Dit artikel geeft een overzicht van de politieke geschiedenis van Turkije.
Van 1923 tot 1938 thumb|200px|Mustafa Kemal Atatürk De grondlegger van het moderne Turkije is Mustafa Kemal Pasja, beter bekend als Mustafa Kemal Atatürk ("Atatürk, vader van de Turken"). Deze achternaam werd hem in 1934 officieel toegekend door het Turkse parlement.
Atatürk leidde na de Eerste Wereldoorlog het verzet tegen de geallieerde bezetting van Turkije en de grenzen die door de geallieerden waren vastgesteld volgens het Verdrag van Sèvres. Hij begon de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog tegen de geallieerde landen, de Ottomaanse sultan, de Grieken en de Armeniërs. Na het verdrijven van de Grieken uit West-Turkije werden op de Conferentie van Lausanne (1923) nieuwe grenzen vastgesteld: het huidige Turkije. In datzelfde jaar werd het land officieel een republiek, met Atatürk als eerste president. De laatste Ottomaanse sultan Mehmet VI werd verbannen.
Atatürk begon onmiddellijk met hervormingen om Turkije om te vormen naar een moderne seculiere natiestaat, waarbij de westerse wereld als voorbeeld diende. Zo voerde hij het Latijnse alfabet in en bracht hij een scheiding van kerk en staat: alle religieuze scholen en rechtbanken werden ontbonden. Het islamitisch kalifaat werd afgeschaft. Ook het dragen van religieuze hoofddeksels (de fez) en sluiers buiten de moskee werd verboden. In 1924 was de islam volgens de grondwet nog de staatsreligie; in 1928 werd dit artikel geschrapt. De vrouwenrechten werden verbeterd. Voorst werd er onder Atatürk veel geïnvesteerd in het onderwijs, de landbouw, het bankwezen, de industrialisering, de energievoorziening en het spoorwegennetwerk. Dit om Turkije meer zelfvoorzienend te laten worden en minder afhankelijk te laten worden van het buitenland, zodat de onafhankelijkheid van het land kan worden gewaarborgd.
Van 1938 tot 1950 thumb|300px|Istanbul in de jaren 1930 Atatürk overleed in 1938. Hij werd opgevolgd door zijn naaste medestander Ismet Inönü. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije lange tijd neutraal, hoewel er sterke sentimenten waren voor aansluiting bij historische bondgenoot Duitsland. Pas in februari 1945 verklaarde het land de oorlog aan Duitsland.
In 1948 werd Turkije lid van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, de voorloper van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en in 1949 werd het land lid van de Raad van Europa. Na de Tweede Wereldoorlog kwam Amerikaanse hulp op gang, niet in de laatste plaats vanwege de Sovjet-dreiging. De Verenigde Staten werden met de Trumandoctrine en Marshallhulp een belangrijke partner van Turkije op het gebied van politiek en economie. Hierdoor was het van groot belang dat het land aan de Amerikaanse eisen op het terrein van democratisering en economisch liberalisme ging voldoen.
Atatürks opvolger, president Inönü verklaarde na de Tweede Wereldoorlog dat Turkije een democratische weg in wilde slaan. Van de autocratie die Turkije onder Atatürk was, ontwikkelde het land zich in democratische richting. In 1946 werd officieel een meerpartijenstelsel ingevoerd. Er kwamen nieuwe politieke partijen, maar activiteiten van socialisten en communisten werden onderdrukt. Arbeiders mochten zich organiseren in vakbonden, maar ze kregen pas in 1963 het recht om stakingen te organiseren. De strijd om de steun van de kiezers barstte los en het grootste deel van deze kiezers woonde nog altijd op het platteland. Op het platteland en in de kleine provinciesteden heerste een conservatieve, religieuze wereldvisie, die nauwelijks was beïnvloed door de kemalistische culturele revolutie. Om de massa aan zich te binden, stond de regering weer enige ruimte voor de islam toe: islamitisch onderwijs op school werd facultatief heringevoerd en voor het eerst in een generatie konden weer enkele Turken op pelgrimstocht naar Mekka.
De jaren ’50 en ‘60 De eerste echte vrije verkiezingen van mei 1950 veroorzaakten een aardverschuiving in het politieke landschap. De Democratische Partij van Adnan Menderes, een afscheiding van de Republikeinse Volkspartij van Atatürk, won 54% van de stemmen en ruim 80% van de parlementszetels. De Democratische Partij ontleende haar macht aan de steun voor lokale netwerken, maar dit maakte de partij gevoelig voor de wensen van de bevolking. Menderes deed bijvoorbeeld concessies aan de religieuze behoeften van het volk, zoals het toestaan van de gebedsoproep in het Arabisch. De Turkse secularisten beschuldigden de DP ervan dat ze Atatürks erfenis aantastten, maar in werkelijkheid kwam het seculiere karakter van de staat en de wetgeving niet in gevaar. De kemalisten zagen secularisme als een verdedigingsmechanisme dat de vrijheid van denken moest garanderen tegenover de islam, terwijl Menderes en de zijnen erop wezen dat secularisme de vrijheid van geloof van de burgers moest waarborgen.
De partij had aanvankelijk (economisch) de wind mee, maar aan het eind van de jaren vijftig was daar weinig meer van over. Economisch ging het slecht, tegenstanders van de partij werden onderdrukt, er heerste woningnood en werkloosheid.
In 1952 werd Turkije lid van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), onder meer vanwege deelname aan de Koreaanse Oorlog en in 1954 ondertekende het het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarnaast nam Turkije deel aan het Balkanpact met Griekenland en Joegoslavië en aan het Bagdadpact met Irak, Pakistan, Engeland en Iran. Toen Griekenland op 15 juli 1959 een associatieaanvraag indiende bij de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de voorloper van de Europese Unie, ging Turkije onmiddellijk over tot actie: alles werd in gereedheid gebracht om zo snel mogelijk een Turkse aanvraag te realiseren. In augustus 1959 werd het associatieverzoek van Turkije overhandigd aan de voorzitter van de Raad van de EEG. Er was toen nog sprake van een tweestrijd tussen de EEG met de Frans-Duitse voorhoede en de EFTA onder leiding van Groot-Brittannië en de verzoeken van de Grieken en de Turken betekenden een politieke overwinning voor een gemeenschap in wording. Het Turkse verzoek werd destijds ook positief onthaald vanwege de groeiende Turkse markt en goedkope arbeid. Bovendien was die Turkse markt maar liefst drie keer groter dan de Griekse markt, waardoor Turkije in economisch opzicht veel aantrekkelijker was.
Toch kreeg Griekenland in 1962 al een associatieakkoord met de EEG bewerkstelligd, terwijl Turkije moest wachten tot december 1963. Dit had te maken met de binnenlandse politieke situatie in Turkije: op 27 mei 1960 pleegde het leger een staatsgreep, waarbij premier Menderes, minister van Buitenlandse Zaken Zorlu en minister van Financiën Polatkan werden terechtgesteld. De militairen hadden geen duidelijk standpunt met betrekking tot de EEG, maar spraken wel hun voorkeur uit voor de ingeslagen, “democratische” weg. Het leger greep in, omdat in haar ogen de erfenis van Atatürk in het geding kwam.
Vrij snel na deze coup kwam er een terugkeer naar de burgerpolitiek, maar de militairen introduceerden een nieuwe grondwet met ingrijpende gevolgen voor het politieke leven. De oude grondwet van 1924 ging uit van een eenpartijstaat, waardoor in de meerpartijendemocratie van na 1945 de partij die de meerderheid bezat, vrijwel alle macht had. De nieuwe grondwet zorgde voor spreiding van de macht over een parlement met twee kamers en een Constitutioneel Hof. Bovendien werden burgerlijke vrijheden beter gewaarborgd en kwam er meer bewegingsruimte voor verschillende politieke partijen en bewegingen. Maar deze grondwet leidde niet alleen tot positieve veranderingen: het leger liet haar macht in een orgaan verankeren, waardoor zij officieel en legitiem zeggenschap kreeg over de politiek. Dit orgaan, de Nationale Veiligheidsraad (Millî Güvenlik Kurulu) bestond voor de ene helft uit militairen van de legertop en voor de andere helft uit kabinetsleden en had de functie van adviseur over veiligheidszaken. De MGK gaf het begrip veiligheidszaken een ruime betekenis en haar adviezen zijn vaak opgevolgd door Turkse kabinetten. In oktober 1961 werden nieuwe verkiezingen gehouden. In de tien jaar daarna werden er coalitieregeringen gevormd van diverse samenstelling. De opeenvolgende regeringen hadden te maken met toenemende botsingen tussen extremisten van links en rechts: links wilde de banden met de westerse wereld verbreken; rechts wilde een terugkeer naar autocratie en een staatsbestel op basis van de islam. En dan waren er ook nog de opstanden van Koerden in Oost-Turkije.
Ondanks de staatsgreep van 1960, werd Turkije in 1963 geassocieerd lid van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Het Verdrag van Ankara tussen Turkije en de EEG werd getekend. Het verdrag bestaat uit vijf documenten: het Akkoord zelf, een Voorlopig Protocol, een Financieel Protocol en drie interpreterende verklaringen en twee verklaringen van de Bondsrepubliek Duitsland. Het doel van het Verdrag van Ankara was als volgt geformuleerd: 'de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de partijen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de economie van Turkije en de verruiming van de werkgelegenheid en verbetering der levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren'. Dit verdrag was meer dan een handelsakkoord, beide partijen spraken hun streven naar een nauwe samenwerking uit en we kunnen stellen dat deze associatieovereenkomst voor Turkije een soort wachtkamer voor toetreding tot de EEG betekende.
Militaire staatsgrepen
thumb|300px|Ankara in maart 1970, gefotografeerd door Victor Albert Grigas (1919-2017) In 1971 waren de spanningen zo hoog opgelopen dat het leger zich opnieuw in de politiek mengde. Premier Demirel werd tot aftreden gedwongen, in 11 van de 67 provincies werd de staat van beleg afgekondigd en het leger werd gezuiverd. Al deze maatregelen brachten allesbehalve rust in het land, en opnieuw waren er diverse soms kortstondige coalitieregeringen, die slecht het hoofd konden bieden aan de onlusten tussen links en rechts, vooral op de universiteiten.
De oliecrisis van 1973 trof Turkije enorm, aangezien het nauwelijks zelf olie produceerde en als gevolg van de crisis de vraag naar Turkse gastarbeiders in Europa aanzienlijk afnam. In Turkije was sprake van een hoge inflatie, veel werkeloosheid en prijsstijgingen en de economische crisis leidde tot een politieke crisis.
De Turkse invasie van Cyprus in 1974, als reactie op de Pro-Griekse staatsgreep, verergerde de situatie. De Verenigde Staten legde een embargo op, de relatie met de Europese Gemeenschap bekoelde en de Verenigde Naties erkende de Turkse Republiek Noord-Cyprus niet.
Er ontstond in Turkije een politieke impasse, omdat de leiders van de grote politieke partijen, Demirel (AP) en Ecevit (CHP) weigerden samen te werken. Hiervan profiteerden extremisten van links en met name van ultrarechts. Relatief kleine partijen zoals de islamitische Partij voor Nationale Redding (MSP) van Necmettin Erbakan konden zich veel macht toe-eigenen door de grote partijen in coalities aan een meerderheid te helpen. Ook waren er terroristen, die vaak voortkwamen uit studentenbewegingen en van de politieke toestand gebruik maakten door een gewapende strijd te beginnen. Er werd uitvoerig beraadslaagd over plannen om de economie en de politiek weer te stabiliseren, maar het leger zag de voortdurende onrust met lede ogen aan: straatterreur, politiek geweld, een stijgende inflatie en werkloosheid. Op 12 september 1980 pleegden ze een staatsgreep. Het parlement werd ontbonden, de grondwet buiten werking gesteld, er kwam een verbod op politieke partijen en vakbonden en de staat van beleg werd afgekondigd. Tienduizenden mensen werden opgesloten in de gevangenis.