Het Markers is het dialect van het voormalige eiland Marken. Het is op het eiland zelf bekend als Mèrekers. Het Markers is een Waterlands dialect en het vertoont dan ook vooral overeenkomsten met het Volendams en andere Waterlandse dialecten. Het Markers is ook verwant aan het West-Fries en het Zaans.

In 1953 verscheen postuum de zeer uitgebreide dialectstudie van Jac. van Ginneken, Drie Waterlandse dialecten. In dit boekwerk, bestaande uit twee delen, wordt het Markens zeer uitgebreid besproken.

Onderzoek Al sinds Marken bewoond is zullen de bewoners van het eiland wel hun eigen dialect gesproken hebben. Pas in de 19e eeuw wordt het Marker dialect voor het eerst beschreven door Francis Allan, die van 1850 tot 1863 hoofdonderwijzer op Marken was. Zijn beschrijving is beknopt; hij geeft een aantal typisch Marker woorden en merkt op dat de Markers de "h" niet uitspreken.

Iets uitgebreider gaat Johan Winkler op het dialect in, en wel in zijn beroemde Dialecticon uit 1874. Hij typeert het Markers als Waterlands, en veronderstelt dat het dialect is afgeleid van het Fries of Oudfries. Het Markers behield, aldus Winkler, meer dan het andere Waterlands haar Friese grondslag. Hij geeft een bijbeltekst in het Markers als voorbeeld voor het dialect.

In 1935 presenteert de toen nog beginnend taalkundige K. H. Heeroma zijn proefschrift Hollandse dialektstudies. Hierin geeft hij een beschrijving van de klankstructuur van het Marker dialect. In 1953 volgt dan de grote, alles omvattende studie van Van Ginneken, die het Markers tot een van de best beschreven dialecten van het Nederlands heeft gemaakt.

Kenmerken Doordat er zoveel onderzoek naar het Markers gedaan is, zijn de kenmerken van dit dialect tot in detail bekend. Hier zullen we enkel op opvallende kenmerken kunnen ingaan.

Marker klanken De klankleer van het Markers vertoont een aantal opvallende verschillen met het AN. Vooral bij de klinkers zijn de verschillen erg groot.

klinkers Typisch is dat in het Markers verschil wordt gemaakt tussen de korte ei en de lange ij. De laatste klinkt ongeveer als ai (blaive, taid, raik, snaie) terwijl de "ei" meestal als aa klinkt, op het woordeind echter als aai: klaan, zaal, wanig, klaai. Waar het AN een "aai" heeft heeft het Markers dan meestal weer een oai: droaie, kroaie, woaie. Opmerkelijk is naaie, "naaien", dat geen "oai" heeft en dus eigenlijk de Marker versie van het niet-bestaande "neien" is.

Er wordt weleens gezegd dat zij van Marken de ee en de aa door elkaar halen, en inderdaad klinkt de AN "ee" op Marken weleens als een aa: aand is "eend" en vlaas is "vlees". Toch zijn deze woorden uitzonderingen - wat er hier gebeurd is, is dat de AN "ee" in deze woorden een "ei" heeft opgeleverd. "Vleis" komt in heel Noord-Holland voor, en werd op Marken natuurlijk vlaas. Meestal levert de AN "ee" in het Markers een soort 'ej', waarin de 'e' lang wordt aangehouden. We schrijven deze klank gewoon als ee: breed, kleed, meest. Deze ee komt soms ook op plekken, die in het AN een "aa" kennen: schaap is scheep, avond is evend en een jaar is een jeer. "Staan" en "gaan" zijn steen en geen. Maar ook de ao komt voor: maon, paord, maoke enz. Ook: vaor voor "vader".

Veel woorden die in het AN een "oe" hebben, hebben in het Markers oo. Zo zijn daar: rope, groop, book, kook voor "roepen", "groep", "boek" en "koek". Voor d, n, t, r, l en klinkers klinkt wel oe: stoel, ontmoete, broer, bemoeie etc. De oo komt verder vrij algemeen op de plaats van AN "oo" voor: bove, lope, boog. Toon betekent "teen". Soms komt de oo ook op de plaats van een AN "ooi", bijvoorbeeld in het veelvoorkomende woord noot (nooit).

De "ui" blijft in het Markers gewoon een ui: uis is "huis" en muis is "muis". In sommige woorden klinkt de ui nog als een uu: buul (zakje, buidel), kuul (deel ve schip, kuil) en tuut (tuit) zijn voorbeelden. Verder komt de uu soms in plaats van de "ee" in "eeuw" te staan. Een "meeuw" is op Marken meestal een muuf.

Iets heel merkwaardigs gebeurt er in het Markers voor de n. De gewone "a" wordt dan een "aa" en de gewone "i" zelfs een "ai": laand, taand, daanse voor land, tand en dansen, en kaind, waind en twaintig voor kind, wind en twintig. Een verwante klank, de ei, treedt (of trad) in deze posities op in het Aalsmeers en in het Hollandse rivierengebied. De "o" verandert in een "ou": gezound, ound en round voor gezond, hond en rond. Ook het voorvoegsel "on-" levert oun- op: ounwais is "onwijs".

medeklinkers Bij de medeklinkers valt een aantal dingen op. De h wordt op Marken nooit uitgesproken. De combinatie "sch-", die op veel plaatsen in Noord-Holland als "sk-" klinkt, is in het Markers juist, net als in het AN, sch-. De "v" en de "z" klinken aan het begin van een woord meestal als f en s. Dit verschijnsel is in de omgeving zeer algemeen.

De g valt soms weg: vro is het Marker woord voor "vroeg" (tijdsbepaling). Deze g-wegval is niet regelmatig; de verleden tijd van "vragen" is ook in het Markens vroeg. Iets merkwaardigs is er aan de hand met de "w". Deze kan soms aan het woordeind tot een f worden: spruuf, ruuf, nuuf voor "spreeuw", "ruw" en "nieuw". Dit verschijnsel is vooral bekend uit het Brabants.

Marker woorden De Marker woordenschat is door Van Ginneken op een systematische manier vastgelegd: steeds werden per thema de woorden gegeven, die in het Markers voor dat thema of woordveld typisch waren. Tot in detail is zo de Marker woordenschat bekend geworden en vergeleken met het Volendams en het Monnickendams. Soms schiet de woordkennis van de Marker informanten blijkbaar tekort; bij het woordveld "Schaken" is geen enkel Marker woord opgetekend. Van Ginneken neemt aan dat het schaakspel op Marken wel nooit gespeeld zal worden, als geen van zijn informanten het kent.

De manier waarop in Marken woorden gevormd worden, wijkt nauwelijks af van de woordvorming van de andere Waterlandse dialecten, al moet de uitzonderingspositie van het Volendams natuurlijk wel in acht worden genomen; het Markers vindt meer aansluiting bij de overige Waterlandse dialecten dan bij dat van het zo nabij gelegen Volendam.

werkwoorden Typisch bij werkwoorden is vooral de tweede persoon enkelvoud: je ewwe in plaats van "jij hebt", en je binne in plaats van "jij bent". Zoals vaker is het werkwoord "zijn" (weze) behoorlijk onregelmatig. Naast je binne komt zelfs, verouderd, jai bint en ook wai bint voor. Voor "wij waren" zegt de Marker: wai wazze. Verder opvallend: "kunnen" is altijd kenne, "zullen" is selle. Ook bij kenne, selle en doen komt de meervoudsvorm op -t voor: wai kent, jullie selt, sullie doent.

De -t vormen in het Markers doen wel aan het Nedersaksisch denken. Een ander typisch Markers kenmerk dat verder in geen enkel Waterlands dialect voorkomt is de vocaalverkorting in de derde persoon enkelvoud - en ook dit kenmerk komt terug in het Nedersaksisch. "Hij loopt" is zo ai lopt (ik loop), "hij slaapt" wordt ai slept (ik sleep) etc.

Het voltooid deelwoord wordt in het Markens niet met "ge-" maar met e- gevormd: elope, edeen, eweest voor "gelopen", "gedaan" en "geweest". Het voltooid deelwoord van ewwe is echter ad, hier is de e- voor de klinker weggevallen. Van ieten (heten) is het dan ook: iete (geheten).

De verleden tijd wordt in het Markers heel vaak gevormd met een voltooid deelwoord. De onvoltooide tijd als in "ik ving" en "ik schoot" komt niet erg vaak voor: ik ew evonge, ik ew eschote. Het bijna ontbreken van onvoltooide tijden (behalve bij frequente werkwoorden als weze, doene etc.) is typisch voor Waterlandse dialecten.

persoonlijke voornaamwoorden Een bekend verschijnsel van het Markers is het voorkomen van vele "elkaar"-vormen in het dagelijks taalgebruik. Typisch is het zinnetje: jammekaor allegaor mit mekaor ete brood van ummekaor: jullie allemaal met elkaar eten brood van anderen. Zo bont maakt de Marker het niet vaak, maar feit is dat zodra een woord als sullie (zij) nadruk krijgt, het verandert in sammekaor (zij daar). jammekaor doene et, sammekaor doene et niet.

De vormen uimekoar, jammekoar, sammekoar zijn afkomstig van de voornaamwoorden uis (ons), jai (jij) en sai (zij). Uis is eigenlijk een bezittelijk voornaamwoord, normaal voor "wij" is wai. Andere bezittelijke voornaamwoorden zijn: main, jaw, zain, eur, (uis), jammekaors en ummekaors.

Bijzonder is dat het bezittelijk voornaamwoord ook als meewerkend voorwerp gebruikt kan worden, en na voorzetsels. Het meest in het oog springt dit bij het gebruik van zain op plekken waar het AN "hem" heeft. ai geeft et an zain, dit is van zain, mient-ie zain? ("bedoelt hij hem") etc. Ook: ai geeft et an main, ik geef et an jaw, jai geve et an ummekaor. Zoals in veel Noord-Hollandse dialecten komt de AN-vorm "het mijne", "het jouwe" niet in het Markers voor. Men zegt er maines, jawes etc. En dan natuurlijk: jammekaors.

Het wederkerend voornaamwoord is in het AN natuurlijk "zich", maar dat woord komt in de Hollandse dialecten oorspronkelijk niet voor. Bekend uit onder andere het Amsterdams is het gebruik om "zichzelf" uit te drukken als "zijn eigen". Dit komt in heel Noord-Holland voor, maar niet op Marken. Het Markers lijkt in dezen wel op het Engels: "zichzelf" vertaalt men er als emsellef (Eng. himself). Zinnen als "hij wast zich" en "zij wassen zich" worden in het Markens: ai west em en sammekaor weske der.

zelfstandige naamwoorden Zelfstandige naamwoorden kunnen in het enkelvoud en in het meervoud voorkomen. Het Markers behoudt een aantal merkwaardige meervoudsvormen, waarvan sommige algemeen Waterlands of zelfs Noord-Hollands zijn, maar anderen toch echt heel typisch Markers. Een voorbeeld voor de laatste groep zijn woorden als dook en kook (doek en koek). Vanouds hebben zij op Marken geen onderscheiden meervoudsvorm: twee dook staat voor "twee doeken". Typisch Markers is ook het meervoud fende van "vent". Men zou "vent" in het Markers dus moeten vertalen als fend. Het Marker woord kaind (kind) heeft een onregelmatig meervoud: kaiere. Het woord aai (ei) heeft, naast een gewoon meervoud aaiere ook de tussenvorm aare.

Verder opvallend zijn een aantal meervouden op -s: maot-maos, knecht-knechs, ui-uies, seun-seuns, neef-neefs en meer regelmatig bij woorden op -ing: ketting-kettings, tweeling-tweelings ea. Direct afgeleid van deze groep is de groep meervouden op -se: zij zijn een stapelvorm van een meervoud op -s gevolgd door een meervoud op -e. Voorbeelden zijn: maad-maase (meid) en knie-kniese. De andere meervouden, op -e, zijn zoals in het AN: schip-schepe, dak-daoke, and-ande, star-starre, bien-biene voor de Marker woorden voor schip, dak, hand, ster en been.

De verkleinvormen komen in het Markers meer met het AN overeen dan in de meeste Noord-Hollandse dialecten. Waar men in veel plaatsen van Noord-Holland "mantje" en "boltje" hoort zeggen, kent Marken gewoon mannetje en bolletje. Vormen op -ke, die in heel Noord-Holland in bepaalde woorden voorkomen, kent het Markers evenmin. Het Markers sluit wel bij de overige Noord-Hollandse dialecten aan met de vormen op -ie: kist-kissie, waif-waifie, ok-okkie. Bijzonder zijn: slee-sleesie, knie-kniesie. Deze vormen laten zich naar hun meervoud op "-se" verklaren.

bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden De verbuiging van de bijvoeglijke naamwoorden is op Marken niet veel anders dan in het AN. Afwijkend is ze alleen bij stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden; waar deze zich in het AN niet verbuigen (gouden blijft gouden), daar doen zij dat in het Markers wel: een gouwe ring, een gouw orlosie, een ketoen emd, een stien uis etc.

Bij bijwoorden vallen een aantal dingen op. Opvallend is het voorkomen van bijwoorden met een e- als voorvoegsel: ai is eweg, nag elange nie, et is echt ewaor. Bij de bijwoorden vinden we ook, anders dan bij de zelfstandige naamwoorden, een verkleining op -ke en wel in het woord noukes ("nou eventjes").

lidwoorden