Amphicoelias is een geslacht van plantenetende sauropode dinosauriërs, dat tijdens het Late Jura (Tithonien-Kimmeridgien, ongeveer 150 miljoen jaar geleden) heeft geleefd in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

In het geslacht zijn in 1878 drie soorten benoemd: Amphicoelias altus, Amphicoelias latus en Amphicoelias fragillimus. A. fragillimus is vaak gezien als de grootste dinosauriër (en daarmee landdier) die ooit bestaan heeft. In 2018 werd dit het aparte geslacht Maraapunisaurus waarbij de geschatte grootte flink naar beneden werd bijgesteld. Het meeste dat in de literatuur over Amphicoelias te lezen valt, gaat in feite om Maraapunisaurus. De hernoeming is alleen geldig als A. fragillimus niet hetzelfde dier is als A. altus maar veel wetenschappers denken dat dit wel zo is.

Van alle drie de soorten is maar een klein aantal botten gevonden, in de directe omgeving van elkaar. Dat maakt het lastig om ze van elkaar en van andere dinosauriërs te onderscheiden. Het ging in ieder geval om forse, wellicht gigantische, dieren. Ze hadden ook een hoge rugkam. Het is omstreden tot welke deelgroep van de sauropoden ze precies behoorden maar in wat ruimere zin waren Amphicoelias altus en Amphicoelias fragillimus vermoedelijk Diplodocoidea. A. latus kan een synoniem geweest zijn van Camarasaurus waarvan ook botten op de vindplaats werden aangetroffen.

Vondst en naamgeving In Fremont County, Colorado, werden in 1877 door Aaron Ripley in Quarry XII botten gevonden van een grote sauropode. Ze werden opgegraven door verzamelaar Oramel William Lucas, de jongere broer van Ripleys echtgenote Lucy Lucas Ripley. De eerste botten van de sauropode werden op 21 oktober 1877 verzonden naar Dr Cope. left|thumb|upright|Cope in 1881 thumb|upright|left|Een tekening van de gevonden botten van Amphicoelias uit 1884 Het holotype van Amphicoelias altus werd op 10 december 1877 door paleontoloog Edward Drinker Cope voor de eerste keer beschreven. De beschrijving werd echter pas in 1878 gepubliceerd. Het bestaat uit twee ruggenwervels, vermoedelijk de zesde en tiende, een linker os pubis (schaambeen) en een rechterfemur (dijbeen). Cope gaf aan dat er "talrijke" verdere wervels op de vindplaats aanwezig waren maar daar wordt in latere publicaties geen melding meer van gemaakt. Cope benoemde ook een tweede soort, A. latus, "de brede" wegens de robuuste bouw, in hetzelfde artikel. Dat was gebaseerd op een rechterdijbeen en vier staartwervels. A. altus wordt meestal gezien als de typesoort van het geslacht. In 1878 beschreef Cope de wervel (en misschien een dijbeenfragment), holotype AMNH 5777, van een derde soort, die hij A. fragillimus noemde. De wervel was erg groot, maar ook in een erg slechte toestand. Lucas verpakte de wervel en stuurde hem naar Philadelphia.

Na Copes dood in 1897 werd zijn collectie verkocht aan het American Museum of Natural History. Het typespecimen van A. altus kreeg daar het inventarisnummer AMNH 5764 en dat van A. latus het nummer AMNH 5765. Het holotype van A. fragillimus bleek echter onvindbaar. Het enige dat bekend is van A. fragillimus, wordt zo beperkt tot een schets van Cope en zijn beschrijving ervan. Het is gesuggereerd dat de wervel is verpulverd tijdens de reis naar Philadelphia. Dat is echter onwaarschijnlijk omdat Cope de schets pas na ontvangst gemaakt kan hebben. Meer voor de hand ligt dat het stuk later is afgedankt. Omdat er aldus geen direct bewijs is voor het bestaan van A. fragillimus en Cope toentertijd een privéoorlog voerde — de zogenaamde Bone Wars — met collega Othniel Charles Marsh over de vraag wie de meest spectaculaire fossielen kon beschrijven, wordt tegenwoordig de echtheid ervan door sommige onderzoekers betwijfeld. Terwijl Cope nog leefde, werd er echter door niemand twijfel geuit, zelfs door de uiterst kritische Marsh niet.

Mocht de vondst echter authentiek zijn, dan was Amphicoelias fragillimus waarlijk gigantisch. Kenneth Carpenter schatte in 2006 de heuphoogte op 9,25 meter, zo hoog als een huis, en de lengte op 58 meter. Daarmee zou Amphicoelias fragillimus de grootste dinosauriër zijn die tot nu toe gevonden is en daarmee het grootste landdier. In 2018 benoemde Carpenter voor de soort het aparte geslacht Maraapunisaurus. Dat kan alleen geldig gebeuren als A. altus en A. fragillimus niet identiek zijn maar dat is wat veel paleontologen juist wel denken. thumb|Drie skeletten, "Apollonia", "Prince" en "Twinky", van "Amphicoelias brontodiplodocus", een ongeldige soort In 1919/1921 publiceerden Henry Fairfield Osborn en Charles Craig Mook een studie over de sauropode fossielen van het AMNH. Daarin stelden ze dat A. fragillimus een jonger synoniem was van Amphicoelias altus, een hypothese die sinds 1921 door veel onderzoekers aanvaard is. Ze hadden in de collectie van Cope nog wat beenderen gevonden waarvan ze dachten dat die bij het holotype van A. altus hoorden. Het ging om een linkerschoudergordel, een rechterellepijp, een onderste uiteinde van een dijbeen en een tand. Daarentegen bleek het dijbeen van A. latus zoek. Osborn en Craig meenden dat A. latus materiaal was van Camarasaurus supremus.

In 1996 werd aanvullend materiaal, van zowel de schedel als het postcraniaal skelet, van Amphicoelias gemeld. De identificatie berustte voornamelijk op de ronde dwarsdoorsnede van het dijbeen. Deze vondsten zijn daarna echter niet beschreven.

In 2007 stelde John Foster dat Diplodocus identiek was aan Amphicoelias. Indien dat klopt, heeft Amphicoelias prioriteit. Andere onderzoekers aanvaarden dit echter niet.

In 2010 werd door Harry Galiano and Raimund Albersdörfer nog een soort benoemd: Amphicoelias brontodiplodocus. De soortaanduiding verwijst naar het vermeende bezit van kenmerken die zowel bij Brontosaurus als bij Diplodocus voorkomen. De benoeming vond in september plaats in een artikel dat alleen elektronisch beschikbaar was. Dat maakt de naam een ongeldige nomen non rite publicatum. In december 2010 werd wel een gedrukte versie uitgegeven maar daarin werd de naam tussen aanhalingstekens alleen onder voorbehoud gegeven met de vermelding dat het niet in de bedoeling lag een taxonomisch geldige naam te publiceren. Een dergelijk voorbehoud maakt de naam ongeldig. Het "holotype" is DQ-BS, een gedeeltelijk skelet uit de Danagroeve, bij Ten Sleep, Washakie County, Wyoming. In de groeve zijn nog twee of drie zulke skeletten gevonden, van onvolgroeide dieren. Afgezien van de naamgevingsperikelen wordt deze soort door paleontologen meestal niet al te serieus genomen. De skeletten zijn commercieel geborgen en de pretentie dat ze een nog onbekende soort vertegenwoordigen drijft hun prijs op. Overigens gaat het om fossiel materiaal van hoge kwaliteit en ook grote wetenschappelijke waarde. In 2014 werd een van de skeletten, "Sleeping Beauty", verkocht naar Dubai. Ze werden toen gezien als exemplaren van Diplodocus longus, het materiaal van welke soort wel ondergebracht wordt bij Seismosaurus. Dat week overigens maar weinig af van de positie die het artikel uit 2010 innam: dat meende namelijk dat Diplodocus carnegii een jonger synoniem was van Amphicoelias altus en dat de genera Diplodocus, Eobrontosaurus en Suuwassea jongere synoniemen waren van het genus Amphicoelias. Dat leverde zelfs een vijfde soort op: Suuwassea emilieae werd hernoemd tot Amphicoelias emilieae. Ook die laatste soort is dus weer niet geldig.

In 2015 stelden John Forster en Carry Woodruff dat Amphicoelias een nomen oblitum was, een naam die ongeldig is omdat hij lange tijd niet is gebruikt. Dat zou het mogelijk maken Amphicoelias bij Diplodocus onder te brengen als een Diplodocus altus. Het probleem bij deze oplossing is dat de naam Amphicoelias wel degelijk gebruikt is. Bij een identiteit zou de naam Amphicoelias prioriteit hebben.

In 2015 stelden Tschopp en Mateus dat A. fragillimus een nomen dubium was, echter zonder exacte analyse: het oordeel was een excuus deze analyse niet uit te voeren.

In 2021 concludeerde een studie door Philip Mannion dat Amphicoelias altus toch een geldige soort was. Bij het holotype zou niet het linkerschaambeen maar het rechterschaambeen bewaard zijn. Het holotype zou van een volwassen exemplaar zijn.

Etymologie De geslachtsnaam Amphicoelias komt van het Grieks amphi, "aan beide kanten", en koilos, "hol", en betekent dus ongeveer "aan beide kanten hol", de toestand van de uiteinden van het wervellichaam. De soortaanduiding altus is Latijn voor "hoog", latus voor "breed" en fragillimus is het fout gespelde fragilissimus, "uiterst breekbaar".

Beschrijving Grootte left|thumb|450px|De grootte van Amphicoelias fragillimus volgens Carpenter A. altus was ongeveer vier meter hoog op de heup, twintig tot vijfentwintig meter lang en wellicht twintig ton zwaar. Het dijbeen van deze soort heeft een lengte van minstens 152 centimeter. Het is vrij slank of althans langwerpig wat op een wat lager gewicht dan twintig ton zou kunnen duiden. Cope gaf ook een dijbeenlengte voor A. latus: 140 centimeter. thumb|Het holotype van A. altus A. fragillimus zou ongeveer veertig tot zestig meter lang geweest zijn en ongeveer 120 ton gewogen hebben. Deze getallen werden bereikt door extrapolatie vanuit het anderhalve meter hoge wervelfragment, waarbij de onbeschadigde hoogte op 2,7 meter geschat werd, en door een vergelijking met andere gelijkaardige sauropoden. In zijn oorspronkelijke rapport schatte Cope de hoogte van A. fragillimus door de hoogte van zijn, in feite niet gevonden, femur (bovenbeenbot) te schatten. Hij had gemerkt dat dit bot bij andere sauropoden, met name A. altus en Camarasaurus supremus, altijd dubbel zo hoog was als de hoogste dorsale wervel. Daarmee zou het femur van A. fragillimus ongeveer 3,7 meter hoog zijn.

In 1994 schatte Gregory S. Paul de lengte van het femur op 3,1 tot 4 meter, door de botten van Amphicoelias te vergelijken met die van Diplodocus, door hem gezien als een aan A. fragillimus verwante diplodocide.

In 2006 schatte Carpenter de lengte op achtenvijftig meter.

In 2014 stelde Carry Woodruff dat Cope een schrijffout had gemaakt, 1500 voor 1050, waardoor de lengte een derde te hoog zou zijn vermeld.

In 2018 schatte Carpenter de lengte op dertig tot tweeëndertig meter. Dat kwam voort uit zijn stelling dat A. fragillimus een lid was van de Rebbachisauridae waarvoor hij het aparte geslacht Maraapunisaurus benoemde.

Onderscheidende kenmerken Cope beklemtoonde sterk het amficoele karakter van de wervels, hol aan beide zijden. Volgens Cope toonden ook de staartwervels van A. latus de opvallende amficoele bouw. Marsh gaf al in 1881 de kritiek dat zulke wervels in de heupregio bij sauropoden algemeen zijn. Toch bleek dat achteraf wat ingewikkelder te liggen.

De analyse uit 2015 van Tschopp en Mateus vond geen zuivere autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, voor A. altus. Deze soort kon echter van de meeste diplodocide exemplaren, met uitzondering van specimen USNM 10865, onderscheiden worden door het bezit van een slank dijbeen. Van speciaal de Apatosaurinae wijkt de soort af door voorwaarts geplaatste parapofysen; door doornuitsteeksels die taps naar boven toelopen (slechts gedeeld met het holotype van Eobrontosaurus); en achterste gewrichtsuitsteeksels die vrijwel horizontaal staan zodat ze een brede hoek maken. De soort wijkt af van speciaal de Diplodocinae door de ronde, in plaats van afgeplatte, dwarsdoorsnede van het dijbeen. Dit laatste kenmerk wordt binnen de Diplodocoidea slechts gedeeld met specimen CM 566 en Dicraeosaurus. Verder zijn er nog drie kenmerken die slechts met een klein aantal diplodocine specimina gedeeld worden. De achterste ruggenwervels zijn amficoel, slechts gedeeld met specimen SMA 0087. De uitholling tussen de parapofyse en de richel tussen het wervellichaam en het zijuitsteeksel opent naar onderen toe en is relatief ondiep, slechts gedeeld met een specimen van Galeamopus, SMA 0011. Bij de achterste ruggenwervels zijn de bases van de wervelbogen langer dan breed, ook weer gedeeld met SMA 0011.