Thomas Riley Marshall (North Manchester (Indiana), 14 maart 1854 – Washington D.C., 1 juni 1925) was een Amerikaanse politicus. Hij was lid van de Democratische Partij. Marshall was van 1909 tot 1913 gouverneur van Indiana en van 1913 tot 1921 de 28e vicepresident van de Verenigde Staten onder Woodrow Wilson.

Levensloop Jeugd De vader van Marshall was een fervent aanhanger van de Democratische Partij. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog weigerde hij medische hulp aan soldaten van de Confederatie die voorstander waren van de slavernij. Zijn grootvader en vader kwamen in conflict met hun Methodistische predikant toen deze dreigde hen uit de kerk te zetten als zij niet bij de verkiezingen in 1862 op de Republikeinse Partij zouden stemmen. Marshalls’ grootvader zij dat hij "dan maar het risico nam voor de hel, maar niet voor de Republikeinse Partij". Zij maakten de overstap naar de Presbyteriaanse Kerk.

Marshall studeerde aan Wabas College. Hij begon voor de schoolkrant te schrijven. In 1872 publiceerde hij een artikel waarin hij een docente er in een column van beschuldigde om seksueel contact te zoeken met jonge leerlingen. Zij huurde een advocaat in en eiste 20.000 dollar aan smartengeld. Marshall huurde als advocaat Benjamin Harrison in, een latere president van de Verenigde Staten. De zaak werd geseponeerd, omdat Harrison aantoonde dat de beschuldigingen van Marshall waarschijnlijk klopten.

Aan het einde van zijn studie was Marshall zeer geïnteresseerd geraakt in rechten. De enige manier om advocaat te kunnen worden was door in de leer te gaan bij erkend advocaat. Hij ging in de leer bij Walter Olds, die het later bracht tot lid van het hooggerechtshof van Indiana. Op 26 april 1875 kreeg Marshall zijn aanstelling als advocaat.

Advocaat Marshall opende in 1876 zijn eigen advocatenpraktijk. In 1879 kwam William F. McNagny erbij als partner. Zij behandelden vooral strafzaken. Hun praktijk werd bekend in de regio door een aantal high profile-zaken die zij behandelden. In 1880 stelde Marshall zich verkiesbaar namens de Democratische Partij om Openbaar aanklager te worden van zijn district. Het district had een overwegend Republikeinse meerderheid en Marshall verloor de verkiezingen.

Na zijn eigen verkiezingsnederlaag in 1880 begon Marshall ook met de ondersteuning van andere Democratische kandidaten binnen de staat. Hij verschoof in de jaren negentig langzaam van zijn conservatieve standpunten naar progressieve standpunten. In 1904 werd hij lid van het Centrale Comité van de staatsafdeling van de partij.

Een voordracht van zijn partij voor het Congres wees Marshall in 1906 af. Hij liet weten dat hij geïnteresseerd was in het gouverneurschap van de staat. Niet iedereen steunde hem omdat hij voorstander was van een drooglegging. Onder zijn tegenstanders was Thomas Taggart, de belangrijkste Democraat binnen de staat Indiana. Ondanks de tegenstand werd hij gekozen als de kandidaat van de Democratische Partij. Bij de algemene verkiezingen versloeg hij de Republikeinse Afgevaardigde James E. Watson.

Gouverneur van Indiana thumb|Marshall ten tijde van zijn gouverneurschap (1912) Als gouverneur probeerde Marshall niet direct al zijn eigen aanhangers op belangrijke politieke posities te benoemen. Hij liet de partij ook verschillende kandidaten voordragen. Dit leidde er wel toe dat hij geen stevige politieke basis voor zichzelf opbouwde. Marshall slaagde erin een wet tegen kinderarbeid aangenomen te krijgen.

Ook vocht hij tegen de corruptie. Als gouverneur steunde hij een voorstel waardoor de personen die namens Indiana in de Senaat werden gekozen voortaan aangewezen werden door een volksstemming. Deze wetgeving kwam er ook door. Voorheen werden de senatoren gekozen door de wetgevende vergadering van de staat zelf. Tegelijkertijd slaagde Marshall er niet in een voorstel goedgekeurd te krijgen waardoor de macht van de gouverneur zou worden uitgebreid. Hij was tegenstander van een aantal wetten die waren aangenomen ten faveure van eugenetica en sterilisatie en gaf staatsinstellingen de opdrachten niet mee te werken aan de uitwerking daarvan. Marshall was ook de eerste gouverneur onder wiens bewind geen executies van criminelen meer plaatsvonden, omdat hij tegen de doodstraf was.

Marshall wilde graag de grondwet van Indiana aan passen, waardoor er een minimumloon zou worden ingesteld, er directe referenda konden worden gehouden, en waardoor de vakbonden wettelijke bescherming zouden krijgen. De wetgevende vergadering van Indiana weigerde mee te werken. Veel van de standpunten van Marshall werden ook aangehangen door de Socialistische Partij. De Republikeinse Partij geloofde dat Marshall zich vooral zo inzette voor de hervorming van de grondwet om de Socialistische Partij van haar aanhang te beroven. De Democratische Partij – op dat moment de meerderheidspartij - besloot de kwestie van het directe referendum voor te leggen aan de kiezer. De Republikeinen maakten bezwaar omdat het volgens hen ongrondwettelijk zou zijn. Bij de verkiezingen in 1910 verkregen de Democraten een meerderheid in de Senaat en werd het voorstel aangenomen. Het zou dan in 1912 aan de kiezer voorgelegd moeten worden.

De Republikeinen vonden dat er een Grondwettelijke Vergadering (constitutional convention) moest worden gehouden en vochten het besluit aan bij de rechter. Deze besloot dat het voorstel voor een direct referendum niet aan de kiezer mocht worden voorgelegd. Deze beslissing werd bekrachtigd door het Hooggerechtshof van de staat en het federale Hooggerechtshof, maar kreeg zijn gelijk niet.

Marshall mocht volgens de grondwet van Indiana maar een termijn dienen als gouverneur van Indiana en trad daarom in 1913 af.

Vicepresidentschap Eerste termijn thumb|300px|Marshall in zijn kantoor in de Senaat Hij wilde zich verkiesbaar stellen voor de Senaat. Hoewel hij niet aanwezig was op de Democratische Partijconventie in Baltimore in 1912 werd zijn naam wel door de delegatie van Indiana naar voren geschoven als kandidaat voor het presidentschap.Hij werd voorgesteld als compromiskandidaat, maar William Jennings Bryan en zijn aanhangers steunden Woodrow Wilson. Daardoor behaalde Wilson een meerderheid en de Democratische nominatie voor het presidentschap. Indiana stond bekend als een kantelstaat. Wilson koos daarom voor Marshall als zijn kandidaat voor het vicepresidentschap in de hoop dat deze hem de staat Indiana kon verkrijgen. De Democratische Partij won de verkiezingen, mede door een scheuring binnen de Republikeinse Partij, waardoor de voormalige president Theodore Roosevelt zich namens een derde partij, de Progressieve Partij, kandidaat stelde.

De band tussen Wilson en Marshall was niet goed te noemen. Marshall werd uitgenodigd voor kabinetsvergaderingen, maar zijn voorstellingen werden nauwelijks in overweging genomen.Wilson nam zelf contact op met senaatsleden om politiek beleid te bediscussiëren. Daarvoor was dit altijd de verantwoordelijkheid van de vicepresident, maar Wilson vertrouwde Marshall niet genoeg. Marshall zelf trok zich weinig aan van de acties van Wilson en hield zich vooral bezig met het voorzitten van de Senaat. Hij bracht zelf achtmaal een beslissende stem uit in de Senaat, toen de stemmen staakten.

In de debatten in aanloop naar de Eerste Wereldoorlog hielden een aantal isolationistische senatoren een aantal filibusters die weken en soms maanden duurden om te voorkomen dat een aantal wetten werd aangenomen. Wilson wilde dat Marshall het spreekrecht van een aantal senatoren beperkte, maar deze had daar ethische bezwaren tegen. Bij de wetten die werden tegengehouden ging het onder andere om een wet waardoor de Verenigde Staten direct koopvaardijschepen en wapens konden verkopen aan de geallieerden. De isolationistische senatoren vormden een kleine minderheid, maar hielden wel elke wetgeving tegen die neigde in de richting van bemoeienis met de oorlog. Dit leidde ertoe dat er in 1917 een wet werd aangenomen die het mogelijk maakte om met een tweederdemeerderheid een filibuster te doorbreken. Sindsdien is deze wet ook veranderd en tegenwoordig is nog maar drie vijfde van alle senatoren nodig.

Erich Menter, een Duitse anarchist en professor aan de Harvard-universiteit, pleegde op 4 juli 1916 een aanslag op Marshall. Hij legde een tijdbom bij het kantoor van de vicepresident, maar de bom ontplofte te vroeg. Na de aanslag weigerde Marshall persoonlijke beveiliging.

Tweede termijn Bij de Democratische Partijconventie in 1916 drong een aantal Democraten er bij Wilson op aan Marshall niet te kiezen als zijn kandidaat voor het vicepresidentschap. De president wilde echter vooral eenheid uitstralen en vroeg Marshall wel. Daarmee werd hij de eerste vicepresident sinds John C. Calhoun in 1828 die voor een tweede termijn werd gekozen.

Tijdens Marshalls’ tweede termijn raakte de Verenigde Staten betrokken in de Eerste Wereldoorlog. Marshall was daar voorstander van en vond dat Wilson de dienstplicht moest invoeren. Toch werd Marshall maar zijdelings bij de oorlog betrokken. Hij werd vooral ingezet voor het houden van toespraken om oorlogsleningen te verkrijgen. Toen het einde van de oorlog naderde vertrok Wilson naar Europa, waar hij onder andere het Verdrag van Versailles sloot en werkte aan steun voor zijn plan voor een Volkerenbond. Marshall was de eerste vicepresident die de kabinetsvergadering voorzat.

President Wilson werd in oktober 1919 getroffen door een beroerte waardoor hij verlamd raakte en niet goed meer in staat was te functioneren. Wilsons’ vrouw Edith mocht de vicepresident echter niet en weigerde dat deze Wilson zou opvolgen als president. Zij geloofde, en werd daarin gesteund door een belangrijke adviseur genaamd Joseph Tumulty, dat een officieel bericht van de staf van de president over diens conditie er toe zou leiden dat Marshall zich er op basis van de grondwet er toe zou inzetten dat hij als president benoemd werd. Zij voorkwamen dus ook dat er zo’n officieel bericht kwam. Tegelijkertijd eiste Marshall dat hij op de hoogte werd gehouden van de conditie van de president, omdat hij voorbereid moest zijn om het presidentschap over te nemen.

Robert Lansing, minister van Buitenlandse Zaken, was de eerste die op 5 oktober voorstelde dat Marshall de president zou dwingen tot aftreden. Hij werd daarin gesteund door andere ministers en leiders van het Congres. Na dit met zijn vrouw en een levenslange adviseur Mark Thistlethwaite te hebben overlegd, besloot Marshall niet van de mogelijkheid gebruik te maken, omdat hij geen precedent wilde scheppen voor toekomstige situaties, waarbij de vicepresident de president zou dwingen af te treden. Marshall wilde dat Wilson vrijwillig zou aftreden, maar deze was dat niet van plan vanwege zijn afkeer van Marshall. Marshall liet aan het kabinet weten dat hij alleen president wilde worden als er een gemeenschappelijke resolutie van het Congres zou komen die hem daartoe opriep, of als Wilson uit eigen beweging aangaf niet in staat te zijn het ambt te kunnen bekleden.

Toen de maand december aanbrak was de situatie nog niet verbeterd. De leiders van het Congres wilde zich gaan inzetten voor de gemeenschappelijke resolutie waarvoor Marshall had gevraagd. In dezelfde tijd speelde de discussie rondom de Volkerenbond en of de Verenigde Staten daar in toe moesten treden. Wilson was daar voorstander van, maar weigerde concessies te doen, waardoor hij waarschijnlijk wel een meerderheid zou hebben voor zijn plannen. Verschillende senatoren die tegenstander waren van de toetreding vreesden dat Marshall de toezeggingen wel zou doen, waardoor de Verenigde Staten toch zouden toetreden tot de Volkerenbond. Zij wilden voorkomen dat de gemeenschappelijke resolutie werd aangenomen. De senatoren stelde voor dat een comité navraag zou doen naar de gezondheid van de president. Daaruit bleek dat deze in zwakke conditie verkeerde, maar aan de beterende hand was. Dat was genoeg om de gemeenschappelijke resolutie te voorkomen.