De Fossa Eugeniana is een zeventiende-eeuws onvoltooid kanaal tussen de Rijn en de Maas. De bedoeling was het door te trekken naar de Schelde. Van daaraf zou de kanaalverbinding naar de Vlaamse kusthavens worden verbeterd. De werken aan het 45 km Paulussen; Spaans kanaalplan met een tunnelvisie lange gedeelte tussen Rijn en Maas werden in 1626 gestart, maar nooit voltooid. Enkele resten ervan zijn in het landschap bewaard gebleven. Aan het kanaal tussen Maas en Schelde werd niet begonnen. De vaarverbinding tussen de Schelde en de Vlaamse kust werd wel enigszins verbeterd.

Situatie van handel en verkeer In de zestiende eeuw werd de Maas steeds belangrijker als handels- en verkeersweg. Luik (dat niet tot de Spaanse Nederlanden behoorde) ontwikkelde zich als centrum voor de ijzerindustrie en de chemische nijverheid. Knooppunten voor de Maashandel waren de stapelplaats Dordrecht in de Delta en Venlo in het Midden-Maasgebied. In Venlo werden stroomopwaarts gaande goederen overgeslagen op kleinere scheepjes. Een deel werd er ook direct verhandeld. Ook het stroomafwaarts gaande verkeer werd er lange tijd gedwongen zijn vracht over te laden. Daarnaast bezat Venlo een monopolie voor de overslag en de handel op de rechter Maasoever tussen Venlo en Mook. Daarmee beheerste het de in- en uitvoer van een groot deel van het Gelders Overkwartier.

Voor de handelssteden in zuidelijk Brabant en in Vlaanderen was de Maasroute een lange en dure omweg, ook omdat de tollen op de rivier in aantal en hoogte toenamen. Bij gebrek aan goede landwegen was vervoer per schip echter onvermijdelijk, zeker voor zware ladingen. Door de groeiende vervoersbehoefte in de zestiende eeuw ontwikkelden verschillende Brabantse steden plannen voor kanaal- en wegverbindingen naar de Schelde en de Maas. In de meeste gevallen betrof het verbetering of kanalisering van zijriviertjes van de Schelde, aangevuld met verbetering van landwegen naar de Maas. Maar er waren ook plannen voor doorgaande kanaalverbindingen. Weinig daarvan werd gerealiseerd. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) verslechterde de situatie voor Brabant en Vlaanderen, toen hun verbindingen met het Maas- en Rijngebied onveiliger en door oorlogsheffingen nog duurder werden.Zijlmans, Troebele betrekkingen, par. 5.2; T.L.M. Thurlings, De Maashandel van Venlo en Roermond in de 16e eeuw, 1473-1572 (Amsterdam, 1946), 44-49, 138-151.

Eerste plannen voor zuidelijke Schelde-Maas-Rijnverbindingen Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bracht enige, maar geen structurele verbetering voor het verkeer van de Spaanse Nederlanden. De regering in Brussel wilde voor haar verbindingen minder afhankelijk worden van de opstandige Republiek in het Noorden. Om de Zeeuwse Schelde te vermijden, bevorderde ze het gebruik van de Vlaamse kusthavens Duinkerken en Oostende. Ingenieur Paulo Francesqui vroeg in 1611 toestemming voor het aanleggen van een kanaal van Maastricht naar Antwerpen, over Brabants en Luiks gebied. Hij somde in zijn nota de vele voordelen van zo'n eigen Zuidelijke vaarweg op. Die zou een barrière vormen voor invallen uit het Noorden en de Rijn- en Maashandel van de Republiek afleiden naar de Zuidelijke provincies. Het was zijn bedoeling vanuit de Maas bovenstrooms van Maastricht de Jeker te volgen tot bij Tongeren. Vandaar kon langs de Herk en de Demer de Schelde bereikt worden. De landsheer in Brussel gaf echter de voorkeur aan een tracé van benedenstrooms van Maastricht naar Bilzen aan de Demer. Dat zou hem een sterkere greep geven op het belangrijkste tol- en douanestation. Onderhandelingen in 1613 tussen de besturen in Brussel en het prinsbisdom Luik leidden niet tot een oplossing. Waarschijnlijk speelden ook technische problemen, onder andere met de watervoorziening van het kanaal, een rol. Het project vond in elk geval geen doorgang.Breugelmans, Het beheer van de Demer, p. 20-21; Zijlmans, Troebele betrekkingen, par. 5.3 en bijlage 5.

In 1618 presenteerde ingenieur Gerrit Haesenvoet uit Geldern een plan om zijn stad — gelegen in het midden van het Gelders Overkwartier — door een kanaal te verbinden met de Maas op het gebied van de heerlijkheid Well, net ten noorden van Arcen. Duidelijk was dat hij daarmee het stapelrecht van Venlo, en ook Arcense aanspraken op een stapelrecht, wilde omzeilen. In de jaren 1622-1624 werkte Haesenvoet het plan in overleg met zijn stadsbestuur — wantrouwend gevolgd door omliggende plaatsen — verder uit. Hij onderzocht hoe het kanaal van Geldern zou kunnen worden doorgetrokken naar Rheinberg aan de Rijn en hoe het kon dienen als barrière om troepen van de Republiek uit het Maas-Rijngebied te houden. De financiering van het project zal daarbij zeker een rol hebben gespeeld. Het kleine Geldern kon de kosten niet alleen opbrengen, reden waarom het zocht naar bekostiging uit landelijke algemene middelen. Haesenvoet en Geldern onderhandelden ook met het Keurvorstendom Keulen en het Hertogdom Gulik, die direct of indirect door het kanaal geraakt zouden worden. De keurvorst-aartsbisschop van Keulen voelde er niets voor, omdat het zijn neutraliteit in de Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd in gevaar zou brengen. De hertog van het wat zuidelijker gelegen Gulik was er wel voor. Hij had Spaanse steun nodig en verwachtte een betere bescherming van zijn landen. De stad Venlo, handelscentrum van het Overkwartier, was sterk tegen het kanaalproject, dat zijn positie kon aantasten. Een besluit bleef nog even uit omdat de militaire situatie te onzeker was.Pistor/Smeets, Die Fossa Eugeniana, p. 8-9; Zijlmans, Troebele betrekkingen, par. 5.4.

Economische oorlogsvoering Na het Twaalfjarig Bestand werd het voor Spanje duidelijk dat voortzetting van de landoorlog weinig uitzicht bood en ook onbetaalbaar was. Het voerde alleen nog beperkte militaire acties uit ten zuiden van de grote rivieren. Wel bleef het streven naar overwicht ter zee. Daarbij zette het vooral in op economische oorlogsvoering. Die moest de Republiek zijn belangrijkste inkomstenbronnen ontnemen ten bate van de getrouwe Zuidelijke Nederlanden. Belangrijke doelwitten waren daarbij de lucratieve Maas- en Rijnhandel en die op de Noord-Duitse en Oostzeehavens. De eigen Vlaamse vloot werd uitgebreid en de Vlaamse kusthavens werden verbeterd en versterkt. Verder waren goede eigen achterlandverbindingen nodig, zodat het gebruik van de Zeeuwse en Hollandse benedenrivieren vermeden kon worden. De economische oorlog werd compleet toen de regering in Brussel in 1625 van haar kant de Schelde, de Maas, de Rijn, de Lippe en de Eems volledig afsloot en alle handel met het Noorden verbood. De Republiek beantwoordde de uitdaging door later dat jaar een verbond te sluiten met Engeland en Denemarken.Israel, Conflicts of empires, p. 1-17; Zijlmans, Troebele betrekkingen, par. 5.5.

Een succesvolle economische oorlogsvoering van de Spaanse Nederlanden tegen de Republiek was alleen mogelijk met de actieve of passieve medewerking van de buurlanden in het Duitse Rijk. De Duitse landen waren in die tijd verwikkeld in de Dertigjarige Oorlog. Protestantse legers uit Noord-Duitsland onder leiding van Denemarken rukten daarbij steeds verder naar het zuiden op. Ze bedreigden de macht van de Duitse keizer en van de Katholieke Liga, waaronder Keur-Keulen, Gulik en Luik. De keizer en die Liga hadden dringend Spaanse hulp nodig om het gevaar te keren. Spanje zegde die hulp wel toe, maar stelde die uit zolang de situatie in de Nederlanden nog onveilig was. Vanaf het voorjaar van 1626 vonden in Brussel onderhandelingen plaats over een verbond tussen Spanje, de keizer en de Katholieke Liga. Spanje eiste daarbij Duitse deelname aan de boycot van de Republiek en enkele steunpunten voor zijn vloot in Noord-Duitse Hanzehavens. De Duitse katholieke landen hechtten echter aan hun goede handelsbetrekkingen met de Republiek en voelden er niets voor betrokken te raken bij de strijd in de Nederlanden. Ook wilden ze niet dat Spanje te machtig zou worden in het Duitse Rijk. Bij de Duitse Hanzesteden bestond evenmin veel belangstelling om hun Hollandse relaties in te ruilen voor Spaanse en Vlaamse. Toen de protestantse partij in augustus 1626 echter met overmacht naar het zuiden dreigde door te breken, zetten de keizer en de keurvorst van Beieren, leider van de Katholieke Liga, hun bezwaren opzij. Ze waren bereid met de Spaanse wensen in te stemmen.Zijlmans, Troebele betrekkingen, par. 5.7 en bijlage 7; Israel, Conflicts of empires, p. 49-52.

Keuze van de kanaaltracés In de winter van 1626 maakte de regering in Brussel serieus werk van het plan om de Schelde door kanalen met de Maas en de Rijn te verbinden. Deskundigen werden uitgestuurd om ter plaatse het ontwerp van Haesenvoet voor een Maas-Rijnkanaal te onderzoeken. Ze kwamen tot de conclusie dat dit plan zeker uitvoerbaar was. Wel gaven ze de voorkeur aan een uitmonding in de Maas bij het versterkte Arcen, in plaats van op Wells gebied. Het Spaans bestuur vroeg ook de mening van de vorsten van Keur-Keulen en Gulik. De keurvorst van Keulen had grote bezwaren tegen een kanaal dat deels zijn gebied doorsneed. De hertog van Gulik, wiens landen tot aan Tegelen reikten, wilde dat het kanaal zover mogelijk naar het noorden buiten zijn rechtsgebied zou worden aangelegd.

Ook het onderzoek van het Schelde-Maaskanaal werd in het voorjaar van 1626 weer opgepakt. Uitgangspunt was een oud plan, dat half vergaan op een kerkzolder was teruggevonden. Niet bekend is van wie en van wanneer dit plan stamde. Het betrof in elk geval een kanaal vanuit de Maas benedenstrooms van Maastricht naar Bilzen aan de Demer. Vandaar zou de rivier gekanaliseerd of verbeterd worden tot de Schelde. Dit kanaal zou over ongeveer 40 km door Luiks gebied lopen. Ook dit plan leek uitvoerbaar, maar moest nog nader onderzocht worden. Ingenieur Giovanni de' Medici, markies di Sant'Angelo, werd aangewezen als leider voor het hele project van de Schelde tot de Rijn. Hij stuitte meteen op het technische probleem dat er op de waterscheiding tussen de Maas en de Demer geen water aanwezig was om het bovenste kanaalpand te voeden. Hij vond echter een oplossing door gebruik te maken van water van de wat zuidelijkere Jeker. Waarschijnlijk wilde hij dit water met een lange smalle goot onder klein verval aanvoeren. De regering in Brussel vroeg de medewerking van de prins-bisschop van Luik, die als keurvorst van Keulen ook al betrokken was bij het andere deel van het project. Deze liet zich niet zomaar overhalen en eiste onderhandelingen over het hele project.