Dr Curt Rudolf Mengelberg (Krefeld, 1 februari 1892 – Beausoleil, 13 oktober 1959) was een Nederlands componist, musicoloog en algemeen directeur van Het Concertgebouw N.V. De dirigent Willem Mengelberg was een verre verwant van hem.

Opleiding Mengelberg studeerde eerst rechten, in Genève, München en Bonn, en daarna muziekwetenschap in Leipzig. Tot zijn leraren behoorden Hugo Riemann en, voor piano, Otto Neitzel. In 1915 promoveerde hij bij Riemann op een proefschrift over de Italiaanse barokcomponist Giovanni Alberto Ristori; het was de eerste studie die aan deze componist werd gewijd en verscheen in 1916 bij Breitkopf & Härtel in Leipzig. Direct daarna ging hij naar Amsterdam om zijn opleiding af te ronden, met compositieles bij Cornelis Dopper en instrumentatieles bij Willem Mengelberg.

Loopbaan bij het Concertgebouw Mengelberg trad in 1917 in dienst bij Het Concertgebouw N.V., het bedrijf achter de Amsterdamse concertzaal. In 1925 werd hij artistiek leider en in 1935 algemeen directeur van de NV. In 1920 organiseerde hij het Mahlerfeest in Amsterdam en stelde hij het bijbehorende gedenkboek samen. Hij had een groot aandeel in andere muzikale gebeurtenissen in de zaal, waaronder een Frans muziekfeest in 1922 en een festival van Nederlandse muziek in 1935, en in de oprichting van de serie Concertgebouw-kamermuziek; ook schreef hij de toelichtingen bij de programma's.

Tweede Wereldoorlog en naoorlogse beoordeling Mengelberg bleef het directeurschap vervullen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Zijn beleid werd na de bevrijding op verschillende wijze beoordeeld en hij werd van zijn functie ontheven. De Centrale Ereraad heroverwoog de zaak en verklaarde in haar uitspraak van 28 januari 1947 met nadruk dat de pro-Nederlandse en anti-nationaalsocialistische gezindheid van Mengelberg niet in twijfel kon worden getrokken; hij werd gerehabiliteerd en in functie hersteld. Volgens zijn biograaf Paul Cronheim verleende Mengelberg tijdens de bezetting steun aan Joodse vrienden en orkestleden.

Omstreeks 1954 werden Het Concertgebouw NV en het Concertgebouworkest organisatorisch van elkaar gescheiden, waarna Mengelberg in 1955 ontslag nam. Hij verliet Nederland en vestigde zich in Beausoleil, nabij Monte Carlo, waar hij in 1959 overleed.

Composities Mengelberg begon al jong met componeren, met liederen en kamermuziek; het vocale bleef centraal in zijn werk. Als praktiserend katholiek richtte hij zich gaandeweg vooral op geestelijke onderwerpen. Zijn Requiem (1924), een symfonisch lied voor alt of bariton en orkest, ging in december 1924 in première door het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg; anders dan de titel doet vermoeden gaat het niet om de Latijnse dodenmis maar om een toonzetting van een eigen Duitstalig gedicht over het verlies van een geliefde. De cantate Weinlese won een door de honderdjarige Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst uitgeschreven prijsvraag en ging op 22 maart 1930 in première onder Willem Mengelberg, met het Toonkunstkoor, het Concertgebouworkest en tenor Louis van Tulder. De Missa pro Pace schreef hij in de jaren 1928–1930; het werk werd voor het eerst uitgevoerd in 1932 en in 1939 uitgegeven bij Universal Edition in Wenen. Het Magnificat (1941–1942) schreef hij voor de alt Annie Woud en orkest. Volgens Cronheim putte Mengelberg als componist vooral uit Schubert; ook Mahler, wiens werk hij bepleitte, had invloed op zijn muziek. Willem Mengelberg, die nooit eigen composities op de plaat zette, maakte wel een opname van Rudolfs Salve Regina.

Werken Symfonische elegie Scherzo sinfonico (première 7 januari 1926 o.l.v. Pierre Monteux) Symfonische variatie voor cello en orkest (première 20 november 1927 o.l.v. Pierre Monteux) Weinlese, cantate voor tenor, koor en orkest (première 22 maart 1930 o.l.v. Willem Mengelberg) Vioolconcert (première 11 februari 1931 o.l.v. Pierre Monteux) Missa pro Pace (1928–1930; eerste uitvoering 1932) Salve Regina (première 15 december 1934 o.l.v. Willem Mengelberg) Hymne op Amstelredam (première 9 mei 1935 o.l.v. Willem Mengelberg) Stabat Mater (première 23 januari 1941 o.l.v. Eduard van Beinum) Magnificat (1941–1942, voor alt en orkest) Ballade van de boer (première 24 januari 1943 o.l.v. Jan Koetsier) Capriccio voor piano en orkest Concertino voor fluit en orkest Victimae Paschali Laudes Requiem (1924, voor alt of bariton en orkest) Adoro te Antiphona de morte circa honderd liederen

Publicaties Mahler-feestboek (1920) Gustav Mahler, biografie (1923, Breitkopf & Härtel) Holland als kulturelle Einheit (1928), vertaald als Nederland, spiegel ener beschaving (1929) Vijftig jaar Concertgebouw (1938) Muziek, Spiegel des Tijds (1948)

Prijzen en onderscheidingen Mengelberg ontving ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst de prijs voor zijn compositie Weinlese. Daarnaast was hij officier in de Orde van Oranje-Nassau, Ridder in het Legioen van Eer, drager van de Zilveren Medaille van de stad Amsterdam en ontving hij de gouden medaille van het Concertgebouw.

Trivia Eleonora (Nora) Elisabeth Marie Wübbe (1904–2002), de eerste echtgenote van Rudolf Mengelberg, was een nicht van Mathilda Wübbe (1875–1943), de echtgenote van Willem Mengelberg. De eerste keer dat zij elkaar troffen, was tijdens een diner met Willem Mengelberg waar ook Igor Stravinsky aanwezig was.

Bronnen, noten en/of referenties

Externe links Levensbericht door Paul Cronheim in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1960)

Categorie:Nederlands componist Categorie:20e-eeuws componist Categorie:Nederlands musicoloog