Ornitholestes is een geslacht van kleine uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Coelurosauria, dat tijdens het Laat-Jura, 153 miljoen jaar geleden, voorkwam in westelijk Laurazië, het huidige Noord-Amerika.
Het eerste fossiel van Ornitholestes werd in 1900 ontdekt. Het geslacht kreeg in 1903 zijn naam, die 'vogelrover' betekent, toen de typesoort Ornitholestes hermanni benoemd werd. Het oorspronkelijk gevonden skelet is de enige vondst waarvan met zekerheid bekend is dat die aan Ornitholestes toegewezen kan worden. Omdat het fossiel nogal compleet was, kregen de geleerden toch een goed beeld van de bouw van het dier maar op veel punten blijven onduidelijkheden bestaan.
Ornitholestes was een klein tweevoetig roofdier dat twee meter lang werd en ruim twaalf kilogram zwaar. Zijn horizontale romp werd in evenwicht gehouden door een lange staart. Ornitholestes had misschien nogal korte achterpoten. Zijn voorpoten, ieder voorzien van drie klauwen om een prooi te grijpen, waren tamelijk lang. De kop van Ornitholestes was vrij klein en droeg voor in de bek korte rijen rechte tanden. Daarmee kon hij kleine hagedissen en zoogdieren van de grond plukken. Zijn kaken waren echter zwaargebouwd en er stonden grotere tanden meer achter in de muil. Daarom denken sommige wetenschappers dat Ornitholestes ook grotere prooien aanviel, zoals Dryosaurus. Een tijdlang is aangenomen dat op de punt van de snuit een hoorn stond maar later werd aangetoond dat dit op een vergissing berustte.
Vondst en naamgeving thumb|350px|Het team van het AMNH in 1899 bij de Bone Cabin Quarry met zittend naast de hond Osborn en staand helemaal rechts, met pet, Kaisen Het eerste en verreweg het belangrijkste fossiel van Ornitholestes werd midden juli 1900 opgegraven door een team van het American Museum of Natural History, in de Bone Cabin Quarry, een vindplaats bij Medicine Bow in Wyoming. Het is niet precies bekend wie de eerste vondst, van een voet, deed; op dat moment werkten Peter C. Kaisen, Paul Miller en Frederick Brewster Loomis op die locatie voor het New Yorkse museum. De meest waarschijnlijke kandidaat is Kaisen, daar Miller meer als een kok en factotum functioneerde en Loomis het specimen niet vermeldt in een verslag van zijn persoonlijke ontdekkingen. Kort daarna werden wat verderop ook andere delen van een kleine roofsauriër gevonden. De opgravingen van het AMNH uit die periode hadden primair ten doel fraaie echte skeletten te kunnen tentoonstellen. Het skelet werd daarom door de hoofdpreparateur van het museum, Adam Hermann, met nagemaakte onderdelen aangevuld en in een staande opstelling in halfverzonken reliëf in de reptielenhal van het instituut neergezet. In 1903 werd de typesoort Ornitholestes hermanni benoemd en beschreven door Henry Fairfield Osborn. De geslachtsnaam, een suggestie van Theodore Gill, is afgeleid van het Oudgriekse ὄρνις, ornis, 'vogel', en λῃστής, lèistès, 'rover'. De naam verwijst naar een vermeende levenswijze als vogelvanger die Osborn voor het dier aannam. De soortaanduiding eert Hermann. De reden dat de soort niet naar een van de feitelijke ontdekkers vernoemd werd, was vermoedelijk dat die te laag stonden in de hiërarchie van de desbetreffende museumafdeling, het Department of Vertebrate Paleontology: Kaisen en Miller waren laagbetaalde Deense immigranten zonder wetenschappelijke opleiding en Loomis een net afgestudeerde nieuweling. Het beschrijvende artikel vermeldt hun namen niet eens. Daarentegen waren natuurhistorische musea in deze periode bang dat hun hooggekwalificeerde preparateurs door de concurrentie weggekocht zouden worden en aandacht schenken aan hun vaak onderbelichte werk was een van de methoden hun loyaliteit te vergroten. Osborn deed illustrator Charles Knight een lithografie maken met Ornitholestes die een Archaeopteryx grijpt als onderwerp.
Het holotype AMNH 619 is gevonden in een laag van de Salt Wash-afzetting van de Morrisonformatie dat dateert uit het middelste Kimmeridgien, ongeveer 153 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: het grootste deel van de schedel; de onderkaken; drie halswervels; negen ruggenwervels; het heiligbeen; zevenentwintig staartwervels; twaalf chevrons; beide opperarmbeenderen; een spaakbeen; een stuk ellepijp; het eerste middenhandsbeen met een complete eerste vinger; een stuk van het tweede kootje van de tweede vinger; het derde kootje ofwel klauw van de tweede vingerdelen van de schaambeenderen; de zitbeenderen; een stuk dijbeen; een bovenste kuitbeen; een tarsale uit de enkel; het tweede, derde en vierde middenvoetsbeen; de klauw van de eerste teen; het eerste kootje en het derde kootje ofwel klauw van de tweede teen; het eerste kootje, tweede kootje en vierde kootje ofwel klauw van de derde teen en het eerste kootje, tweede kootje, vierde kootje en vijfde kootje ofwel klauw van de vierde teen.
Osborn wees ook nog een elders gevonden hand, specimen AMNH 587, aan Ornitholestes toe; deze werd echter in 2005 aan Tanycolagreus toegewezen. Fragmenten uit Quarry 9 in Wyoming en de Dry Mesa Quarry in Colorado zijn aan Ornitholestes toegewezen maar kunnen ook van andere kleine theropoden uit de periode zijn.
In 1916 wijdde Osborn een aanvullende beschrijving aan Ornitholestes.Osborn, Henry Fairfield, 1917, "Skeletal adaptations of Ornitholestes, Struthiomimus, Tyrannosaurus", Bulletin of the American Museum of Natural History 35(43): 733–771 Charles Whitney Gilmore meende in 1920 dat de soort identiek was aan CoelurusGilmore, C.W., 1920, "Osteology of the carnivorous Dinosauria in the United States National Museum, with special reference to the genera Antrodemus (Allosaurus) and Ceratosaurus", Bulletin U.S. National Museum CX: 1-154 met als gevolg dat gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw Ornitholestes niet als een valide geslacht werd gezien — en veel wat in de literatuur over Coelurus vermeld stond in feite op Ornitholestes betrekking had. In 1930 hernoemde Oliver Perry Hay de soort tot een Coelurus hermanni.Hay, O.P., 1930, Second Bibliography and Catalogue of the Fossil Vertebrata of North America. Carnegie Institution of Washington. 390(II): 1-1074 Pas in 1980 deed John Ostrom soort en geslacht herleven.Ostrom, J.H., 1980, "Coelurus and Ornitholestes: are they the same?", In: Jacobs, L. (ed.) Aspects of Vertebrate History. Flagstaff, Museum of Northern Arizona Press. pp. 245-256
De moderne studie van Ornithololestes werd nogal belemmerd door het feit dat het specimen in zijn museumopstelling weinig toegankelijk was. De beenderen konden niet van alle kanten bekeken worden en door de restauratie was het vaak volstrekt onduidelijk wat nu authentiek materiaal was en wat een aanvulling in geverfd gips. Gregory S. Paul behandelde de soort in 1988 kort, waarbij hij de klemtoon legde op de gelijkenis in bouw met Proceratosaurus.Paul, G.S., 1988, "The small predatory dinosaurs of the mid-Mesozoic: The horned theropods of the Morrison and Great Oolite — Ornitholestes and Proceratosaurus — and the sickleclaw theropods of the Cloverly, Djadokhta, and Judith River — Deinonychus, Velociraptor, and Saurornitholestes, Hunteria, 2(4): 1-9 Begin twintigste eeuw werd het specimen opnieuw geprepareerd, waarbij de echte botten weer werden blootgelegd en met moderne middelen bestudeerd. Hierop herbeschreef Kenneth Carpenter in 2005 de postcrania, de delen achter de schedel, van Ornitholestes,Carpenter, Kenneth; Miles, Clifford; Ostrom, John H.; Cloward, Karen, 2005, "Redescription of the Small Maniraptoran Theropods Ornitholestes and Coelurus". In: Carpenter, Kenneth (ed.). The Carnivorous Dinosaurs. Life of the Past. Indiana University Press. pp. 49–71 en in 2006 Philip Senter de hand.Senter, P., 2006, "Forelimb function in Ornitholestes hermanni Osborn (Dinosauria, Theropoda)", Palaeontology, 49(5): 1029-1034 Een studie van Mark Norell van de schedel moet nog gepubliceerd worden.
Een dergelijke studie kan wellicht de precieze relatie met Coelurus en Tanycolagreus ophelderen. Het laatste taxon, ook een kleine roofsauriër, is uit dezelfde vindplaats bekend. Het is op zich verdacht dat eenzelfde leefgebied twee sterk gelijkende soorten geacht wordt te herbergen. Een eenvoudiger verklaring is dan dat Tanycolagreus een jonger synoniem is van Ornitholestes. Verder is het onzeker wat nu exact de kenmerken zijn van dit laatste taxon. De voet en het hoofd zijn namelijk apart gevonden. Dat bergt het gevaar in zich dat die van verschillende individuen, van wellicht verschillende sekse of leeftijd, afkomstig zijn of zelfs helemaal niet aan Ornitholestes zouden toebehoren maar aan Tanycolagreus — of Coelurus die in dezelfde tijd ook al in Noord-Amerika voorkwam. Voorlopig houdt men er echter aan vast dat de drie taxa niet samenvallen. Ornitholestes lijkt namelijk op een aantal punten duidelijk van zowel Tanycolagreus als Coelurus te verschillen.
Beschrijving thumb|350px|Het holotype zoals opgesteld in het AMNH en afgebeeld in William Diller Matthews Dinosaurs uit 1915
Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken Ornitholestes is een kleine tweevoetige roofsauriër. Zoals opgesteld heeft het holotype een lengte van 222 centimeter. Hermann ging bij de reconstructie echter af op de basale sauropodomorf Anchisaurus — indertijd werden die nog gezien als roofdieren in plaats van planteneters — met als gevolg dat die wat te lang uitviel: vooral de staart zal in het echt korter geweest zijn en ook de nek was wat te langgerekt. In 1988 schatte Gregory S. Paul de lengte op 208 centimeter, het gewicht op 12,6 kilogram.
Indien het holotype echt één enkel individu vertegenwoordigt en geen combinatie is van ongelijksoortig materiaal, heeft Ornitholestes een heel karakteristiek uiterlijk: het hoofd is relatief klein en de nek kort ten opzichte van een lichaam waarvan de langwerpigheid versterkt wordt door tamelijk korte achterpoten. De voorpoten zijn daarentegen juist opvallend lang. De lengte van de achterpoot is echter opnieuw onzeker. Alleen de bovenkant van een kuitbeen is bekend en daaruit had Osborn een onderbeenlengte berekend die lager lag dan die van het bovenbeen. Die extrapolatie is echter erg onwaarschijnlijk omdat alle verwanten langere onderbenen hebben. Uitgaande van een kort onderbeen schatte Paul in 1988 de heuphoogte op zevenenveertig centimeter;Paul, Gregory S., 1988, Predatory Dinosaurs of the World, Simon & Schuster Osborn kwam in 1903 uit op zesenvijftig centimeter, in 1916 op 483 millimeter.
Volgens Carpenter verschilt Ornitholestes in de volgende kenmerken van Tanycolagreus: de snuitpunt is meer afgerond; het quadratojugale is L-vormig in plaats van T-vormig; het postorbitale steekt niet uit in de oogkas; de wervellichamen van de ruggenwervels zijn langer dan hoog; de voorste gewrichtsuitsteeksels van de achterste staartwervels beslaan de helft in plaats van een derde van de lengte van de voorliggende wervel; in de onderarm is het spaakbeen recht en robuust.
Ornitholestes verschilt ook van Coelurus: er zijn geen pleurocoelen in de voorste ruggenwervels; de voorste gewrichtsuitsteeksels van de achterste staartwervels zijn zeer langgerekt in plaats van kort; het opperarmbeen is recht in plaats van golvend; het spaakbeen is robuust in plaats van slank; de dijbeenschacht is in vooraanzicht recht in plaats van golvend; de middenvoet is veel korter.
Verschillen met zowel Tanycolagreus als Coelurus zijn: er loopt bij de halswervels geen richel tussen het voorste gewrichtsuitsteeksel en het wervellichaam; de achterste ruggenwervels zijn als geheel langer dan hoog; de doornuitsteeksels van de ruggenwervels zijn lager; de doornuitsteeksels van de ruggenwervels overhangen het wervellichaam van de achterliggende wervel niet; de achterste staartwervels hebben een richel aan hun zijkanten lopen; de verheffing aan de binnenzijde van het opperarmbeen is afgerond.
Skelet Schedel