerlant De geschiedenis van de Nederlanden in de middeleeuwen betreft de middeleeuwse geschiedenis van alle gebieden die later Nederland, België en Luxemburg zouden vormen. De gebieden die later deel zijn gaan uitmaken van de Franse Republiek of Duitsland, maar die gedurende de middeleeuwen nog deel waren van Nederlandse staatkundige verbanden, behoren eveneens hiertoe.
Deze gebieden werden in de middeleeuwen aangeduid als de Lage Landen of (nog tot de 18e eeuw) onder de pars pro toto Vlaanderen. Pas in de 15e eeuw, als het gebied een staatkundige eenheid is geworden, duikt de benaming Nederlanden voor het eerst op. In de 15e eeuw was het echter gebruikelijker om de Nederlandse gewesten die vanuit Brussel werden bestuurd door de hertog van Bourgondië, aan te duiden met les pays de par-deçà: de landen vlakbij. Het eigenlijke Bourgondië werd aangeduid met les pays de par-delà: de landen daarginds.
Over de periodisering lopen de gezichtspunten uiteen, zodat afhankelijk daarvan de middeleeuwen beginnen rond 300, 400, 500 of 600 n.Chr. Doorgaans wordt echter het ontstaan van het Frankische Rijk, kort voor 500, als beginpunt van de middeleeuwen gezien. Dit is vooral omdat rond die tijd ook de laatantieke kleine ijstijd begon. Ten aanzien van het einde van de middeleeuwen bestaat grotere consensus. De meeste historici laten de Nieuwe Tijd, die direct volgt op de middeleeuwen, kort voor 1500 beginnen.
Voorgeschiedenis Tijdens de Romeinse tijd maakten de latere Lage Landen ten zuiden van de Rijn deel uit van het Romeinse Rijk. Dit gebied was verdeeld over de Romeinse provincies Gallia Belgica en Germania inferior. Ten noorden van de Rijn lag Germanië, waarvan een gedeelte (het gebied ten westen van de Elbe) slechts korte tijd onder Romeins gezag stond.
Geologie; de ontwikkeling van de kustlijn thumb|Nederland in 50 n. Chr. thumb|Nederland in 800 n. Chr.
De steeds verschuivende grens tussen land en water is van groot belang geweest voor de geschiedenis der Nederlanden. Een relatief langzame zeespiegelstijging in combinatie met talrijkere stormen kan een van de oorzaken zijn geweest van de kusterosie tussen de vijfde en de 1e eeuw v.Chr. in West-Nederland. Terwijl in de periode daarvoor de kustlijn zich gesloten had, afgezien van de riviermondingen van de Schelde (via de Oosterschelde), de Maas (bij Rotterdam), de Rijn (bij Leiden) en het Oer-IJ (bij Castricum), werden deze mondingen hierna weer steeds wijder. Het hoogveengebied achter de strandwallen raakte ontwaterd door de graanbouw en klonk in. Vooral in Zeeland kwam het veen zo laag te liggen, dat het rond het begin van de christelijke jaartelling overspoeld werd door de zee en de veenvorming stopte. Hoewel er tot in de 3e eeuw op het veen werd gewoond, kwam de zee aan het einde van deze eeuw diep in Zeeland, wat in combinatie met selnering, het turfsteken voor de zoutwinning, zorgde voor erosie van het veen. Aan het einde van de Late Middeleeuwen was de kustbarrière hier bijna volledig verdwenen.
Ook elders in het Nederlandse kustgebied vond veen-erosie plaats en ontstonden er grote zeegaten. Het Flevomeer ontwikkelde zich na de Romeinse tijd door de oeverafslag tot het Almere. Het Oer-IJ was toen al vrijwel geheel verzand. Waarschijnlijk ontstond in de Vroege Middeleeuwen via het Vlie een verbinding tussen het Almere en de Waddenzee.
In de Romeinse tijd vonden steeds meer avulsies − stroomgordelverleggingen − plaats. Door verzanding van de monding van het Oer-IJ werd vanaf 47 n.Chr. de Oude Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk voor enkele eeuwen. De Lek, de Waal, de benedenloop van de Hollandse IJssel, en de Gelderse IJssel ontstonden, terwijl de Linge net daarvoor was ontstaan. De Oude Rijn verzandde vervolgens op zijn beurt ook, waardoor het stroomgebied van de Rijn steeds meer naar het zuiden opschoof, in de richting van het stroomgebied van de Maas.
Kusterosie zorgde ervoor dat het water kwam tot aan het castellum van Oudenburg, waarschijnlijk Portus Epiatici. Ook Brittenburg, de meest westelijke Romeinse fortificatie aan de Oude Rijn, kwam onder water te staan. De Romeinen konden de strijd tegen het water niet winnen en verlieten het gebied.
Verval van het Romeinse Rijk De periode vóór 150 geldt als de bloeitijd van het Romeinse Rijk (met de komst van de Plaag van Antonius stortte de Romeinse globale economie volledig in, men viel voorlopig terug tot het niveau van de ijzertijd). Dankzij de Romeinen was er ten zuiden van de Rijn een uitgebreid wegennet aangelegd en waren de bestaande wegen verbeterd. Ook een aantal nog altijd bestaande steden zijn door hen gesticht, waaronder Ulpia Noviomagus Batavorum (Nijmegen), Forum Hadriani, de hoofdstad van de Cananefaten, en Atuatuca Tungrorum (Tongeren). Ook Mosa Trajectum (Maastricht) en Coriovallum (Heerlen) zijn in deze tijd door de Romeinen gesticht, maar deze plaatsen hadden in de Romeinse tijd (vermoedelijk) geen stadsrechten.
Deze steden en wegen waren vooral bedoeld om het bestuur en de manschappen van het land te faciliteren, en tevens enige handel. Later in de middeleeuwen zou de handel weer worden opgepakt. Daarnaast ontstonden spontaan, veelal bij kruisingen van wegen of bij doorwaadbare rivieren, vele kleine dorpjes en gehuchten (Latijn: vicus). Veel huidige dorpen en steden ten zuiden van de Rijn hebben dan ook een Romeinse kern, zoals uit archeologische opgravingen is gebleken.
De zuidelijke Nederlanden werden in deze tijd verregaand geromaniseerd. In de Romeinse grensversterkingen langs de grote rivieren vormden de grote, min of meer permanente legerkampen een belangrijke afzetmarkt voor de lokale economie. Via de Rijn, de Waal en de Schelde, maar ook over de uitstekende Romeinse wegen werden vooral graan, wijn en aardewerk geëxporteerd. Ten noorden van de Rijn woonden, naast de vee-houdende Friezen, ook de Tubanten en de Chamaven die leefden van de export van wol, zuivelproducten en vis, naar onder andere Brittannië en Rome. Na 200 kwam deze welvarende en redelijk rustige periode ten einde. Door de Plaag van Antonius en het instorten van de economie ging de eigen stedelijke bevolking roven en de gedecimeerde en onderbetaalde legioenen kwamen in opstand.
In 235 werd keizer Severus Alexander vermoord, waarna de crisis van de derde eeuw volgde. Tijdens deze crisis volgde de ene soldatenkeizer de andere op, bijna altijd met gebruik van geweld. Voor deze feitelijke Romeinse burgeroorlog werden dikwijls de grenslegers ingezet, die hierdoor nog verder sterk aan gevechtskracht inboetten. De gevolgen bleven niet uit: het centrale Romeinse gezag taande en in de tweede helft van de 3e eeuw scheurden Germania Inferior en Germania Superior zich van Rome af om samen het Gallische keizerrijk (260-274) te vormen. De economische crisis en de belastingdruk, onder andere nodig om het leger te bekostigen, verarmden de Romeinse bevolking sterk.
Vanaf 274 trokken Frankische krijgers – in het oosten van de Nederlanden vooral de Saliërs en Chamaven, afkomstig uit het Salland, de Veluwe, de graafschap Zutphen en het aangrenzende Westfalen – de Rijn over en werd Gallia geplunderd, waarbij veel steden en dorpen werden verwoest. Rond 280 werden de invallers verdreven, maar de Saliërs bleven – zelf onder druk van de Saksen – de Romeinse gebieden binnenvallen.
De Saliërs vestigden zich in het Romeinse gebied ten zuiden van de Rijn, in de door de meeste Gallo-Romaanse bewoners op den duur verlaten grensgebieden. Eerst was dit aan de Schelde, later ook in de zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk. De politieke en militaire chaos in het Rijk eindigde pas in 284, met de troonsbestijging van Diocletianus. Deze stelde weer orde op zaken met grootscheepse hervormingen van het Romeinse bestuur. Rond 297 werd Belgica door keizer Diocletianus gesplitst in Belgica Prima in het zuidoosten en Belgica Secunda in het westen. Het in het noordoosten gelegen Germania Inferior was al op het einde van de 1e eeuw van Belgica losgemaakt.
Uiteindelijk werd er tussen de Romeinen en de Saliërs rond 296 een verbond gesloten, en werden laatstgenoemden als verdedigers aangesteld van de Romeinse rijksgrens tussen Noviomagus en de Noordzee, de zogenaamde limes. De Romeinen trachtten stand te houden door de bouw van verdedigingssystemen, zoals de garnizoensstad in Oudenburg en de grote verkeersweg te Liberchies. De Bataven en de Cananefaten zijn waarschijnlijk opgegaan in de Franken, hoewel ook wel wordt aangenomen dat zij tegelijkertijd met de Romeinen zijn vertrokken.
Meerdere Romeinse pogingen zich van de Franken te ontdoen faalden en in 358 kregen de Salische Franken toestemming van keizer Julianus de Afvallige om zich definitief te vestigen in het Romeinse gebied Toxandrië, nadat hij hen een paar keer had verslagen. Zij kregen hierbij de status foederati: aan de Romeinen verbondenen (Romeinse bondgenoten). De Friezen hielden zich aanvankelijk voornamelijk bezig met veeteelt. Vanaf de 3e en 4e eeuw, toen het Friese land regelmatig overstroomd werd, gingen ze zich meer toeleggen op de visserij en de handelsvaart, waardoor ze een zekere rijkdom verwierven.
In 330 werd Constantinopel de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk, Rome was inmiddels grotendeels verlaten. De handel concentreerde zich in het oosten van het Rijk (en de Zijderoute). De economie in het westelijk deel kwam niet meer op gang en blijft lokaal. In 405 of 406 staken de Vandalen en Alanen de Rijn over. Later volgden ook de Sueben, Bourgonden en Franken. De stammen trokken Gallië binnen en verwoestten, volgens Hiëronymus van Stridon, onder meer Atrecht, Doornik en Boulogne. De Franken in Toxandrië breidden hun grondgebied uit naar het zuiden langs de Schelde. Rond 430 veroverden de Salische Franken onder Chlodio Doornik, Kamerijk en later Atrecht. Maar eigenlijk was het gebied door de Romeinen al verlaten. Rond 445 werd hun opmars tijdelijk gestuit door een Romeinse overwinning in de Slag bij Vicus Helena.
In 476 kwamen de Romeinse Legioenen (nog maar eens) in opstand. Romulus Augustulus, de laatste keizer van het West-Romeinse Rijk, werd hierbij afgezet door Odoaker. Odoaker bood aan de Oost-Romeinse keizer Zeno de westelijke keizerskroon aan. Toen Zeno de kroon accepteerde, was het Westelijke Romeinse Rijk feitelijk ten einde en werd het Romeinse Rijk eigenlijk weer herenigd. Maar Zeno had geen feitelijke zeggenschap, daar had hij geen middelen voor. Odoaker werd koning (rex) van het Westelijk deel (onder keizer Zeno).Hoewel in theorie de keizers van het Oost-Romeinse Rijk nu de zaakwaarnemer voor de voormalig Romeinse gebieden van het westelijke Rijk waren. In de 6e eeuw probeerde de Oost-Romeinse keizer Justinianus I deze theoretische status weer in realiteit om te zetten door te trachten het grondgebied van het westen te heroveren op de Germaanse bezetters. Hierin slaagde hij maar gedeeltelijk Dit wordt als de definitieve val van het West-Romeinse Rijk gezien.
Vroege Middeleeuwen
De Lage Landen werden na de val van het West-Romeinse Rijk bij het Frankische rijk gevoegd, aanvankelijk met uitzondering van Magna Frisia. Door plunderingen, branden en andere verwoestingen, waarmee de vele invasiegolven van op drift geraakte volkeren gepaard gingen, zijn uit deze eerste periode na de Romeinse tijd weinig schriftelijke bronnen overgeleverd.