Etniciteit is in de antropologie de sociaal-culturele identiteit van een bevolkingsgroep of volk. Deze identiteit kan ontleend worden aan factoren als een gedeelde nationaliteit, overeenkomsten in verwantschap, religie en taal, gedeelde fysieke kenmerken, een gezamenlijke geschiedenis, en de gedeelde normen en waarden die uit genoemde factoren voortvloeien.
Een gemeenschappelijk erfgoed (politiek, gebruiken, religie) en de daarop gebaseerde solidariteitsbeleving vormen de etniciteit van een bevolkingsgroep. 'Ethniciteit' komt van Grieks ethnikos, behorende tot een ethnos (volk).
Definities van etniciteit Etnische zelfdefinities beklemtonen zowel het uitsluitende onderscheid met andere groepen, als de verbindende, interne overeenkomsten binnen de eigen groep. Etniciteit geeft daarom ook, vaak impliciet, aan wat men niet wil zijn. Alleen zeer geïsoleerde en inmiddels nauwelijks meer voorkomende etniciteiten definiëren zichzelf als vanzelfsprekend, zonder zich daarbij af te zetten tegenover een buitenwereld van andere etniciteiten of nationaliteiten.
Etniciteit is een ingebeelde gemeenschap, wat gepaard gaat met enige mythevorming die aangeboren kenmerken veronderstelt. (1985): Ethnic Groups in Conflict, University of California Press."Ethnicity is based on a myth of collective ancestry, which usually carries with it traits believed to be innate. Some notion of ascription, however diluted, and affinity deriving from it are inseparable from the concept of ethnicity."
Eind twintigste eeuw is het statisch definiëren van etnische groepen of etniciteiten, op basis van onderscheidende culturele eigenschappen in onbruik geraakt. Er wordt sindsdien meer de nadruk gelegd op de dynamische relaties tussen etnische groepen (inter-group relations), en de etnische grenzen die door de verschillende etnische groepen ervaren en gehanteerd worden (ethnic boundaries: verschillen tussen 'wij' en 'zij'). Verschillen tussen etnische groepen zijn namelijk soms moeilijk te herleiden tot culturele kenmerken, omdat etnische groepen elkaar altijd wederzijds beïnvloeden (acculturatie).
Etniciteit in taal, religie en ras Als regel heeft iedere etniciteit een eigen taal als gemeenschappelijk medium en identiteitskenmerk ontwikkeld, hoewel een al bestaande gemeenschappelijke taal ook juist als uitgangspunt voor de vorming van etnische identiteit kan hebben gediend. Soms onderscheidt een etniciteit zich primair door religie en is deze de bron dan wel de uitkomst van etnische identiteitsvorming. In de westerse moderne tijd zijn de Ieren een voorbeeld die tegelijk met het verlaten van hun eigen Ierse taal en hun keuze voor het Engels, hun rooms-katholieke religie voor hun identiteit bepalend lieten worden. Voor Joden was het Hebreeuws een theologisch en symbolisch medium maar geen communicatiemedium in het dagelijks leven van de gemeenschap, die of Jiddisch of Ladino sprak en in de moderne tijd in toenemende mate de nationale staatstaal. Het komt ook voor dat bepaalde sociale en beroepsgroepen zich als etniciteit hebben ontwikkeld, of andersom dat bepaalde etniciteiten vanuit specifieke beroepsgroepen of sociale lagen ontstonden. Zo kan ook een ras bepalend zijn geworden voor etniciteit, maar dan als afgeleide, namelijk door selectie binnen de groep, en zelden als oorzaak van het ontstaan van de groep. Ras kan zowel in metafysische zin, zoals in het geval van de Joden, als in objectief-fysische zin, zoals in het geval van negroïden en gekleurden in de westerse wereld, bepalend worden. Ten slotte kunnen deze kenmerken, en dan elkaar versterkend, tegelijk voorkomen. De componenten van racisme en etniciteit verhouden zich in een relatie van dynamische spanning. De begrippen etniciteit en nationaliteit liggen in elkaars verlengde en veel negentiende-eeuwse etniciteiten hebben zich politiek geëmancipeerd tot natie, dat wil zeggen nationaliteiten met een soevereine staat als politiek en cultureel tehuis.
Het is in Nederland gebruikelijk om de reikwijdte van het begrip etnisch als een administratieve categorie te beperken tot de identiteit van immigranten en hun nakomelingen uit de voormalige Afrikaanse en Aziatische kolonies. Daarmee is het begrip etniciteit bureaucratisch versmald tot van oorsprong buitenlander afkomstig uit de niet-westerse wereld en wijkt het begrip af van de betekenissen die buiten Nederland gelden. De wetenschappelijke waarde van een begrip met zoveel variatie is gering en het gebruik ervan vereist telkens opnieuw een nadere definiëring om geen verwarring te scheppen. Inmiddels is deze definitie niet meer exclusief in gebruik maar heeft zich een nieuwe definitie aangediend in het koppelbegrip etnisch nationalisme dat een vorm van nationalisme wil aangeven die zich niet primair op staatsburgerschap maar op volksgemeenschap baseert en daarmee de nationale grenzen relativeert. Overigens heeft etnisch nationalisme recent een negatieve klank gekregen als een rechtsgrond op basis van de eigen volksgroep met uitsluiting van degenen die daar niet toe behoren. Het begrip etnisch is dus dynamisch en veranderlijk en moet kritisch geïnterpreteerd worden in de tijd waarin het werd en wordt gebruikt.
Relatie met nationaliteit Nationaliteit en etniciteit komen vaak overeen en worden daarom vaak verward, maar beide concepten hebben toch een duidelijk verschil. Ze zijn het beste te begrijpen als op elkaar aansluitende dus gefaseerde begrippen. Nationalisme was een beweging die in de negentiende eeuw opkwam en werd geleid door een intellectuele elite. Voor haar was de moderne nationaliteit de basis van een modern staatsburgerschap. Zij wilden de verschillende culturen of etniciteiten en de verschillende sociale lagen binnen de staatsgemeenschap verbroederen en homogeniteit bewerkstelligen met het verspreiden van één (nationale) standaardtaal en één historische identiteit. Op grond daarvan zouden zich vervolgens onderlinge herkenning en solidariteit kunnen ontwikkelen als voorwaarden voor een democratische, uitdrukkelijk nationale, rechtsstaat. In wezen was het de dominante etniciteit binnen de staat die zich tot die overkoepelende nationaliteit ontwikkelde waarin vervolgens andere etniciteiten geabsorbeerd werden.
Frankrijk De ontwikkeling van de heterogene bevolking van Frankrijk tot la grande nation is daarvan het voorbeeld. Vanuit het Île-de-France werden de regio’s vanaf de vijftiende eeuw in één staatkundig verband - niet zonder dwang en geweld - geharmoniseerd. In dit grotere Frankrijk vond eerst een adellijke elite elkaar, en vervolgens kwam in achttiende eeuw een burgerlijke nationale elite naar voren die de adel onttroonde en in de Franse Revolutie de Fransman schiep als de citoyen: de bewuste staatsburger die in een gelijkwaardige positie aan het politieke proces van de staat ging nemen. Deze Fransman werd zelfs als universeel model gezien voor de politiek geëmancipeerde individu en de Franse revolutionairen beschouwden daarom alle mede-revolutionairen in de buurlanden in die zin ook als Fransen en in de verovering van de naburige staten zagen zij daarom geen bezetting, maar een bevrijding. Dit Franse universalisme was dubbelzinnig en kon daarom geen stand houden en de democratische emancipatie zou in de negentiende eeuw in elke Europese staat een eigen nationaal programma gaan volgen.
Midden-Europa In 1919, na de Eerste Wereldoorlog en de ontbinding van de multinationale staten, met name het Oostenrijks-Hongaarse rijk, kregen de nationaliteiten in Midden-Europa een eigen staat en werden zij staatsnaties die het succesvolle programma van het ontstaan van de Franse natie en vervolgens van de andere West-Europese staten gingen navolgen, maar dat leidde voorlopig tot een veelvoud van elkaar uitsluitende en bestrijdende nationalismen en was mede een oorzaak van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De nieuwe nationale staten kregen niet de tijd om de verschillende etnische componenten in een vreedzaam proces op te nemen in de ene natie maar pasten onderdrukking en geweld toe om ze daartoe te dwingen. Na 1945 streefden de bevrijde staten ernaar om etniciteiten die zich nationaal niet wilden laten assimileren in die ene en staatseenheid garanderende staatsnatie te verwijderen van hun staatsgebied: enkele tientallen miljoenen Midden- en Oost-Europeanen werden toen etnisch dan wel nationaal gezuiverd door ze over de nationale staatsgrenzen te drijven. Daaronder bevonden zich circa 15 miljoen Duitsers en Duitstaligen en 2,5 miljoen Polen.
Een voorbeeld waarbij het Franse model mislukte is Hongarije. Het Habsburgse Koninkrijk Hongarije slaagde er in de negentiende eeuw in om zowel etnische Hongaren (Magyaren) als Szeklers (een bevolkingsgroep in Transsylvanië sinds 1920 deel van de Hongaarse minderheid in Roemenië) tot één moderne natie te hervormen. Maar dat betrof dan niet meer dan de helft van de totale staatsbevolking. Deze natie stond open voor alle staatsburgers die zich aan de Hongaarse taal en cultuur wilden conformeren. Inderdaad namen grote delen van de bovenlagen van tal van andere volken die in dit koninkrijk leefden - Slowaken, Duitsers, Joden, Roemenen - de Hongaarse taal en cultuur en dus identiteit over, met name na ca. 1860. Hun eigen onderwijs werd sindsdien gaandeweg vervangen door Hongaars onderwijs. Zij werden aldus nationale Hongaren. Deze verdere ontwikkeling van de Hongaarse natie riep weerstand op bij de delen van de etniciteiten die zich nationaal op eigen wijze wilden emanciperen. Deze ontwikkeling werd definitief een halt toegeroepen door de ontbinding van het Hongaarse koninkrijk en de verdeling van haar grondgebied over nieuwe nationale staten in het Verdrag van Trianon, in 1919. Een bijzondere etnische groep waren de Csángó's die eeuwenlang in Roemenië, over de staatsgrens van het Hongaarse Rijk, leefde. Zij werden geroemeniseerd hoewel in laatste jaren banden tussen de Csángó's en de Hongaren zijn aangehaald met het oogmerk om onder hen alsnog een nationaal Hongaars nationaal bewustzijn te wekken. Voor de overige Hongaren die in 1920 minderheden werden omdat hun woongebied werd toegewezen aan de nieuwe nationale staten Slowakije, Servië en Roemenië (Transsylvanië), geldt dat zij aanspraak deden en blijven doen op een Hongaarse nationaliteit en dus geen etnische maar nationale minderheden vormen. In recente tijd heeft Hongarije hun nationaliteit geformaliseerd door hen de gelegenheid te geven ook een Hongaars paspoort aan te vragen en emigratie naar Hongarije te faciliteren. In de betrokken staten wordt zo'n dubbele nationaliteit dan weer afgewezen. Het spanningsveld tussen nationaliteit en etniciteit dat in het staatsvormingsproces tussen 1919 en 1945 gewelddadig werd opgelost, ging gepaard met grootschalige etnische en nationale zuiveringen naast daarmee verbandhoudende staatsgrenswijzigingen. Zie etnische zuiveringen en www.pietervanderplank.nl gebaseerd op een dissertatie uit 2004.
Nederland In het geval van Nederland hebben de Friezen het langst een etnisch karakter behouden en dat bewust willen vormgeven met wat genoemd werd de Friese Beweging. De meeste Friezen gingen zich echter na de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden als etniciteit onderdeel van de moderne Nederlandse natie voelen. Het vormgeven van de politieke identiteit van een Friese natie bleef die van een minderheid, waarnaast op een breder grondvlak wel een Friese etniciteit bleef bestaan als een regionaal-culturele identiteit, die zich met name uitte in het gebruik en de cultivering van een eigen (standaard-)taal en het streven naar behoud van culturele en landschappelijke eigenheid.