thumb|Portret van Bernard van Orley door Albrecht Dürer (1521). De Duitse meester logeerde bij hem in Brussel. Bernard van Orley (Brussel, tussen 1487 en 1491 – aldaar, 6 januari 1541) was een Brabants schilder en tekenaar behorend tot de Noordelijke renaissance. Hij was tevens een toonaangevende ontwerper van wandtapijten en glas-in-loodramen. Hij bleef lange tijd wat ondergewaardeerd bij gebrek aan voldoende of recente monografieën over zijn leven en werk.

Zijn naam wordt in documenten op verschillende wijzen weergegeven, zoals gebruikelijk in die tijd: Bernard (Barend, Barent, Beernaert, Beernaerd) van Orley (d'Orlich, d'Ourlech, Orlet), Barend van Brussel, Bernardus Dorley, Bernardus Bruxellanus en Bernardo di Brusseles.

Familie miniatuur|Print van een portret van Bernard van Orley. Gemaakt in de zestiende eeuw. Zijn familie was oorspronkelijk afkomstig uit Luxemburg en stamde af van het nobel geslacht van de heren van Ourle (ook Orley geschreven). Zijn grootvader Jan week uit naar het hertogdom Brabant, waar zijn vader Valentijn van Orley (ca. 1466-1532) werd geboren als buitenechtelijk kind. Valentijn trouwde met Jeanne Smolders. Het enige werk dat aan hem kan worden toegeschreven is het Saluzzoretabel in het Museum van de Stad Brussel. De panelen van Het Leven van Sint Rochus uit de Sint-Jacobskerk in Antwerpen worden toegeschreven aan hun oudste zoon, Everard van Orley.

Hun zoon Bernard van Orley trouwde in 1512 met Agnes Seghers (1492-1539). Na haar overlijden, huwde hij snel opnieuw met Catherina Hellinckx (†1581). Met de eerste echtgenote kreeg hij zeven kinderen en met de tweede twee. Zijn vier zonen volgden in de voetstappen van hun vader en werden eveneens kunstschilder of tapijtontwerper en -wever.

Afkomst van de familie Van Orley Bernard van Orley behoorde tot een uitgebreide familie van kunstschilders, beginnend bij zijn vader en die zich enkele generaties verder doorzette. Valentijn van Orley (ca. 1466-1532): Everard van Orley (geboren rond 1491), schilder; Bernard van Orley (ca. 1491-1541), schilder en ontwerper van tapijten; Philip van Orley, ontwerper van tapijtkartons; Gomar van Orley, schilder (actief rond 1533). Bernard van Orley: Jan van Orley; Michael van Orley (†1593); Jan van Orley; Hiëronymus I van Orley, schilder (actief rond 1567-1602); Bernard II van Orley, schilder (ca. 1535-1553) Bernard II van Orley (ca. 1535-1553): Hiëronymus II van Orley (schilder en decorateur) Hiëronymus II van Orley: Hiëronymus III van Orley, portretschilder, decorateur, etser (gedocumenteerd in 1652); Pieter van Orley (1638- na 1708), miniaturist en landschapschilder; François van Orley, schilder van historische taferelen; Richard I van Orley Pieter van Orley (1638-1708): Richard II van Orley (1663-1732), schilder en etser; Jan van Orley (1665-1735), schilder en etser.

thumb|

Opleiding Er wordt soms beweerd dat Bernard van Orley zijn opleiding voltooide in Rome bij de School van Rafaël, maar hiervoor zijn er geen betrouwbare bronnen. Men mag veeleer aannemen dat hij opgeleid werd in Brussel in het atelier van zijn vader. Op dat ogenblik waren er in Brussel slechts weinig schilders met enige faam, met name Jacob van Laethem en de schilders uit de Coninxloofamilie. Zijn vader, Valentijn van Orley, was een obscure schilder waarover weinig bekend is en van wie praktisch geen werken meer bestaan. Men weet dat hij een tijd in Antwerpen heeft gewoond en daar ingeschreven stond als meester in de registers van de Sint-Lucasgilde en er verschillende leerlingen had., Valentin van Orley, in The Burlington Magazine for Connoisseurs 69 (1936), pp. 263-265, 268-269.

Tussen 1516 en c. 1520 waren de kartons van Rafaël voor de wandtapijtenreeks De Handelingen van de Apostelen, bestemd voor Paus Leo X, aanwezig in Brussel om verwerkt te worden tot wandtapijten. Brussel was immers tussen de 15e en de 18e eeuw toonaangevend voor wandtapijten. Men neemt aan dat Bernard van Orley deze kartons heeft gezien en bestudeerd en dat dit zijn kennis van de stijlkenmerken van de Italiaanse renaissance verklaart.

Schilderijen thumb|left|

De Triptiek der Brusselse schrijnwerkers en kuipers wordt beschouwd als vroeg werk uit ca. 1512 (ook het Apostelaltaar genoemd) en zou daarmee zijn eerste gesigneerde én gemonogrammeerde werken zijn. Het centrale paneel bevindt zich in het Kunsthistorisches Museum Wien en de zijluiken in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel. Het verhaalt het leven van twee apostelen Thomas en Matteüs. Deze triptiek was oorspronkelijk besteld voor een kapel in de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk in Brussel.

In zijn eerste werken zette hij de traditie voort van Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en hun volgelingen. Maar spoedig begon hij beetje per beetje de Italiaanse renaissancemotieven toe te passen, zoals die voorkomen bij de figuren uit en de ruimtelijke verhoudingen in het werk van Rafaël.

Hij werd in 1515 gevraagd om de luiken van een gebeeldhouwd retabel te schilderen voor de Broederschap van het Heilig Kruis in de Sint-Walburgakerk in Veurne nadat eerdere ontwerpen van Clays Soyllot en Willem Wynstyne waren afgekeurd. De luiken werden, kennelijk naar grote tevredenheid, afgeleverd in 1520. Of dit kunstwerk nog bestaat is onbekend.

Vanaf 1515 ontving Van Orley en zijn atelier regelmatig opdrachten voor portretten, dikwijls vanwege de landvoogdes en haar Habsburgse entourage, en van hogere ambtenaren verbonden aan het Hof. Hij schilderde in 1516 een reeks van zes portretten: Karel V, die toen juist koning van Spanje was geworden, zijn broer Ferdinand, de latere koning van Hongarije en Bohemen, en zijn vier zusters. Ze waren bestemd voor Isabella van Habsburg en koning Christiaan II van Denemarken, met wie zij in 1514 was gehuwd. In 1522-23 schilderde de Brusselse kunstenaar voor dezelfde koning een politieke allegorie, nu in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België., Portraits and Politics - Evolution in the Depiction of King Christian II of Denmark during his reign and exile (1513-1531), in: H. Brand (ed.) Trade, diplomacy and cultural exchange, Continuity and change in the North Sea and the Baltic c. 1350-1750, Hilversum, 2005, p. 204-207

De geschilderde kopie uit 1516 van de Lijkwade van Turijn wordt meestal toegeschreven aan Albrecht Dürer, maar soms ook aan Bernard van Orley.1516 Copy of the Shroud Attributed to Albrecht Durer or Bernard van Orley, ShroudOfTurin4Journalists.com (2006).

In 1517 werd hij erkend als meester door de Antwerpse Sint-Lucasgilde. thumb|

Hij werd op 23 mei 1518 aangesteld tot hofschilder van Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes van de Nederlanden, als opvolger van Jacopo de'Barbari. Hierdoor kwam hij ook aan het hoofd te staan van een groot atelier met een belangrijke productie. Zijn broers Everard en Gomar werkten eveneens in dit atelier. Hij werd aldus een van de eerste zakelijke artiesten in noordelijk Europa. Samen met dit atelier maakte hij veel schilderijen, terwijl hijzelf, vanaf 1515, meer en meer ging toeleggen of het maken van kartons voor wandtapijten en het ontwerpen van glas-in-loodramen. Een groot veelluik uit dit atelier is de Mariapolyptiek van 1520, gemaakt voor de begijnhofinfirmerie van Brussel.

De Triptiek met de deugd van het geduld (KMSKB), ook het Jobaltaar genoemd, is een van zijn belangrijkste werken. Hij kreeg in 1521 hiertoe van Margaretha van Oostenrijk de opdracht om haar gedicht over de deugd van het geduld uit te beelden. De binnenpanelen verhalen de beproevingen van Job, terwijl de buiten panelen de parabel verhalen van de arme Lazarus en de rijke vrek. Dit triptiek is volledig van de hand van Bernard van Orley, zonder medewerking van zijn atelier. Hij moet bijzonder trots geweest zijn van dit werk, vermits hij het signeerde met “ELX SYNE TYT” Hiermee gaf hij zijn mening dat elke kunstenaar moet volledig geïntegreerd zijn in de (nieuwe) kunstrichtingen van zijn tijd. thumb|left|

In hetzelfde museum staat ook de meesterlijke Haneton-triptiek. Deze triptiek werd besteld door Philips Haneton, eerste secretaris van de Geheime Raad van Karel V. Het middenpaneel geeft een aangrijpende Piëta, waarbij Maria de dode Christus vasthoudt, tegen een achtergrond van personages ten halve lijve en een archaïserend gouden fond (dat enigszins Byzantijns aandoet). Dit alles is geschilderd in een persoonlijke stijl, waarbij de droefenis of ingetogen wijze getoond wordt. De personages werden geschilderd in een maniëristische stijl met terzelfder tijd invloeden van de Vlaamse Primitieven en de vormentaal van Albrecht Dürer. Het linkerpaneel geeft Philips Haneton en zijn zonen in biddende houding met de heilige Philippus, en het rechterpaneel zijn echtgenote met de dochters en de heilige Margaretha.

De triptiek “Het Laatste Oordeel” (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen) was een opdracht van de Antwerpse Armenkamer voor hun kapel in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (Antwerpen). Het wordt ook beschouwd als een van zijn betere werken wegens de vertoonde meesterschap en originaliteit. De scènes moesten de liefdadigheidsactiviteiten uitbeelden van het "Aalmoezenhuis der Huysarmmeesters". De thematiek verwees eveneens naar een actuele gebeurtenis: de Ieperse hervormingen (1525-1530), die als gevolg hadden dat er een betere en meer gecentraliseerde uitoefening van het bijstadssysteem ontstond in de Nederlanden. De schilderijen in grisaille op de keerzijde zijn van de hand van Pieter de Kempeneer, die op dat ogenblik een gezel was in het atelier van Bernard van Orley.

Het altaarstuk der Calvarieberg in de Onze-Lieve-Vrouwekerk (Brugge) dateert van 1534 en is dus een van zijn latere schilderijen. Het werd oorspronkelijk besteld door Margaretha van Oostenrijk voor het grafmonument van haar derde echtgenoot Filibert II van Savoye in de abdij van Brou in Bourg-en-Bresse, Bourgondië. Het centraal gedeelte stelt de Calvarieberg voor, het linkerpaneel de doornenkroon, de geseling van Christus en Christus die het Kruis draagt. Het rechterpaneel geeft een piëta en het voorgeborchte der rechtvaardigen. De zijpanelen werden echter veel later afgewerkt door Marcus Gerards de Oudere. De triptiek werd dan overgebracht naar Brugge door Margaretha van Parma, landvoogdes voor Filips II van de Nederlanden.

Zijn portretten echter getuigen niet van een vernieuwende aanpak. Hij schildert zijn subjecten gewoonlijk in een zittende positie, met wezenloze gezichten en zonder veel psychologische diepte. Van verschillende portretten, zoals die van Margaretha van Oostenrijk en Karel V werden er door zijn atelier een groot aantal kopieën gemaakt.

Anderzijds schilderde hij zijn afbeeldingen van heiligen gewoonlijk ten voeten uit, zoals bij "Madonna met Kind en Johannes de Doper" (Museo del Prado, Madrid, inv. nr. 1932). Op de achtergrond ziet men een open zuilenrij, een baldakijn of een aantal bomen. Dit type compositie komt tamelijk veel voor in dergelijke schilderijen uit de zestiende eeuw. thumb|

Bernard van Orley signeerde zijn schilderijen, vooral in zijn beginperiode voor 1521, met het wapenschild van de Seigneurs d'Orley: argent en keel in gedeelde velden. Er is evenwel de mogelijkheid geopperd dat dergelijke schilderijen het werk zijn vader Valentijn, vermits deze in feite in lijn nog dichter stond bij het adellijk geslacht.

Toen Albrecht Dürer de Nederlanden bezocht in 1520 ter gelegenheid van de kroning van de nieuwe keizer Karel V, had hij ook een ontmoeting met Bernard van Orley, die hem een banket had aangeboden. Hij noemde van Orley enigszins flatteus de “Rafaël der Nederlanden”. Bij die gelegenheid schilderde hij ook een portret van zijn gastheer.