thumb|300px|De vier voornaamste pragmatisten: C.S. Peirce, William James, John Dewey en G.H. Mead. Het pragmatisme is een filosofische stroming, die de focus legt op het verbinden van praktijk en theorie, die volgens het pragmatisme niet los van elkaar staan. Het bekendst is wellicht de pragmatische theorie van de waarheid, volgens welke een opvatting waar is, als deze in de praktijk werkt. Waarheid wordt dus niet gedefinieerd aan de hand van een correspondentierelatie of coherentie, maar in termen van praktisch nut en maatschappelijk voordeel. Waarheid is niet iets dat vaststaat, maar iets dat mee-evolueert met de inzichten van een samenleving. Deze opvatting is nauw verwant met het fallibilisme. In het pragmatisme staat de mens als handelend wezen centraal, en staan handelen en denken in dienst van het oplossen van praktische problemen. Verdere kenmerken van het pragmatisme zijn een functionalistische en consequentialistische inslag.
Daarnaast bestaat er een morele of religieuze variant, die de waarheid van metafysische opvattingen of religieuze leerstellingen bevestigd acht, als ze heilzaam blijken op zedelijk of moreel gebied, en als ze daarin richtinggevend zijn.
In het dagelijks leven worden handelingen en ideeën, die effectiviteit boven theoretische of morele overwegingen stellen, pragmatisch genoemd.
Geschiedenis Pragmatisme als filosofische stroming ontstond in de Verenigde Staten, rond 1870. Haar standpunten zijn sterk bepaald door de leden van The Metaphysical Club Charles Sanders Peirce (1839–1914), William James (1842–1910), en Chauncey Wright (1830-1875), alsook door niet-leden als John Dewey (1859-1952) en G.H. Mead (1863–1931). De eerste keer dat de term gedrukt voorkwam was in 1898 door William James. Volgens James zou Peirce de term hebben bedacht rond 1870., The Pragmatic Turn, Polity Press: Cambridge, p. 2. James schreef: I will seek to define with you what seems to be the most likely direction in which to start upon the trail of truth. Years ago this direction was given to me by an American philosopher whose home is in the East, and whose published works, few as they are scattered in periodicals, are no fit expression of his powers. I refer to Mr. Charles S. Peirce, with whose very existence as a philosopher I dare say many of you are unacquainted. He is one of the most original of contemporary thinkers, and the principle of practicalism - or pragmatism, as he called it, when I first heard him enunciate it at Cambridge in the early 70's - is the clue or compass by following which I find myself more and more confirmed in believing we may keep our feet upon the proper trail., "Philosophical Conceptions and Practical Results", 1898, voorgedragen voor de Philosophical Union van de universiteit van Californië in Berkeley, 26 augustus, 1898, en voor het eerst gedrukt verschenen in University Chronicle 1, 1898, p. 287–310. Internet Archive Eprint. Op p. 290. James verwees nogmaals naar Peirce in zijn in 1906 gehouden lezingen, gepubliceerd in 1907 als Pragmatism: A New Name for Some Old Ways of Thinking, zie de tweede lezing, vierde paragraaf. James zag Peirce zijn serie werken Illustrations of the Logic of Science en vooral How to Make Our Ideas Clear (1878) als de grondslag van het pragmatisme.Zie , Will to Believe, 1897, p. 124. Eprint (door James opgedragen aan Peirce). Zie ook , Pragmatism: A New Name for Some Old Ways of Thinking, 1907.
Charles Sanders Peirce thumb|200px|Charles Sanders Peirce Peirce was, behalve de grondlegger van het pragmatisme, een vooraanstaand logicus. Het is daarom opmerkelijk dat het pragmatisme na hem zich sterk als een empiristische (en dus anti-rationalistische) stroming heeft ontwikkeld. Als logicus was Peirce de bedenker van de waarheidstabel, een manier om de klassieke logica in een korte, en toegankelijke vorm weer te geven.
Peirce had de term "pragmatic" overgenomen uit Kants Kritik der reinen Vernunft (1781). Kant onderscheidt daarin praktische wetten, die stoelen op pragmatische, empirische principes, volgend uit motieven van welzijn, en wetten die stoelen op de zuiver rationele principes van de morele wilsvrijheid. Peirce schreef daarnaast in 1906Peirce, C. S., "The Founding of Pragmatism", manuscript written 1906, published in The Hound & Horn: A Harvard Miscellany v. II, n. 3, April–June 1929, pp. 282–5, see 283–4, reprinted 1934 as "Historical Affinities and Genesis" in Collected Papers v. 5, paragraaf 11–13, zie 12. over de invloed die Nicholas St. John Green op hem had uitgeoefend, door diens nadruk op het belang van Alexander Bains definitie van geloof, namelijk dat geloof "[is] that upon which a man is prepared to act."
Voor Peirce was het pragmatisme vooral een methode om, met gebruikmaking van de logica, allerlei concepten op te helderen. Dit leidde tot de zogenaamde "pragmatische maxime", die hij als volgt definieerde: Consider what effects, which might conceivably have practical bearings, we conceive the object of our conception to have. Then our conception of these effects is the whole of our conception of the object., The Essential Peirce: selected Philosophical Writings, vol 1: 1867- 1893, Indiana University Press: Bloomington, p. 132. De betekenis van een term ligt in de concrete, waarneembare veranderingen die zij bewerkstelligt in de sociale omgeving, en niet in een abstracte, absolute, metafysische realiteit. Veel metafysische uitspraken konden door dit principe verworpen worden. De uitspraak 'Getallen bestaan echt in de werkelijkheid' heeft bijvoorbeeld geen enkel praktisch gevolg, en is dus zinloos. Peirces pragmatisme was redelijk bescheiden, en was enkel gebaseerd op het concept van 'praktische gevolgen', en niet van 'praktisch nut' dat in de interpretatie van James een grote rol ging spelen. Het pragmatisme van Peirce was ook sterk verbonden met de semiotiek, waarvan hij mede de grondlegger was.
William James thumb|left|200px|William James
Door toedoen van William James, en voornamelijk door zijn boek Pragmatism, a New Name for Old Ways of Thinking (1907), kreeg dit pragmatisme van Peirce bekendheid. James probeerde in dit boek Peirce zijn methode toe te passen op een hele reeks filosofische problemen. Ook zet hij hier zijn waarheidstheorie uiteen. Hij definieerde 'ware' overtuigingen, als overtuigingen die hun nut hebben aangetoond voor diegene die ervan overtuigd is. Zijn pragmatische theorie omtrent waarheid was een synthese tussen de correspondentietheorie en de coherentietheorie van de waarheid, met een, door James toegevoegde, extra dimensie. Voor een verifieerbare waarheid moeten gedachten en uitspraken corresponderen met de werkelijke dingen, en bovendien onderling samenhang of coherentie vertonen, net als puzzelstukjes die in elkaar passen. Deze worden op hun beurt geverifieerd door de observeerbare resultaten van de toepassing van een idee in de werkelijke praktijk., Pragmatism: A New Name for Some Old Ways of Thinking, lezing 6, "Pragmatism's Conception of Truth," 1907.Encyclopedia of Philosophy, Vol.6, "Pragmatic Theory of Truth", Macmillan, 1969, p. 427–428. Een uitspraak is dus waar als deze zijn bruikbaarheid toont in de samenleving, de moraal, het leven. Opvallend was zijn opvatting, dat bij kwesties waar men de waarheid niet kan aantonen door rede of experiment, de mens zich moeten laten leiden door zijn passies en zijn wil. Hier komt James sterk in de buurt van de levensfilosofie.
Verder past hij zijn pragmatische standpunten toe op het vlak van de religie, in de werken Will to believe, and Other Essays in Popular Philosophy (1897) en The Varieties of Religious Experience (1902). James stelt hierin dat het bewijs voor de waarheid van eender welke stelling, afhangt van de aanvaarding van deze stelling op voorhand, zonder enig bewijs. Zo stelde James bijvoorbeeld dat het rationeel is dat men in zijn eigen capaciteit gelooft, alvorens iets te doen wat zelfvertrouwen vereist. James stelde dat dit ook geldt voor wetenschappelijk onderzoek en bij een religieus geloof, dat ook rationeel kan zijn, zelfs bij gebrek aan bewijs dat de waarheid van het geloof zou aantonen.
James, die het pragmatisme bekend maakte bij het grote publiek, had dus een verschillende interpretatie van het pragmatisme, en sommigen spreken zelfs van een misvatting., Peirce and Pragmatism, Greenwood Press Reprint, 1975, p. 26.Zie , The Two Pragmatisms: From Peirce to Rorty, London, Routledge. Zo legde hij bijvoorbeeld vooral de nadruk op het empirisch karakter en ook de individuele ervaring, veel minder op het sociale karakter, zoals Peirce of later Dewey en Mead dat deden. James' versie van het pragmatisme werd dan ook geassocieerd met de anti-intellectualistische trend in de filosofie, waartoe ook de levensfilosofie van Henri Bergson (1859–1941) behoorde., Peirce and Pragmatism, p. 22. Hierdoor kreeg het pragmatisme een geheel ander karakter dan Peirce in het begin betoogde. Levensfilosofen zoals Maurice Blondel (1861-1949) en Lucien Laberthonnière (1860-1932) begonnen bijvoorbeeld zichzelf ook als pragmatist te omschrijven. Blondel wilde later wel weer van deze term af omdat hij zich wilde blijven onderscheiden van de wel erg pragmatische James. Peirce voelde zich zelfs zo vervreemd van zijn 'kind' dat hij een nieuwe term bedacht, het pragmaticism om zijn eigen variant te beschrijven.
John Dewey thumb|200px|John Dewey
De derde grote naam in het klassieke pragmatistische 'triumviraat' is John Dewey, die een student was aan de Johns Hopkins-universiteit, tijdens Peirce zijn korte ambtstermijn daar. Dewey was in tegenstelling tot Peirce en in zekere mate ook James, de enige echte academische pragmatist, want hij was de enige die academische werken schreef die gericht waren aan zijn medefilosofen. In zijn werken Reconstruction in Philosophy (1920), Experience and Nature (1925) en The Quest for Certainty (1929) probeerde hij klassieke, dualistische opposities die aanwezig waren in de filosofie sinds de Grieken te ondergraven, namelijk die van schijn tegenover werkelijkheid, theorie tegenover praktijk, kennis tegenover handelen en feit tegenover waarde., "John Dewey (1859—1952) - 2. Theory of Knowledge", Internet Encyclopedia of Philosopy, 2005. Bezocht op 02-10-2012.. Dewey ontwikkelde het pragmatisme verder op vlak van epistemologie, maar ook op andere vlakken overdacht hij de consequenties, bijvoorbeeld op vlak van politieke filosofie en filosofie van de opvoeding. Hij had net als James ook een sterke interesse in psychologie en zag de mens als een dier onder de dieren waarbij de nadruk ligt op de strijd om te overleven en natuurlijke selectie.
Dewey werkte zich op als een toonaangevende filosoof tijdens zijn periode aan de universiteit van Chicago, waar hij samenwerkte met collega en mede-pragmatist G.H. Mead. Na zijn verplaatsing van Chicago naar de Columbia universiteit, vergrootte zijn invloed nog verder en werd het pragmatisme een belangrijke factor in het filosofische landschap in de Verenigde Staten. Vele filosofen waren wel beïnvloed door Dewey, maar er was geen werkelijke opvolger, waardoor de populariteit van het pragmatisme samen met Dewey stierf. Hoewel het vooral een Amerikaanse stroming was, had het ook vertegenwoordigers in Europa. Zo bijvoorbeeld F.C.S. Schiller (1864-1937) in Groot-Brittannië, L. Laberthonnière in Frankrijk en G. Papini (1881–1956) in Italië.
Er waren er nog wel die zich als pragmatist bestempelden, met name C. I. Lewis (1883-1964) en Sidney Hook (1902-1989), maar het pragmatisme werd grotendeels verdrongen door de analytische wijsbegeerte, met filosofen als G.E. Moore (1873-1958), Bertrand Russell (1872–1970), Ludwig Wittgenstein (1889–1951) en de Wiener Kreis.
Hedendaagse heropleving