Scelidosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Genasauria, dat tijdens het Vroeg-Jura leefde in het gebied van het huidige Engeland.
De eerste fossielen van Scelidosaurus werden ontdekt in het midden van de negentiende eeuw. Het geslacht werd in 1859 benoemd door professor Richard Owen. Owen wilde het dier 'achterpootsauriër' noemen, maar door een vergissing betekent de naam eigenlijk 'kotelethagedis'. De typesoort Scelidosaurus harrisonii werd in 1861 benoemd. Later is nog een tweede soort benoemd: S. oehleri, maar die soort had al de eigen geslachtsnaam Tatisaurus. In de loop der tijd is er een aantal zeer volledige skeletten van Scelidosaurus gevonden. Het belangrijkste fossiel is langzaam door een zuurbad vrijgelegd. Doordat dit zo lang duurde, overleed de man die de bevindingen zou opschrijven en die werden pas 2019 in wetenschappelijke artikelen behandeld. De wetenschappers hadden toch een goed beeld gekregen van hoe het dier er in het algemeen uitzag.
Scelidosaurus werd een kleine vier meter lang en ruim een kwart ton zwaar. Hij liep op vier poten. Zijn lichaam was bedekt met lange rijen grotere en kleinere beenschubben met hoge richels als bescherming tegen roofsauriërs. Die vormden geen ononderbroken pantser, maar lagen op een afstandje van elkaar. De kleine kop was langwerpig. Met lange rijen kleine tanden werden lage planten afgebeten, ingeslikt en in de brede buikholte verteerd. In 2019 werd gesteld dat Scelidossaurus in de schedel botten bezat die nog nooit bij andere dieren waren aangetroffen: de epivomeres in het verhemelte en 'epistyloïden' in de nek.
Scelidosaurus is een van de oudste bekende leden van de Thyreophora, de gepantserde dinosauriërs, en verschaft zodoende belangrijke informatie over de vroege evolutie van die groep.
Vondst en naamgeving
In de jaren vijftig van de negentiende eeuw vond de medicus James Harrison in zijn cementgroeve op de kust bij Lyme Regis, bij Black Ven nabij Charmouth in Dorset, resten van dinosauriërs. Verschillende daarvan gaf hij aan zijn vriend, de fossielenverzamelaar en gepensioneerde arts Henry Norris, die een eigen tentoonstellingsruimte had in zijn huis te South Petherton. In 1858 zond Harrison, die ondertussen bedlegerig geworden was, enkele beenderen, waaronder een linkerdijbeen, specimen GSM 109560, op naar professor Richard Owen. In 1859 benoemde Owen op grond hiervan het geslacht Scelidosaurus in een lemma van de Encyclopaedia Britannica over paleontologie. De etymologie van de geslachtsnaam is wat verward. Owen wilde het de betekenis geven van 'achterpootsauriër'. Daarvoor was het nodig dat het woord afgeleid zou zijn van het Klassiek Griekse σκέλος, skelos, 'loopbeen'. Hij verwarde dit echter, omdat samengestelde woorden die naar het loopbeen verwijzen vaak op ~skelis eindigen, met σκελίς, skelis, 'ribstuk'. In de meest letterlijke zin betekent de naam zo 'kotelethagedis'. De bedoelde betekenis van de geslachtsnaam is een verwijzing naar de sterke ontwikkeling van de achterpoot; het dijbeen was tamelijk robuust. Het motief lag echter niet, zoals later wel beweerd, in het feit dat de achterpoten veel sterker ontwikkeld waren dan de voorpoten want die laatste kende Owen in 1859 nog niet; een sterkere ontwikkeling is daarbij de normale toestand bij dinosauriërs. Hij wilde een onderscheid maken met andere fossielen uit het gebied die voornamelijk van zeedieren waren, zonder looppoten. left|thumb|Norman meende dat aan het belang van Richard Owen voor het dinosauriëronderzoek afbreuk gedaan werd door hem meestal als een afgeleefde ouwe vent af te beelden Harrison werd zich door Owens reactie meer bewust van het belang van de fossielen. Hij onderzocht nu de collectie van Norris nauwkeuriger en vond daar een kniegewricht en een klauw. Ook stimuleerde hij de arbeiders van de steengroeve via een uitgeloofde premie om alert te zijn op nieuwe vondsten. Een van de mannen begon toen systematisch heel het blootgelegde vlak van de aardlaag na te speuren. Dat leverde resten op van een jong dier en een schedel met onderkaken. De meeste van deze vondsten werden in 1861 door Owen beschreven nadat ze waren verzonden door de Earl of Enniskillen. Bij die gelegenheid werd de typesoort Scelidosaurus harrisonii benoemd door de toevoeging van een epitheton. Deze soortaanduiding eert Harrison. Uiteindelijk bleek bijna het hele skelet dat bij de schedel hoorde aanwezig, in twaalf blokken die Owen van de echtgenote van de zieke Harrison kreeg en uiteindelijk voor vijftig pond aankocht, en dat werd in 1863 door Owen in een uitgebreide aanvullende publicatie beschreven. thumb|Specimen GSM 109560, het linkerdijbeen dat later van een theropode bleek te zijn De vondst vertegenwoordigde indertijd een van de meest complete dinosauriërexemplaren die gevonden waren, maar werd door Owen toch wat verwaarloosd, hoewel het mooi zijn favoriete oude hypothese uit de jaren veertig van de negentiende eeuw kon illustreren dat dinosauriërs actieve viervoeters waren. Volgens de huidige Britse paleontoloog David Bruce Norman kwam dat doordat Owens tijd in beslag genomen werd door academische bestuursactiviteiten en polemieken met andere wetenschappers. Daarbij had Owen zijn denkbeelden in twintig jaar tijd toch wat gewijzigd want hij suggereerde in 1861, geïnspireerd door het feit dat het fossiel in een zeeafzetting was gevonden, dat het dier aangepast was aan een zwemmende levenswijze en vissen spietste aan zijn scherpe tanden; in 1863, toen hij de dragende bouw van de achterpoot beter begreep, nam hij daar weer gedeeltelijk afstand van. Norman vond zelfs dat het fossiel van Scelidosaurus het eerste complete dinosauriërskelet was dat ooit was ontdekt, hoewel de voorpoten ontbraken. Meestal wordt die eer aan het holotype van Compsognathus gegund dat in bepaalde delen wat minder volledig is, maar wel meteen in zijn geheel werd gevonden. In ieder geval was in 1861 de schedel de meest complete die ooit van een dinosauriër was beschreven, ofschoon hij de snuitpunt miste. thumb|BMNH 39496, in feite een theropode; de klauw is specimen GSM 109561 Owen wees geen holotype aan. In 1888 koos Richard Lydekker specimen BMNH 39496, een onderste stuk rechterdijbeen gecombineerd met een bovenste stuk scheenbeen en kuitbeen zodat het geheel een kniegewricht opleverde, impliciet als het lectotype. Hij ging er namelijk, zonder daarvoor argumenten aan te dragen, van uit dat dit het typespecimen was. Dit werd misschien beïnvloed door het feit juist de grootte van het dijbeen Owen in zijn naamgeving geïnspireerd had, hoewel BMNH 39496 op zich Owen in 1859 nog onbekend was geweest. Achteraf bleek de keuze echter ongelukkig te zijn: in 1968 wees Bernard Newman erop dat het stuk dijbeen en scheenbeen van een vleesetende theropode waren, een of andere vorm verwant aan Megalosaurus. In 2024 werd dit benoemd als Dornraptor. Ook de klauw, specimen GSM 109561, was volgens Newman van een theropode, misschien aan hetzelfde individu toebehorend als het kniegewricht. In de groeve waren de fossielen van verschillende soorten te vinden geweest. Overigens was in de tussentijd het stuk kuitbeen van het scheenbeen verwijderd en kwijtgeraakt. Newman suggereerde officieel een vervangend typespecimen aan te wijzen, een van de specimina die wel behoorde tot de planteneter. Nadat Newman was overleden, ging zijn collega Alan Jack Charig hier werk van maken en diende op 20 juli 1992 bij de ICZN een verzoek in te bepalen dat het skelet het vervangende neotype zou zijn. In september 1994 besloot de commissie in Opinio 1788 positief op het verzoek en wees specimen BMNH R.1111 aan als het neotype. Volgens sommigen heeft Owen het geslacht pas in 1861 geldig benoemd. Newman stelde in 1968 dat de publicatie uit 1859 een beschrijving bevatte die toepasbaar was op meerdere toen al bekende soorten en daarbij geen specimina identificeerde. Het zou dus slechts een ongeldige nomen nudum hebben kunnen opgeleverd, een begrip zonder inhoud. Charig wees er in 1992 op dat dit irrelevant is: bij geslachtsnamen benoemd voor 1931 is het voldoende dat de publicatie enige diagnose bevat. Scelidosaurus werd dus al in 1859 geldig benoemd. Overigens is ook het linkerdijbeen, GSM 109560, volgens Newman niet van Scelidosaurus, maar van een theropode. Het behoort nu tot de collectie van het Geological Survey Museum. thumb|Door de foute identificatie van de achterpoot werd Scelidosaurus in de negentiende eeuw met veel te lange ledematen afgebeeld Het neotype is gevonden in een laag van de Charmouth Mudstone Formation, de Black Ven Marl of Woodstone Nodule Bed, die dateert uit het late Sinemurien, ongeveer 191 miljoen jaar oud. Het skelet werd door Owen slechts gedeeltelijk geprepareerd. Al in 1955 besloot William Elgin Swinton dat Arthur Rixon het specimen met zuurbaden moest vrijleggen. Het overlijden van Swinton in 1961 maakte een einde aan dit project, maar het werd weer opgenomen door Charig. Vanaf de jaren zestig werden de verschillende skeletelementen door een team van het British Museum of Natural History onder leiding van Ronald Croucher langzaam met zuurbaden vrijgelegd, een techniek die speciaal voor de fossielen uit Charmouth geperfectioneerd werd door de kwetsbare botten extra te beschermen door middel van een fosfaatbuffer. Charig was van plan hiervan een diepgaande studie te publiceren, maar overleed voordat hij deze kon voltooien, hoewel in 1992 nog maar één blok behandeld hoefde te worden. Een moderne beschrijving ontbrak aldus lange tijd, maar is uiteindelijk opgenomen door Norman die eerst verschillende details openbaarde in een hoofdstuk van de tweede druk uit 2004 van het standaardwerk The Dinosauria. Een obstakel hierbij was dat het manuscript van Charig, reeds voorzien van illustraties, door nieuwe vondsten achterhaald bleek. In 2019/2020 publiceerde Norman uiteindelijk vijf artikelen, over de schedel, de postcrania, de osteodermen, de levenswijze en de fylogenie. Daarbij bleek dat het zuur veel botten toch geen goed had gedaan, er zijwaarts in lekkend. Sommige delen van de schedel waren zo teer geworden dat ze door Charig bij zijn studie waren beschadigd, waarbij het cranium in delen uiteenviel en stukken verkruimelden. Kunstharsen om het fossiel te verstevigen hadden de zaak alleen maar verergerd. Norman moest ook constateren dat het exemplaar beschadigd was toen men er gaten in boorde om het tentoon te stellen. thumb|left|De elementen van LYMPH 1997.37.4-10 Lydekker beschreef in 1888 ook een aantal beenderen, na de dood van Norris in 1870 verworven uit diens collectie, die geen deel uitmaakten van het hoofdskelet. Deze omvatten de specimina BMNH 39497, de schacht van een element uit de ledematen; BMNH 39516, een grote partij gebroken stekels; BMNH 39517, een stuk voorste staartwervel; BMNH 39517a, twee achterste staartwervels; BMNH 39518, een chevron; BMNH 39519, twee kootjes; BMNH 39520, een uiterste kootje; BMNH 40503, de bovenkant van het linkerscheenbeen van een jong dier; BMNH 41322, een linkerdijbeen; BMNH 41323, een niet te determineren element; BMNH 41324, de achterkant van een rechterschouderblad; BMNH 41325, de schacht van een rechteropperarmbeen; BMNH 41327, twee achterste staartwervels; BMNH 41328, drie middenvoetsbeenderen; BMNH 41329, verschillende stekels; BMNH 42068, een grote partij stekels; BMNH 42069, de onderkant van het rechterdijbeen van een jong dier; BMNH 42070, een kootje en BMNH 42074, een niet te determineren element.