De bunzing (Mustela putorius) is een roofdier dat behoort tot de familie marterachtigen (Mustelidae). Het is een van de zeven inheemse soorten marterachtigen in België en Nederland. De bunzing komt voor in grote delen van Europa tot in westelijk Azië en uiterst noordwestelijk Afrika.
De bunzing is naaste familie van de wezel en de hermelijn. Over het algemeen zijn de drie soorten goed te onderscheiden, maar er komen soms kleurvariaties voor die de identificatie bemoeilijken. De bunzing is daarnaast de wilde voorvader van de fret (Mustela putorius furo), die als een ondersoort wordt beschouwd. Het is een echte bodembewoner die veel graaft en niet vaak klimt.
De bunzing werpt eenmaal per jaar jongen, dit zijn er ongeveer vijf per keer. Na vier maanden zijn ze zelfstandig en na zes maanden zijn ze volwassen. De bunzing wordt ongeveer vier jaar oud. De bunzing is een zeer actief roofdier dat leeft van prooien als kleine tot middelgrote gewervelde dieren zoals konijnen en vogels. Er worden voedselvoorraden aangelegd. Ook geleedpotige dieren en fruit worden soms gegeten.
Vijanden zijn andere roofdieren zoals slangen en vossen. De mens heeft een negatieve invloed op de bunzing, voornamelijk doordat vele dieren worden doodgereden door het verkeer. Kleine marterachtigen zoals de bunzing, hermelijn en wezel zijn beschermde diersoorten in Nederland.[ https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen.pdf ] De bunzing wordt beschouwd als een nuttig dier vanwege de gewoonte om op knaagdieren te jagen. De bunzing kan echter ook ziektes dragen als hondsdolheid of de hondenziekte en deze ook overbrengen op mens en dier.
Verspreiding en habitat thumb|Verspreidingsgebied van de bunzing De bunzing komt voornamelijk voor in Europa en verder in Turkije en een klein deel van het verspreidingsgebied is te vinden in noordelijk Afrika in Marokko. (1971) De oostelijke grens ligt bij de Oeral. Ze komen op bijna het gehele Europese vasteland voor. Op de Britse eilanden is de bunzing zeldzaam en op Ierland ontbreekt de soort. In Schotland kwam vroeger de ondersoort Mustela putorius caledoniae voor, maar deze wordt beschouwd als uitgestorven. De bunzing is hier onlangs herontdekt, maar uit genetische analyse bleken deze populaties te zijn uitgezet.
Het verspreidingsgebied van de bunzing beslaat (delen van) de landen Albanië, Andorra, België, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Gibraltar, Griekenland, Hongarije, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Marokko, Moldavië, Montenegro, Nederland, Noord-Macedonië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oekraïne, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Rusland, Servië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Wit-Rusland, Zweden en Zwitserland.
De bunzing komt in Scandinavië alleen in het zuiden voor. In warme delen van zuidelijk Europa is de soort eveneens te vinden, zelfs op geïsoleerde eilanden zoals Corsica en Sicilië. De populaties in Marokko werden vroeger beschouwd als groepen ontsnapte fretten, maar in 2011 werden fossielen gevonden van de bunzing. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat de bunzing mogelijk al die tijd inheems is geweest in noordelijk Afrika.
In België komt de soort algemeen voor, hoewel de populatiedichtheden sterk kunnen verschillen. In de regio rond Antwerpen komt de bunzing veel meer voor dan in de provincie West-Vlaanderen. In de Belgische provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Luik, Luxemburg en Namen wordt de bunzing als zeldzaam beschouwd. In Nederland komt de bunzing verspreid over het land voor en heeft de status vrij algemeen.
Habitat Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen.
Het verspreidingsgebied omvat echter ook uitgesproken droge streken zoals steppen en zandduinen. Bergstreken worden echter vermeden.
Uiterlijke kenmerken thumb|Twee bunzingen in een dierenpark De bunzing kan een totale lichaamslengte van 45 tot 65 centimeter bereiken. Er is een sterke seksuele dimorfie: de mannetjes worden aanzienlijk groter en zwaarder dan de vrouwtjes. Een mannetje heeft een kop-romplengte van ongeveer 33 tot 45 cm en een staartlengte van 12 tot 18 centimeter. Een mannetje kan een gewicht bereiken van 500 gram tot 1,8 kilo. Het vrouwtje heeft een kop-romplengte van ongeveer 28 tot 38 cm en een staartlengte van 11 tot 15 centimeter. Het vrouwtje kan een gewicht bereiken van 300 tot 900 gram.
De bunzing heeft een dikke vacht, die bruin tot zwart van kleur is. De zichtbare vacht aan de bovenzijde bestaat uit dikkere dekharen die een zwart uiteinde hebben of geheel zwart van kleur zijn. De ondervacht is korter en is veel lichter tot geelbruin van kleur. In de winter echter overgroeit de dan dikkere ondervacht de zwarte dekharen. De bunzing heeft hierdoor in de zomer een donkerbruine kleur en in de winter een lichtbruine kleur. Door deze wintervacht lijkt de bunzing veel dikker. De poten en de staart zijn wel altijd zwart behaard.
De kop van de bunzing is deels wit tot witgeel of grijs behaard. Zowel het voorhoofd, de randen van de oren en de kin hebben een afstekende lichte beharing. Op het midden van de voorzijde van de kop loopt een donkere band tussen de ogen, die het gezicht een duidelijk masker geeft. Bij sommige exemplaren zijn de lichtere delen aan de kop kleiner, en bestaan slechts uit twee lichte vlekken onder de ogen en een witte snuitpunt. De keel en buikzijde zijn niet wit gekleurd, zoals bij enkele gelijkende marterachtigen voorkomt. De neus is altijd donker gekleurd. thumb|Schedel van een bunzing met v.l.n.r. zijaanzicht, bovenzijde en onderzijde De schedel van de bunzing is in vergelijking met andere marterachtigen enigszins hondachtig van bouw. Bunzingachtigen zoals de bunzing en de nerts hebben een zeer krachtige beet en laten een prooi dan ook nooit los. Het jukbeen is ver uitgebogen en laat ruimte voor zeer grote kauwspieren (M.temporalis en M.masseter). Ook aan de welving van het kaakbeen is te zien dat de kauwspieren fors van afmeting zijn. De lange hefboom (Processus coronoideus), waar de M.temporalis aangrijpt, maakt een zeer krachtige beet mogelijk. Het gewricht zelf bestaat uit een kommetje aan de schedel waarin het scharnierdeel aan de onderkaak (Processus condyloideus) zeer precies past en opgesloten is. Een uitstekende kam maakt dit slot compleet. De onderkaak is alleen te verwijderen wanneer deze minstens 90° opengeklapt is. Bij planteneters bijvoorbeeld laat het gewricht wel een zijdelingse beweging toe.
De poten zijn relatief kort, maar zijn zeer krachtig. De nagels aan het uiteinde van de poten - de klauwen - zijn niet intrekbaar. De nagels spelen een rol bij het graven van holen.
Onderscheid met andere soorten De bunzing is een van de zeven soorten marterachtigen in Nederland. Een achtste soort, de Europese nerts is door menselijk toedoen verdwenen. Ook de Amerikaanse nerts (Mustela vison) komt voor, maar dit is een exoot. Het is de grootste familie van rovende landzoogdieren in de Lage Landen. In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de belangrijkste verschillen weergegeven.
Andere Nederlandse marterachtigen Afbeelding Naam Kenmerken 150px|centreBoommarterMartes martes(Linnaeus, 1758) Blijft kleiner, en is zwart met een gele keelvlek, deze soort heeft grotere oren dan de steenmarter. Zeldzaam in Nederland. 150px|centreDasMeles meles(Linnaeus, 1758) Zwaargebouwd en veel groter en duidelijk te onderscheiden. Basiskleur is zwart met witte delen. 150px|centreHermelijnMustela ermineaLinnaeus, 1758 In grote delen van Europa en noordelijk Azië en noordelijk Noord-Amerika. De hermelijn heeft een witte keel en buik en een zwarte staartpunt. 150px|centreNertsMustela lutreola(Linnaeus, 1761) Niet in België en Nederland, alleen in delen van het Iberisch Schiereiland en delen van Rusland. Blijft kleiner en is waterminnend; de nerts heeft zwemvliezen tussen de tenen. 150px|centreOtterLutra lutra(Linnaeus, 1778) Geheel Europa, grote delen van Azië en noordelijk Afrika. Waterbewoner en duidelijk te onderscheiden. 150px|centreSteenmarterMartes foina(Erxleben, 1777) Zwart met witte keelvlek, kleinere oren dan de boommarter. Komt in Nederland vooral voor in het oosten van het land en is vrij algemeen. Heeft een veel oostelijker verspreidingsgebied en komt ook voor in Azië. 150px|centreWezelMustela nivalisLinnaeus, 1766 Rode vacht met een witte buik. Enorm verspreidingsgebied over het grootste deel van het Noordelijk halfrond.
Levenswijze De bunzing is een bodembewoner die zelden klimt, ook zwemmen doet het dier niet graag. De bunzing is minder behendig dan zijn verwanten zoals de hermelijn en de wezel. De bunzing beweegt zich door afwisselend te lopen en te springen en nu en dan stil te staan op de achterpoten. De voortbeweging van de bunzing is opmerkelijk snel en lijkt van de zijkant bezien meer op een zwemmende beweging. Dit komt omdat de bunzing de voor- en achterpoten beide tegelijk gebruikt bij de voortbeweging. Het lichaam wordt dicht bij de grond gehouden en de kop en nek worden vooruit gestoken. De rennende bunzing heeft hierdoor van de bovenzijde af gezien wel iets weg van een slang.
Het dier is nachtactief, overdag wordt gescholen in holen. De bunzing kan zelf holen graven, maar gebruikt ook wel bestaande holen van andere dieren zoals vossen en konijnen. Meestal wordt tijdens de avondschemering gejaagd. Van vrouwtjes die hun jongen leren jagen is bekend dat ze zich overdag laten zien. Ook in de winter is de bunzing meer overdag actief dan in de zomer.
De bunzing kent een vorm van vocale communicatie. Er worden verschillende geluiden gemaakt afhankelijk van de gemoedstoestand. De zeer jonge dieren brengen een gepiep voort dat lijkt op het tjirpen van krekels. Volwassen dieren maken zacht grommende, piepende of klok-klok achtige geluiden en als ze boos of opgewonden zijn kunnen harde geluiden worden geproduceerd. Bij een confrontatie met een vijand of een concurrerende soortgenoot worden blazende en gillende geluiden gemaakt.
Voedsel thumb|Een bunzing valt een vogel aan, opgezette exemplaren uit het National Museum of Natural History, te Sofia De bunzing is een felle rover die naast muizen, ratten en kikkers ook een (veel groter) konijn niet uit de weg gaat. Konijnen worden tot in hun hol achtervolgd. Ook vogels worden gegeten, zoals weidevogels, en de bunzing kan met gemak een veel grotere kip aan. De bunzing maakte vroeger voornamelijk konijnen buit, maar door de ziekte myxomatose zijn konijnen in delen van het areaal vrijwel uitgeroeid. Tegenwoordig eet de bunzing daarom vooral andere knaagdieren en kikkers, maar ook vogels, vissen, regenwormen, insecten, hagedissen en aas. Ondanks het voornamelijk carnivore dieet worden ook wel vruchten gegeten. De bunzing heeft een voorkeur voor knaagdieren. Alleen als deze schaars zijn wordt overgeschakeld op het eten van andere dieren en fruit. Het spijsverteringsstelsel van sommige andere roofdieren zoals beren is aangepast op een dergelijke omschakeling, maar bij de bunzing ontbreekt een dergelijk vermogen. Het menu van de bunzing is deels afhankelijk van de geografische omstandigheden. In graslanden worden vooral konijnen gegeten, in moerassen worden meer kikkers buitgemaakt.
De bunzing spoort zijn prooi op met behulp van het goed ontwikkelde reukvermogen en niet zozeer op zicht. Een prooidier wordt meestal in de nek gebeten en vervolgens heen en weer geschud om het te doden. Jonge exemplaren oefenen hierop door elkaar tijdens het spelen zachtjes in de nek te bijten. Bij grotere prooien zoals fazanten wordt de nek geheel afgebeten.