De Maasgouw (Latijn: Pagus Mosarium, Masau, Mosagao en Maselant) was een van de gouwen in het Frankische Rijk. In grote lijnen viel hij samen met het Maasland, ongeveer van Wezet tot Nijmegen. Het bestuurscentrum was vermoedelijk Maastricht.

Geschiedenis In het zuiden grensde de Maasgouw aan de Luikgouw. In het westen ging hij over in de Haspengouw en Toxandrië. In de omgeving van Nijmegen begon de Betuwe. In het oosten omvatte hij ook de andere Maasoever, reikend tot aan de Gulikgouw en de Hettergouw. Omstreeks 800 kregen veel gouwen bijkomende bestuurscentra, om gouwen beter te kunnen beheersen. In de Maasgouw ontstonden zo twee "deelgraafschappen": de Oppermaasgouw (ongeveer ten zuiden van Maaseik en Susteren) en de Nedermaasgouw (ten noorden ervan).

In Maastricht lag de rijke Sint-Servaasabdij. Als kerkelijke enclave was hij vrij van grafelijke inmenging, en viel hij rechtstreeks onder de bisschop van Luik en de Frankische koning. Hij bezat ook diverse allodiale goederen in en buiten de Maasgouw, die eraan geschonken waren. Onder meer het graafschap van de Vroenhof, de elf banken van Sint-Servaas en de Redemptiedorpen zouden teruggaan op allodiaal bezit van de Sint-Servaasabdij.

In 837 bepaalde Lodewijk de Vrome dat de Mosagao moest vererven naar zijn jongste zoon, Karel de Kale. Toen Lodewijk stierf, probeerde de oudste zoon, Lotharius I, echter het volledige rijk in te nemen. De broers sloten het Verdrag van Verdun, waarbij de Maasgouw terechtkwam bij Lotharius (843). Zijn koninkrijk werd al in 870 opgeheven. De Maasgouw en de kerkelijke enclaves werden verdeeld, met de Maas als nieuwe rijksgrens. In totaal somt het verdrag binnen de Maasgouw de volgende territoria op (in volgorde van vermelding):Aubertus Miraeus (1723), Opera diplomatica et historica vol 1, Leuven: Aegidii Denique, p 28-32. Gearchiveerd op 7 september 2023. Toegewezen aan Lodewijk de Duitser: De abdij van Susteren (Suestre) De abdij van St.-Odiliënberg (Berch) Een koninklijke burcht (Castellum), mogelijk in de omgeving van Wyck Het oostelijke deel van het noordelijke deelgraafschap (Masau subterior de ista parte) Het oostelijke deel van het zuidelijke deelgraafschap (Masau superior de ista parte) Toegewezen aan Karel de Kale: De Sint-Servaasabdij (S. Servatii) De abdij van Aldeneik (Echa) Het westelijke deel van het zuidelijke deelgraafschap (Masau superior de ista parte Mosae) Het westelijke deel van het noordelijke deelgraafschap (Masau subterior, quantum de ista parte est)

In 876 stierf Lodewijk de Duitser. Karel de Kale wilde een tweede keer zijn koninkrijk uitbreiden, maar werd verslagen en zelfs teruggedrongen. Met het Verdrag van Ribemont (880) moest zijn kleinzoon, Lodewijk III van Frankrijk, aanvaarden dat zijn oostgrens verschoof van de Maas naar de Schelde. Binnen het Oost-Frankische Rijk bleef de Maasgouw voortbestaan tot ±995. Toen kregen de twee deelgraafschappen elk een eigen graaf.

(Gouw)graven 714: Pepijn van Herstal schenkt het land voor de abdij van Susteren weg. 730: Adelardus sticht de abdij van Aldeneik voor zijn dochters Harlindis en Relindis. Eind 8e eeuw: Albericus de pago Mosao schenkt landgoederen te Blerick aan de abdij van Fulda.L.A.J.W. Sloet (1876). Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot 1288 deel 1, p. 23-24. ±810: Adalardus, een achterkleinzoon van Pepijn, schenkt Elen en Tongerlo aan de abdij van Corbie. 841: Giselbert I wordt vermeld als de comes Ma(n)suariorum. ±885: Reinier I van de Henegouw volgt zijn vader op. 915: Giselbert II volgt zijn vader op. 950: de pago Moselano behoort tot het graafschap van Rudolf, een neef van Giselbert. 958: Rudolf wordt door de keizer verbannen. De Maasgouw wordt toegewezen aan Ansfried (bijgenaamd "de Oudere"). ±980: Ansfried (bijgenaamd "de Jongere") sticht de abdij van Thorn. 995: Ansfried doet afstand van zijn wereldlijke bezittingen en wordt bisschop van Utrecht. De keizer benoemt twee nieuwe graven, één in elk deelgraafschap. Het zuidelijke deelgraafschap: 1062: Otto van Thüringen schenkt Dilsen en Weert aan de Sint-Servaasbasiliek. 1096: Ida van Verdun schenkt landgoederen te Wolder, Itteren en Rekem aan de abdij van Munsterbilzen. ±1100: Maastricht en aanhorigheden worden achtereenvolgens in leen gegeven aan het graafschap Namen, het graafschap Loon en het hertogdom Brabant.Jean Baerten (1969). Het graafschap Loon, p. 84-87. Het noordelijke deelgraafschap: ±1033: Gerard I Flamens ontvangt een aantal gouwen rond Wassenberg. 1078: Diederik I Flamens bekrachtigt de overdracht van Bree. ±1100: Eerste vermeldingen van de graaf van Kessel en de landsheren van Cuijk, Horn en Kessenich.

Categorie:Gouw in de Nederlanden Categorie:Geschiedenis van Luik Categorie:Geschiedenis van Maastricht Categorie:Geschiedenis van Limburg