Het IPCC-rapport 2007 is het vierde rapport van het IPCC over de opwarming van de Aarde. Het werd in 2007 uitgebracht. In 2013 en 2014 kwamen de delen uit van het IPCC-rapport 2014.

Dit artikel is gebaseerd op de samenvatting (summary) van het eerste deel en de toelichting van het KNMI, die meer specifieke informatie over de Nederlandse situatie bevat.

Belangrijkste conclusies Klimaatverandering is moeilijk te meten en voorspellen, maar enkele zaken zijn wel al erg zeker en de belangrijkste daarvan zijn: 11 van de 12 warmste jaren sinds 1850 vallen in de laatste 12 jaar. De Aarde is in de afgelopen eeuw bijna 0,76 °C warmer geworden en daar zal in de komende eeuw nog 1,1 tot 6,4 °C bij komen, onder andere afhankelijk van welke maatregelen genomen zullen worden. De oceanen hebben meer dan 80% van de toegenomen warmte in het klimaatsysteem geabsorbeerd, waardoor het zeewater is gaan uitzetten. Daardoor is in de 20e eeuw het zeeniveau wereldwijd met 17 cm gestegen. In de komende eeuw zal de zeespiegel daarbovenop nog 18 tot 59 cm stijgen en doordat de oceanen warmte zullen blijven opnemen zal de uitzetting nog eeuwen doorgaan. Die stijging kan nog hoger uitvallen door verdere afkalving van de ijskappen van Groenland en Antarctica (die in de laatste jaren sterk is toegenomen). Bovendien zal door regionale effecten de stijging in Nederland tot 15 cm hoger uitvallen. thumb|300px|Verandering in de stralingsforcering tussen 1750 en 2005. De grootste bijdragen komen van CO2 en methaan. De grootse onzekerheden komen van fijn stof en de invloed van wolken. De opwarming is vooral het gevolg van de uitstoot van broeikasgassen als kooldioxide (CO2) en methaan (CH4). De concentraties van die gassen in de atmosfeer zijn momenteel de hoogste in minstens 650.000 jaar. Dit is vooral het gevolg van menselijk handelen, vooral verbranding van fossiele brandstoffen, maar ook landbouw, veeteelt en landgebruik. De invloed van variaties in zonnestraling (waar sommigen het aan wijten) is relatief klein. De CO2-concentratie in de atmosfeer is sinds 1750 met 35% toegenomen. Die toename gaat in de afgelopen 10 jaar sneller dan ooit. Doordat een deel van de CO2 oplost in de oceanen zijn die aan het verzuren. Dit heeft tot nu toe een dempend effect gehad op de opwarming, maar die buffer begint verzadigd te raken, waardoor die demping minder zal worden. Bovendien zal dit tot gevolg hebben dat een eventuele toekomstige daling van de CO2 in de atmosfeer tegengewerkt wordt doordat het weer vrijkomt uit die buffer. Toelichting: Klimaatverandering is zo moeilijk te meten omdat het ingewikkelde patronen betreft die over decennia spelen. Naarmate meer metingen over een langere tijd beschikbaar zijn kunnen uitspraken met meer zekerheid gedaan worden. Dat bovenstaande uitspraken nu al gedaan kunnen worden is een indicatie van hoe snel de veranderingen plaatsvinden. Voor specifieke gebieden op Aarde is het nog moeilijker om in te schatten wat er gaat gebeuren (zie bijvoorbeeld Nederland hieronder). Het belangrijkste is echter dat het klimaat zal veranderen, wat aanpassingen vereist. Het feit dat zo weinig bekend is over wat er precies gaat gebeuren in een bepaald gebied maakt het lastiger voor landen om zich aan te passen, waardoor het moeilijker is om schade te voorkomen en eventuele nieuwe mogelijkheden te benutten.

Zie ook de klimaatscenario's aan het eind van deze tekst.

Het rapport In 2007 is het vierde IPCC-rapport uitgebracht, dat is gebaseerd op bevindingen tot medio 2006. Er zijn drie IPCC-werkgroepen die ieder een deel van het rapport uitbrengen: Werkgroep I: "The Physical Science Basis", over de fysische oorzaken; Werkgroep II: "Impacts, Adaptation and Vulnerability", over de gevolgen en hoe we ons daar aan kunnen aanpassen; Werkgroep III: "Mitigation of Climate Change", over maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Ten slotte werd in november 2007 een bundeling van de samenvattingen voor beleidsmakers van die rapporten gepresenteerd.

Het rapport zelf is redelijk goed te lezen voor een opgeleide leek, maar erg gedetailleerd. Daarom is door het IPCC een Samenvatting voor Beleidsmakers geschreven (in het Engels). Het rapport zelf is overigens pas een paar maanden later gepubliceerd. Verder heeft het KNMI er ook een geschreven (in het Nederlands). Dat is een iets kortere samenvatting, die echter aangevuld is met informatie over de specifieke Nederlandse en Europese situatie. Dit artikel combineert het belangrijkste deel van de informatie in die twee samenvattingen, met een andere indeling van de informatie (scherpere scheiding naar onderwerp) en enkele toelichtingen en commentaren. De drie teksten zijn ongeveer even lang en verschillen vooral in presentatie.

Er zijn twee soorten kritiek op het rapport. Sommigen zeggen dat de onderzoekers bevooroordeeld zijn (bij het vorige rapport hebben 2 van de 120 hoofdauteurs hierover geklaagd). Anderen zeggen dat het IPCC veel te conservatief is in zijn uitlatingen. De deelnemende wetenschappers zijn deels aangewezen door overheden en die overheden kunnen zich laten leiden door de belangen die ze hebben bij de resultaten. In februari 2007 publiceerde het wetenschappelijk tijdschrift Science een artikel waarin staat dat de waargenomen temperatuurstijging in het bovenste bereik (de top 10%) lag van wat in het vorige rapport stond. De waargenomen zeespiegelstijging was zelfs hoger dan het bovenste bereik dat het rapport aangaf. Als het huidige rapport even conservatief is, dan moeten we in de komende eeuw dus rekening houden met een temperatuurstijging van rond de 5 °C en een zeespiegelstijging van meer dan 59 cm.

Broeikasgassen Hoofdpunten Er zijn verschillende antropogene (van de mens afkomstige) stoffen die de opwarming van de Aarde veroorzaken of tegenwerken. De belangrijkste veroorzaker (broeikasgas) is koolstofdioxide (CO2). Methaan (CH4) is weliswaar een veel sterker broeikasgas, maar ook in veel kleinere concentraties aanwezig. Andere broeikasgassen zijn distikstofoxide (N2O of lachgas) en gehalogeneerde koolwaterstoffen (chloorfluorkoolstofverbindingen). Het effect van ozon is afhankelijk van waar het zich in de atmosfeer bevindt - in de lagere luchtlagen warmt het op, daarboven koelt het af. De belangrijkste afkoelende stoffen zijn aerosolen, heel kleine deeltjes in de atmosfeer, zoals roet (het schoon houden van de lucht met roetfilters heeft dus helaas netto een opwarmend effect). Die kunnen een direct, maar ook een indirect effect hebben door de invloed op de albedo (mate van weerkaatsing van zonlicht). Ook op het aardoppervlak spelen albedo-effecten een rol.

De invloed van al deze factoren wordt aangeduid met de term stralingsforcering (radiative forcing). Dat is een maat voor de hoeveelheid energie die aan het systeem wordt toegevoegd of onttrokken (de balans tussen de ingaande en uitgaande stralingsenergie in het klimaatsysteem), uitgedrukt in W/m². Het netto effect van al deze factoren (sinds 1750) is +1,6 W/m² (in ieder geval tussen +0,6 en +2,4).

De laatste kolom in de tabel geeft aan hoe goed de invloed van een factor begrepen is (losu = level of scientific understanding). Factoren met een zeer lage losu zijn niet in het overzicht opgenomen. De invloed van vulkanische aerosolen is niet opgenomen vanwege het sporadische karakter van vulkaanuitbarstingen.

CO2 wordt vooral uitgestoten door verbranding van fossiele brandstoffen en veranderingen in landgebruik, en methaan en N2O vooral door landbouw.

De waarschijnlijkheid dat de mens aan de opwarming bijdraagt is sinds het eerste rapport uit 1991 gestegen van 66% naar 90%. Het is waarschijnlijk dat antropogene opwarming heeft plaatsgevonden op alle continenten, met uitzondering van Antarctica. De waargenomen patronen van opwarming (waarbij lucht boven land meer opwarmt dan boven zee) is alleen te verklaren met modellen waar menselijke invloeden in worden meegenomen (anthropogenic forcing). Deze kans nam verder toe tot 95% in het IPCC-rapport 2014.

De figuren rechts tonen in blauw het temperatuurverloop dat te verwachten zou zijn geweest over de afgelopen eeuw als de menselijke factoren geen rol zouden hebben gespeeld (binnen een 'zekerheidsbereik' van 90%) en in rood de combinatie van natuurlijke en antropogene oorzaken. De zwarte lijn toont het waargenomen temperatuurverloop (gemiddeld over decennia).

De bovenste figuren tonen dit voor de wereld als geheel, de oceanen en de landmassa's. De onderste figuren tonen het voor de verschillende continenten.

De verwachte opwarming als gevolg van een verdubbeling van de CO2 concentraties, de klimaatgevoeligheid ligt waarschijnlijk tussen 2 en 4,5 °C en zeer waarschijnlijk boven de 1,5 °C. Waarden boven 4,5 °C zijn niet uit te sluiten, maar de kans daarop is moeilijk in te schatten omdat in dat bereik de modellen niet goed overeenstemmen met waarnemingen. Veranderingen in waterdamp vormen de sterkste terugkoppeling die de klimaatgevoeligheid beïnvloedt. Terugkoppeling van wolken vormt de grootste bron van onzekerheid.

De oceanen nemen een deel van de CO2 in de atmosfeer op, waardoor die verzuurt zijn tot een pH waarde die 0,1 lager ligt dan het pre-industriële tijdperk. Volgens de SRES-scenario's zal die waarde nog verder dalen met 0,14 - 0,35. Dit heeft een dempend effect gehad op de CO2-concentratie in de atmosfeer, maar naarmate de oceanen meer verzuren zal die dempings-capaciteit afnemen.

Details De invloed van aerosolen is de grootste bron van onzekerheid in de totale stralingsforcering. Aerosolen kunnen een natuurlijke oorsprong hebben (zoals woestijnstof en zoutdeeltjes) of een menselijke, zoals roet en sulfaat, die vrijkomen bij verbranding van fossiele brandstoffen. Aerosolen kunnen een direct effect hebben door zonlicht terug te kaatsen, maar ook een indirect effect via wolken, waar ze een groter aantal wolkendruppeltjes veroorzaken.

De figuur rechts toont hoe de concentraties van de broeikasgassen koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en distikstofoxide (N2O) explosief zijn toegenomen in de afgelopen eeuw, afgezet tegen de laatste 10.000 jaar. Die concentraties worden gemeten in deeltjes per miljoen, oftewel ppm (parts per million) of deeltjes per biljoen, oftewel ppb (parts per billion). De CO2-concentratie is toegenomen van 280 ppm in 1750 tot 379 ppm in 2005 (een toename van 35%). De concentratie methaan is toegenomen met 48% van 715 tot 1774 ppb, maar die toename is sinds 1993 afgenomen. De snelheid waarmee de resulterende stralingsforcering toeneemt is hoogstwaarschijnlijk de hoogste van de afgelopen 10.000 jaar.

De concentraties CO2 en methaan waren trouwens in 1750 al vrij hoog. Het natuurlijke bereik van de concentraties over de afgelopen 650.000 jaar was voor CO2 180 - 300 ppm (1750: 280, nu: 379) en voor methaan 320 - 790 ppb (1750: 715, nu: 1774).

De CO2-uitstoot van het verleden en de komende tijd zal meer dan een millennium blijven bijdragen aan de opwarming en het stijgen van de zeespiegel als gevolg van de tijd die nodig is voor het verwijderen ervan uit de atmosfeer.

Het systematisch direct meten van de CO2-concentraties is pas begonnen in 1960. Sindsdien is de gemiddelde stijging 1,4 ppm per jaar geweest. De laatste tien jaar is die groei het sterkst geweest, met 1,9 ppm per jaar. Uitgedrukt in gigaton koolstofdioxide is de uitstoot gestegen van 23,5 GtCO2 per jaar (22,0 - 25,0) in de jaren 90 naar 26,4 GtCO2 per jaar (25,3 - 27,5) in de jaren 2000-2005. CO2 uitstoot door verandering van landgebruik is geschat op 5,9 GtCO2 per jaar (1,8 - 9,9), maar merk de grote onzekerheidsmarge in die schatting op.

Betekenis van de kansaanduidingen in het IPCC-rapport.Beschrijvingkansnagenoeg zeker > 99 %hoogstwaarschijnlijk > 95 %zeer waarschijnlijk > 90 %waarschijnlijk > 66 %