thumb|270px|Een vergelijking van de schedels van zestien verschillende soorten krokodilachtigen. Deze afbeelding is zeer gedetailleerd, klik voor een vergroting
De krokodilachtigen (Crocodilia), krokodillen of pantserreptielen zijn een orde van reptielen die sterk aan het water aangepast zijn en in tropische en subtropische gebieden leven. Alle soorten zijn waterbewoners die goed kunnen zwemmen, maar ook regelmatig het land betreden.
Krokodilachtigen zijn bij het grote publiek bekend vanwege de relatief grote lichaamslengte, de unieke kenmerken en de bijzondere leefwijze. Krokodilachtigen zijn met geen enkele diergroep te verwarren, zelfs niet met andere reptielen. Ze kunnen twee tot zeven meter lang worden en een gewicht bereiken van meer dan duizend kilo. Omdat alle soorten sterk aan het water zijn aangepast, hebben ze enkele bijzondere kenmerken, zowel uiterlijke kenmerken als inwendige aanpassingen. Voorbeelden zijn de zware bepantsering van schubben met onderliggende beenplaatjes en het sterk ontwikkelde spijsverteringsstelsel. Krokodilachtigen zijn vleeseters die een breed scala aan prooien eten, maar voornamelijk leven van vis. De biologie is uitgebreid onderzocht en over de anatomie, de voortplanting en de leefwijze is veel bekend.
De krokodilachtigen worden verdeeld in vier groepen. Deze indeling is gebaseerd op de onderlinge verwantschappen. Deze zijn de echte krokodillen (Crocodylidae), de alligators (Alligatorinae), de kaaimannen (Caimaninae) en de gavialen (Gavialidae). Daarnaast zijn er vele uitgestorven groepen van reptielen bekend die tot de krokodilachtigen worden gerekend, maar heel andere kenmerken hadden en al lange tijd zijn verdwenen. Dit artikel beschrijft, tenzij anders vermeld, alleen de hedendaagse soorten.
Er zijn tegenwoordig 27 verschillende soorten krokodilachtigen, met als bekendste de zeekrokodil, de nijlkrokodil, de mississippialligator en de gaviaal. Zie voor een lijst van alle soorten met meer informatie de lijst van krokodilachtigen.
Naam thumb|De ruwe krokodilsalamander (Tylototriton shanjing) is geen krokodilachtige, maar dankt zijn naam aan de rijen knobbels op het lichaam De wetenschappelijke naam Crocodilia werd voor het eerst gebruikt door Richard Owen in 1842.
De Nederlandstalige naam krokodil is afgeleid van het Oudgriekse κροκόδιλος (krokodilos, samengesteld uit κρόκη, kiezelsteen en δρῖλος, worm). De naam zou slaan op de lichaamsvorm en de kiezelachtige beplating.Met krokodilachtigen wordt de gehele groep van de krokodilachtige reptielen aangeduid, terwijl krokodillen alleen slaat op de soorten uit de familie Crocodylidae, wat niet zelden verwarring veroorzaakt. Om het onderscheid duidelijker te maken wordt deze laatste groep ook wel aangeduid als de echte krokodillen.
In plaats van Crocodilia wordt de naam Crocodylia vaak gebruikt. De vorm Crocodilia heeft echter prioriteit, omdat deze naam voor het eerst officieel aan de orde is gegeven door Richard Owen in 1842. Deze vorm is ook taalkundig juist van het Griekse κροκόδειλος afgeleid. De regels van de zoölogische nomenclatuur regelen echter alleen de naamgeving tot de taxonrang van familie. Sommigen herleiden daarom de naam uit het — taalkundig onjuist afgeleide — geslacht Crocodylus, zodat de vorm consistent is met de familie Crocodylidae, die een y moet hebben, omdat de familienamen direct uit het naamgevende geslacht moeten worden herleid. Ook andere taxa worden gemeenlijk met een y gespeld, zoals de superorde Crocodylomorpha.
Sommige dieren hebben kenmerken die aan een krokodil doen denken en zijn naar krokodilachtigen vernoemd. Voorbeelden zijn de alligatorschildpad, de alligatorhagedis en de Chinese krokodilstaarthagedis.
Verspreiding en habitat Krokodilachtigen komen bijna wereldwijd voor, in een brede strook rond de evenaar: in grote delen van Afrika, in zuidelijk Azië, het zuiden van Noord-Amerika, Midden-Amerika en grote delen van Zuid-Amerika. In Australië komen alleen in het noorden krokodilachtigen voor en in Europa komen ze helemaal niet voor. In totaal komen de krokodilachtigen voor in meer dan 90 landen, meer dan de helft van alle landen in de wereld.
thumb|700px|center|Verspreiding van de drie families van krokodilachtigen Groen: echte krokodillen Geel: alligators en kaaimannen Oranje: gavialen Tussen haakjes het aantal soorten per geslacht in dat gebied
De verspreiding hangt enigszins samen met de groep van krokodilachtigen; de kaaimannen (geslachten Caiman, Paleosuchus, Melanosuchus) komen alleen voor in Zuid-Amerika. De alligators (geslacht Alligator) komen voor in Noord-Amerika en China. De gaviaal (Gavialis) komt voor rond India en Pakistan. De krokodillen uit het geslacht Crocodylus hebben het grootste verspreidingsgebied en zijn te vinden in Azië, Australië, Afrika en Amerika. Krokodillen uit het geslacht Tomistoma komen voor in zuidelijk Azië en die uit het geslacht Osteolaemus in westelijk Afrika.
De krokodilachtigen hebben zich gedurende hun ontwikkeling over vrijwel de hele wereld verspreid. Ook in Europa zijn fossielen van uitgestorven zeekrokodillen (Metriorhynchidae) bekend en zelfs in Nederland kwamen krokodillen voor.Natuurinformatie – Resten van een zeekrokodil gevonden in Limburg – Website
Krokodilachtigen leven in tropische en subtropische gebieden en altijd bij het water. Ze zijn te vinden in meren, rivieren en grote poelen, maar vooral in grote waterstelsels als rivierdelta's en moerassen. De meeste soorten leven in stilstaand tot langzaam stromend water. Aan snelstromend water hebben de meeste soorten een hekel. Veel soorten tolereren brak water dat enigszins zout is. Alleen de echte krokodillen kunnen vanwege de functionele zoutklieren ook langs de kust en zelfs in zee overleven, maar de zeekrokodil is de enige soort die regelmatig op open zee kan worden aangetroffen. Van de nijlkrokodil is zelfs een populatie in de Saharawoestijn bekend.
Alle krokodilachtigen leven in laaglanden, de twee soorten echte alligators kunnen in wat hoger gelegen gebieden worden aangetroffen. Geen enkele soort komt voor in bergstreken in tegenstelling tot vrijwel alle andere reptielen; sommige reptielen hebben zich juist gespecialiseerd in berggebieden. Grotere krokodilachtigen leven in meer open gebieden. Eenmaal volwassen, hebben ze geen enkele natuurlijke vijand meer. Voor kleinere soorten geldt dat ze vaak te duchten hebben van grotere soorten die binnen het verspreidingsgebied voorkomen. Daarom houden ze zich in meer begroeide habitats op, waar grotere soorten zich moeilijk kunnen verplaatsen.
Uiterlijke kenmerken De bouw en de grootte van alle krokodilachtigen is kenmerkend en de groep is maar met weinig andere reptielen te verwarren. Dit is te danken aan het op het water aangepaste lichaam, maar in tegenstelling tot veel andere waterdieren is de huid niet glad en slijmerig, maar voorzien van een dubbel pantser. Ook de schedel, de positie van de tanden en de gespecialiseerde zintuigen zijn onmiskenbaar voor de krokodilachtigen.
De lichaamsbouw van de krokodilachtigen is echter niet uniek binnen de groep van dieren. Verschillende niet-verwante groepen zoals de uitgestorven voorouders van de walvisachtigen (zoogdieren) alsook de huidige salamanders (amfibieën) lijken qua uiterlijk soms sprekend op krokodilachtigen. Beide groepen waren, respectievelijk zijn, eveneens zeer succesvol in het water dankzij de lichaamsbouw. Sommige biologen menen dat een op de krokodillen gelijkende bouw ideaal is voor in het water levende roofdieren.
De kleur van krokodilachtigen varieert van bruin tot groen. Juveniele exemplaren zijn meestal lichter van kleur en sterk gestreept. Deze tekening vervaagt na enkele jaren. Heel soms worden albino exemplaren geboren, en ook exemplaren die juist donkerder zijn dan normaal komen voor, dit wordt hypermelanisme genoemd.
Algemeen thumb|Albinovorm mississippialligator in een dierentuin Krokodilachtigen lijken uiterlijk op hagedissen (onderorde Sauria) vanwege het langwerpige en sterk afgeplatte lichaam, de vier zijdelings geplaatste poten, een lange staart en een duidelijk te onderscheiden kop. De vorm van de schedel is onmiskenbaar, het skelet is vergelijkbaar met andere hogere gewervelden. Net als hagedissen bewegen krokodilachtigen zich meestal voort door de poten langs het lichaam te bewegen en met de buik over de grond te slepen. Krokodilachtigen zijn in tegenstelling tot hagedissen echter sterk op het water aangepast. Dit is met name te zien aan de kop, de poten en de staart.De als peddel gebruikte staart is zeer gespierd en sterk zijdelings afgeplat en draagt een duidelijke kam van grote schubben. De poten zijn relatief klein en gebogen, en hebben vliezen tussen de tenen. De kop is verhoudingsgewijs zeer breed en lang en sterk afgeplat, de ogen en neusgaten zijn klein en liggen op één lijn en de bek bevat vele duidelijk zichtbare tanden.
Krokodilachtigen kunnen meer dan zeven meter lang worden, maar alleen de mannetjes van de zeekrokodil en de nijlkrokodil bereiken dergelijke lengtes. Deze kunnen ook een gewicht bereiken van meer dan 1000 kilo. Andere soorten, zoals de breedvoorhoofdkrokodil, de Chinese alligator en Cuviers gladvoorhoofdkaaiman worden inclusief staart ongeveer twee meter lang, de vrouwtjes blijven kleiner. De meeste moderne soorten bereiken een lengte tussen drie en vier meter. Soms komen uitschieters langer dan vijf meter voor, doordat krokodilachtigen hun leven blijven doorgroeien. De juvenielen groeien veel sneller dan oudere exemplaren, die jaarlijks slechts enkele centimeters langer worden. Soorten die kleiner blijven, groeien langzamer dan de grotere soorten.Uitgestorven soorten konden reusachtig groot worden. Sommige soorten werden meer dan twaalf meter lang, zoals Sarcosuchus uit het Vroeg-Krijt. Zie voor de uitgestorven soorten het kopje ontstaan van de krokodilachtigen.
Huid Net als bij alle andere reptielen is het gehele lichaam bedekt met schubben. Bij sommige hagedissen en slangen overlappen de schubben elkaar, maar bij krokodilachtigen niet. Behalve schubben zijn er in de huid ook kleine, zeer harde beenplaatjes aanwezig, die osteodermen worden genoemd. Deze verhoornde plaatjes zorgen voor extra versteviging en zijn met name op de rug te vinden, maar soms ook op de buik. In het weefsel van de rug is onder de schubben en eventuele osteodermen nog een derde verstevigende laag aanwezig van stevige maar flexibele plaatjes die elkaar overlappen.
Osteodermen krijgen jaarlijks een nieuwe laag en net als bij bomen kan de leeftijd van een krokodilachtige worden afgeleid van de groeiringen van de osteodermen. Op de kop zijn de schubben vergroeid met de botten van de schedel. De platen in de nek worden nuchaalplaten genoemd en zijn met name bij oudere dieren zeer groot. Op de rug zijn de schubben en beenplaten sterk vergroot en zijn de schubben gekield (Λ-vormig). Ze dienen ter bescherming, maar zijn daarnaast goed doorbloed om de warmte van een zonnebad door te voeren naar het lichaam. De positie en het aantal osteodermen hangt af van de soort, kleinere soorten hebben vaak een dikker pantser en meer botweefsel ter versteviging. Ze zijn hierdoor relatief zwaarder en minder beweeglijk, maar beter beschermd tegen vijanden en met name grotere soorten krokodilachtigen. Grotere soorten hebben geen zware bepantsering nodig omdat ze bijzonder sterk zijn en als volwassen exemplaar geen natuurlijke predatoren hebben.Soorten met veel osteodermen worden minder bejaagd voor hun huid: omdat osteodermen niet verwerkt kunnen worden in leer, worden ze eruit gesneden. Door de gaten in de huid is deze minder geschikt voor krokodillenleer, zodat sommige krokodilachtigen grotendeels ontsnapt zijn aan de massale jacht door de mens. Zie ook het kopje Winning van de huid.