Hommels (Bombus) zijn een geslacht van insecten die behoren tot de familie Apidae. Er zijn wereldwijd ongeveer 250 soorten hommels die van nature voorkomen in Europa, Noord-Afrika, Azië, Noord- en Zuid-Amerika. Verschillende Europese hommelsoorten zijn door de mens geïntroduceerd in Nieuw-Zeeland en Tasmanië. Volgens een entomologische inventarisatie komen in België en Nederland samen ongeveer dertig verschillende soorten voor, waarvan enkele zeldzaam en uitstervende zijn.
De meeste hommels zijn sociale insecten die in kolonies leven met een enkele koningin. Deze kolonies zijn vele malen kleiner dan die van honingbijen, en bereiken een grootte van vijftig tot enkele honderden individuen per nest. Hommels hebben een rond lichaam dat bedekt is met een zachte vacht van setae, wat hen een donzig uiterlijk geeft. Om predatoren af te schrikken hebben ze een aposematische kleuring, bestaande uit afwisselende kleurenbanden.
Net als bijen en wespen voeden hommels zich met nectar uit bloemen; ze gebruiken hun lange, uitrolbare tongen om de nectar uit de bloem op te zuigen. De nectar wordt verzameld en opgeslagen in het nest. Sommige hommelsoorten maken een gat rond de basis van een bloem om zo gemakkelijker toegang te krijgen tot de nectar, waarbij pollenoverdracht wordt vermeden. Hommels zijn belangrijke bestuivers voor de landbouw, maar nemen in Europa, Noord-Amerika en Azië in aantal sterk af. Deze achteruitgang wordt veroorzaakt door het kleiner worden van hun habitats, mechanisering van de landbouw en overmatig gebruik van pesticiden.
Inleiding De hommel komt vooral voor in gematigde klimaten. De hommel is aangepast aan lagere omgevingstemperaturen door zijn relatief grote lichaam, dat zowel langbehaard als dichtbehaard is, waardoor de lichaamswarmte goed wordt vastgehouden. Hommels kunnen hierdoor zelfs op de arctische toendra en in het hooggebergte leven, waar ze vaak de enige vertegenwoordigers van de bijen zijn. Er zijn echter ook soorten die in tropische laaglanden voorkomen. Het hommelnest blijft in de regel kleiner dan dat van andere sociale vliesvleugeligen. De nesten zijn wat rommeliger dan die van bijen en bestaan uit ronde, tonvormige cellen.
Er zijn meerdere groepen hommels; de bekendste zijn de sociale soorten die, net als andere vliesvleugeligen zoals mieren, bijen en wespen, een kolonie (nest) vormen. Er zijn ook hommelsoorten die zelf geen nest maken, maar hun eitjes in het nest van andere soorten leggen. Deze soorten, worden, naar analogie van vergelijkbaar gedrag van de koekoek, koekoekshommels genoemd. Koekoekshommels missen de stuifmeelkorfjes die andere hommelsoorten wel hebben. De koekoekshommels worden tegenwoordig gezien als een van de ondergeslachten van het geslacht 'hommels'. Hommelsoorten uit andere ondergeslachten zullen echter nooit het parasitaire gedrag van de koekoekshommels vertonen.
Taxonomie en naamgeving thumb|220px|Pierre André Latreille, een Frans entomoloog en pionier op het gebied van hommeltaxonomie. Het Nederlandstalige 'hommel' is afgeleid van Nederduits Hummel, dat 'zoemer' betekent. De Franse naam bourdon, verwijst naar de analogie met het zoemende geluid van de bourdon, een muziekinstrument. Het Engelse bumble-bee, 'lompe bij' verwijst naar de, op het eerste gezicht, onhandig aandoende manier van vliegen.
De hommels worden als een van de vele geslachten binnen de bijen gezien, waarbij de verschillende groepen hommels als evenzovele ondergeslachten worden erkend, subgroepen die verschillen qua uiterlijke kenmerken en qua verspreidingsgebied. Zie voor een overzicht van alle bekende soorten hommels de lijst van hommels.
De wetenschappelijke naam Bombus is afgeleid van het Griekse βόμβος (bómbos): 'gebrom, gezoem'. De groep van de hommels werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Pierre André Latreille in 1802. Hommels werden in de taxonomie ooit als een aparte familie binnen de bijen gezien, de groep werd toen Bombides genoemd, later Bombidae.
De koekoekshommels werden lange tijd als een apart geslacht, Psithyrus, van hommels beschouwd. Inmiddels wordt er minder onderscheid gemaakt, en taxonomen zoals de Hymenoptera-specialist Charles D. Michener rekenen alle hommels tot het geslacht Bombus. De wetenschappelijke naam van bijvoorbeeld de gewone koekoekshommel is hierdoor niet langer Bombus campestris maar Bombus (Psithyrus) campestris.
De bioloog Cameron en zijn collega's publiceerden in 2007 een onderzoek waarin de hommels in 42 verschillende ondergeslachten werden verdeeld. Andere biologen hadden daar kritiek op omdat het aantal veel te groot zou zijn. Zij stelden een onderverdeling voor in vijftien ondergeslachten. Deze indeling is hieronder weergegeven in een cladogram.
thumb|De late hommel (Bombus soroeensis) is de enige soort uit de geslachtengroep Kallobombus.
Voor de soortenlijst zie: Lijst van hommels.
Verspreiding en habitat thumb|Wereldwijde verspreiding van hommels, aangegeven in het rood.
Hommels worden beschouwd als langharige bijen, die door hun dichte beharing beter zijn aangepast aan het leven in relatief koelere klimaten. De hommel kan daarnaast zelf zijn lichaamstemperatuur verhogen, door het trillen van de borstspieren, zonder dat de vleugels meebewegen. Hij kan zo een lichaamstemperatuur van 30 °C tot 32 °C handhaven. De koningin vliegt al bij een buitentemperatuur van 2 °C, de werksters bij 6 °C. Voor andere bijen zijn dergelijke temperaturen veel te laag om zich buiten het nest te begeven.
Hommels komen voor in alle delen van Noord- en Zuid-Amerika, geheel Europa en vrijwel geheel Azië, uitgezonderd delen van Pakistan en zuidelijk India. Ook in delen van uiterst zuidoostelijk Azië zoals het eiland Nieuw-Guinea komen geen hommelsoorten voor. Op het Arabisch Schiereiland komen alleen soorten voor in het noordelijke deel. In Afrika komen geen hommels voor, uitgezonderd in de uiterste noordwestelijke strook langs de Middellandse Zee, in het noorden van Marokko, delen van Tunesië, uiterst noordelijk Algerije en delen van uiterst noordwestelijk Libië. In Australië komen in het geheel geen hommels voor. Van de ongeveer 250 soorten komen er ongeveer 70 voor in Europa, waarvan ongeveer een kwart wordt bedreigd.
In Nederland thumb|De boloog (Bombus confusus) is in Nederland voor het laatst gezien in 1942.
In Nederland komen 31 verschillende soorten hommels voor, waarvan enkele nog niet worden beschouwd als gevestigd.
Sommige soorten zijn sterk in aantal achteruit gegaan, zoals de gele hommel (Bombus distinguendus). Van andere soorten is niet goed bekend hoe het met ze gaat, zoals de heidehommel (Bombus humilis), die moeilijk is te inventariseren. In Nederland zijn verschillende soorten al lange tijd niet meer waargenomen en worden beschouwd als uitgestorven. Voorbeelden zijn de soorten (met jaar van laatste waarneming): boloog (Bombus confusus, 1942), de Limburgse hommel (Bombus pomorum, 1948) en de waddenhommel (Bombus cullumanus, 1953).
Sommige hommels zijn eenvoudig van elkaar te onderscheiden, veel soorten kennen echter overlappende variaties of kleurpatronen. Deze zijn lastig op naam te brengen; zo zijn de verschillende soorten van de aardhommel-groep moeilijk uit elkaar te houden. In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de meest voorkomende soorten in België en Nederland opgenomen. De opgegeven maten betreffen steeds de lengte van respectievelijk een koningin, een werkster en een mannetje.
Uitklapbare tabel van de meest voorkomende hommelsoorten in België en Nederland Naam Afbeeldingen en informatie Aardhommel Bombus terrestris(Linnaeus, 1758) BoomhommelBombus hypnorum(Linnaeus, 1758) SteenhommelBombus lapidarius(Linnaeus, 1758) AkkerhommelBombus pascuorum(Scopoli, 1763) Tuinhommel Bombus hortorum(Linnaeus, 1761) WeidehommelBombus pratorum(Illiger, 1806) HeidehommelBombus humilis(Illiger, 1806) Gewone koekoekshommelBombus campestris(Panzer, 1801) GrashommelBombus ruderarius(Müller, 1776) VeldhommelBombus lucorum(Linnaeus, 1761) Grote veldhommelBombus magnus(Vogt, 1911)
In 1988 werd duidelijk dat hommels zeer geschikt blijken voor de bestuiving van met name tomaten in kassen. In enkele jaren tijd daarna hebben enkele gespecialiseerde bedrijven de teelt van hommelvolken ten behoeve van dit doel verder ontwikkeld. Daarbij werd gebruik gemaakt van kennis die werd opgedaan bij onderzoek op de Ambrosiushoeve te Hilvarenbeek en ander wetenschappelijk onderzoek dat ongeveer sinds 1900 heeft plaatsgevonden. {aut|Ing. Ch.C.Smeekens} Het telen van hommels, uitg. Stichting Landelijk Proefbedrijf voor insektenbestuiving en bijenhouderij ¨Ambrosiushoeve¨/ Research Centre for Insect Pollination and Beekeeping, Hilvarenbeek, 1996
Uiterlijke kenmerken Een hommel lijkt anatomisch veel op een bij, maar heeft meer beharing die bovendien langer is. Daarnaast wordt een hommel gemiddeld een stuk groter dan een bij.
Hommels zijn sterk behaard met lange haren over het gehele lichaam, en met name op het achterlijf. De lichaamsbeharing is in beginsel zwart maar vrijwel alle hommels hebben duidelijke banden van gekleurde haren op het lichaam. De delen met gekleurde haren zijn ringvormig (gebandeerd) en niet in de lengterichting gelegen. Hommels hebben een soortspecifieke kleurencombinatie van dergelijke haren. De steenhommel heeft een vrij simpele configuratie; een zwart lichaam met een oranje achterlijfspunt. De aardhommel heeft een complexere tekening; het lichaam is zwart met een witte achterlijfspunt. De haren aan de voorzijde van het borststuk en die aan de voorzijde van het achterlijf zijn echter geel van kleur. Ondanks de vaak sterk contrasterende kleurenbanden op het lichaam kennen veel soorten verschillende kleurvormen met een overlap of variaties, waardoor determinatie niet altijd gemakkelijk is. De kleuren van hommels hebben te lijden onder uv-straling en in zonnige zomers komen veel lichtere exemplaren voor dan in zomers met veel bewolkte dagen.
Kop thumb|Kop van de hommel Bombus auricomus. De ogen van hommels zijn langwerpig van vorm en meestal zwart van kleur. De randen van de ogen raken elkaar nooit, ook niet bij de mannetjes zoals van andere insecten bekend is. Hommels zien net zoals andere bijen kleuren anders dan de mens. Ze zien geen rode kleuren, maar wel de kleuren in het ultraviolette deel van het licht (uv-licht). Veelal weerkaatsen de zogenaamde honingmerken in bloemen uv-licht, waardoor ze voor hommels goed zichtbaar zijn. Een bloem ziet er door deze ultraviolette kleuren voor een hommel uit als een soort landingsbaan.
Boven de ogen zijn op het midden van de kop drie kleine puntoogjes gelegen, die uit een enkele lens bestaan. Deze puntoogjes komen voor bij alle vliesvleugeligen en worden de ocelli genoemd. Ze hebben een ondergeschikte visuele functie en kunnen alleen grove lichtverschuivingen waarnemen. Bij de meeste vliesvleugeligen zijn de puntogen in een driehoek gelegen, twee aan de zijkant en één in het midden boven de andere twee. Als men van het linkeroogje een lijn zou trekken naar het bovenste oogje en vervolgens naar het rechteroogje krijgt men een lijn met een scherpe hoek te zien (ʌ). Bij alle hommels is deze hoek echter zo stomp dat de oogjes bijna naast elkaar zijn gepositioneerd.
In tegenstelling tot de bij heeft de hommel ook stevige kaken; deze worden alleen gebruikt om bloemen stuk te knippen om bij de nectar te komen. De kaken worden dus niet gebruikt om vijanden aan te vallen en te bijten. De antennes van een hommel zijn zwart en bestaan altijd uit twaalf of dertien geledingen, afhankelijk van het geslacht. Mannetjes hebben altijd dertien geledingen en vrouwtjes hebben er altijd twaalf.
Borststuk thumb|Een rustende hommel poetst zijn antennes. De stuifmeelklompjes zijn duidelijk zichtbaar. thumb|