De Kring, tot halverwege de jaren 1970 'Peizerweg 170' genoemd, is een woonwijk aan de Peizerweg in de stad Groningen, die deels bestaat uit een woonwagenkamp. Sinds de nieuwe indeling van de gemeente in 2014 geldt De Kring als een buurt binnen de wijk Hoogkerk e.o.
De Kring ligt tussen het Stadspark en het dorp Hoogkerk en grenst aan de nieuwbouwwijk De Buitenhof, waarvan het echter volledig geïsoleerd ligt doordat het omringd wordt door water. Aan overzijde van de weg ligt het gehucht Het Streekje. PKC '83 of de Peizerweg Kring Combinatie is de voetbalclub van het woonwagenkamp.
Bewoners Op De Kring wonen 337 mensen (2017). Op het kamp zijn veel familiebanden. Lang niet alle woonwagenbewoners zijn echter geboren en getogen op het kamp. Er wonen ook veel mensen die eerder in een huis woonden en zich op latere leeftijd in een woonwagen gevestigd hebben.
De Kring is van oudsher het grootste woonwagenkamp van de provincie Groningen. Sinds de jaren 1980 zijn er echter steeds meer woningen voor kampbewoners gebouwd op en naast het kamp. In 2017 telde De Kring 82 woonwagenstandplaatsen en 57 huizen.
Geschiedenis Huis voor Gedelogeerden Het is niet bekend wanneer er voor het eerst sprake was van woonwagens aan de Peizerweg. Nadat de gemeente in 1892 een plaatselijke verordening had aangenomen waarmee het plaatsen van woonwagens op privéterreinen werd verboden, werd het voor hen min of meer onmogelijk om met hun woonwagens in de stad te verblijven, omdat ze nergens mochten staan. In 1904 kocht de gemeente Groningen een stuk grond aan de Peizerweg voor de stichting van een huis voor zogenoemde 'gedelogeerden' (uit hun woning verdrevenen); mensen die wegens wanbetaling uit huis waren gezet. Deze daklozen moesten op deze afgelegen locatie zo sober mogelijk worden opgevangen op dat de opvang niet aantrekkelijk zou worden. Een jaar later werd dit huis gerealiseerd.De woonomstandigheden van dit (te)huis waren zeer slecht. In 1931 wordt gesproken over veel te kleine woningen, waarbij bewoners van de grond moeten slapen. De woonruimtes hadden 'gevangenisachtige raampjes' met onvoldoende daglicht. Gesproken werd over allerschandelijkste mensonterende toestanden (Nieuwsblad van het Noorden, 20 december 1931). Bij de sluiting in 1948 werd gezegd: 'Groningen zal niet weer dezelfde weg opgaan met de a-socialen' (Nieuwsblad van het Noorden, 16 november 1948).
Reeds in 1904 is er sprake van rondtrekkende 'zigeuners' die tijdelijk verbleven aan de Peizerweg, zo blijkt uit een ronduit racistisch ingezonden stuk in de Provinciale Drentsche en Asser Courant. Mogelijk bevond zich hiertoe een trekkersveldje. In 1913 wordt namelijk gesproken over een terrein aan de Peizerweg dat 'de gewone plaats voor woonwagens' was. Mogelijk ging het hier om het terrein van het 'huis van gedelogeerden'.
Verplaatsing van de Singelweg naar de Peizerweg Begin jaren 1920 bevonden de meeste woonwagens in de stad Groningen zich op een terrein aan de Singelweg. In 1921 waren er echter bouwplannen voor dit gebied en werd door de gemeente gezocht naar een nieuwe locatie. Volgens politiecommissaris Jacobus Johannes Tonckens en gemeentearchitect Jan Anthony Mulock Houwer konden ze wel worden verplaatst naar een stuk gemeentegrond ten westen van de Zaagmuldersweg.Mogelijk was dit een uitvloeisel van de Wet op Woonwagens en Woonschepen uit 1918, waarin onder andere stond dat woonwagenbewoners zich alleen nog mochten vestigen op een door de gemeente toegewezen stuk grond. Politiecommissaris Hendrik Frederik van Rosmalen vond dit echter te dicht bij het Rode Dorp (een buurt voor armen), waar nu al klachten over binnen kwamen van omwonenden, die volgens hem door de plaatsing van woonwagens alleen nog maar zouden worden vergroot. Hij vond dat ze beter konden worden verplaatst naar het gemeenteterrein achter het Huis van Gedelogeerden. De conciërge van dit huis kon dan een beetje toezicht op hen houden. Van Rosmalen dacht dat deze afgelegen plek hen misschien ook meteen zou afschrikken en ze de stad dan misschien zouden verlaten of een huis zouden gaan zoeken. In een advies aan B&W gaf hij als slotregel aan 'dat de aanwijzing van dit terrein werkelijk tevens een maatregel zou zijn, om van overlast, veroorzaakt door woonwagenbewoners, bevrijd te geraken'. Bij schouw van het terrein constateerden Mulock Houwer en Van Rosmalen echter dat het terrein bestond uit slappe veenbodem en het terrein daarom eerst zou moeten worden verhard, er een brug moest komen en ook enkele privaten. Water konden de bewoners volgens hen wel halen uit de regenbakken van het huis van gedelogeerden. De woonwagenbewoners werd vervolgens te kennen gegeven dat ze snel moesten vertrekken omdat de aannemer beginnen wilde met zijn bouwplannen. Bij het inspecteren van het terrein kwamen ze echter tot de conclusie dat er nog niks aan het terrein was gedaan: er stonden zelfs nog wintervruchten op en een boom versperde de doorgang. Woonwagens zouden wegzakken in de grond. Zij hadden echter geen keus en moesten in november alsnog vertrekken naar het terrein, zonder dat er iets aan was gedaan. Daarmee werd feitelijk de basis gelegd voor het huidige woonwagenkamp.Hofman, B. (2002), Woelig Groningen: verhalen uit het verleden van de stad, deel 2. pp. 25-26
Klachten van omwonenden: De gemeente verbetert het terrein De gemeente dacht een goedkope oplossing voor hun probleem te hebben gevonden. De vestiging van de ongeveer 20 woonwagens aan weerszijden van het Huis voor Gedelogeerden leidde echter binnen een paar maanden tot een stroom van klachten van omwonenden van de Peizerweg. Omdat het onverharde terrein in het natte jaargetijde erg drassig werd, hadden de bewoners hun wagens noodgedwongen aan weerszijden van het huis van gedelogeerden geparkeerd en waren zij genoodzaakt om hun activiteiten te verplaatsen naar de openbare weg. Ook de kinderen speelden hier, met het gevaar dat ze konden worden overreden door de tram. Omwonenden klaagden over op de weg en in hun landerijen spelende kinderen, gokkende clubjes bewoners op straat, rondslingerend afval, loslopende paarden en over het wegbreken van afrasteringen van hun landerijen om als brandhout te worden gebruikt door bewoners. Omdat de bestaande privaten ontzettend vervuild waren deden de bewoners hun behoeften verder liever in de sloot, wat volgens omringende boeren en kwekers een gevaar was voor de 'algemeene gezondheid' omdat zij dit water ook gebruikten voor het was van groenten en melkbussen. De gemeente Groningen besloot daarop in 1923 om een deel van het terrein aan te wijzen als officiële standplaats in het terrein en het terrein toch maar enigszins te verbeteren door de aanleg van een weg vanaf de Peizerweg, waarlangs de woonwagens verder van de weg af konden worden opgesteld. Ook werd er een waterput geslagen en kwam er een faecaliënwagen om de privaten beter te kunnen reinigen. Om het terrein kwam ook een afrastering. Bij de ingang was reeds een gebouw voor de conciërge annex beheerder/bewaker van het kamp en het huis van gedelogeerden.
Ontwikkeling van het kamp In 1934 was nog steeds slechts een klein deel van het terrein verhard. Het Huis voor Gedelogeerden en de privaten van het kamp verkeerden toen in slechte staat. Besloten werd toen om het terrein wat te verbeteren en een paardenstal te bouwen voor de loslopende paarden. In de jaren erop werd het paarden houden echter steeds minder populair en verdween uiteindelijk helemaal. In 1940 werd besloten dat de bewoners voortaan moesten betalen voor het gebruik van terrein in verband met de door de gemeente gemaakte kosten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd op last van de bezetter een trekverbod ingesteld en werd in Groningen een verzamelkamp ingericht waar woonwagenbewoners uit omliggende gebieden naartoe moesten komen. Waarschijnlijk zijn er geen woonwagenbewoners weggevoerd en omgebracht; een ambtenaar rekende de woonwagenbewoners niet tot deze bevolkingsgroepen die werden aangeduid met 'zigeuner' in het trekverbod, waardoor er geen bewoners werden opgepakt tijdens een razzia op 16 mei 1944. Na de oorlog werd het trekverbod weer opgeheven.
In 1948 bleek dat het bestaande kamp uit zijn voegen dreigde te barsten. De gemeente overlegde over de vraag of er een tweede kamp moest komen of dat het bestaande kamp moest worden vergroot.Hofman (2008), p. 7 Nadat een plan voor de verplaatsing van het hele kamp naar een terrein naast het Stadspark vanwege bezwaren van omwonenden niet doorging, werd besloten tot de sloop van de woonruimtes voor de gedelogeerden in de daardoor ontstane ruimte bij het terrein te voegen, zodat er meer ruimte was voor 28 standplaatsen. De kermisklanten werden in 1949 overgebracht naar het nog altijd bestaande kamp aan de Helper Westsingel. Reeds in 1950 bleek de gepleegde uitbreiding aan de Peizerweg onvoldoende; een bewoner werd toen weggesleept omdat er voor hem geen plaats was.
De Grote Trek: Verbetering van de maatschappelijke en culturele zorg In 1955 werd de Stichting voor maatschappelijke en culturele zorg De Grote Trek opgericht om verbetering te brengen in het lot van de woonwagenbewoners in de gemeente Groningen.De stichting werd opgericht door leden van hervormde, gereformeerde en katholieke gezindte, de Stichting Sociale Culturele Zorg Rondtrekkende Bevolking, de gemeente en werd ondersteund door de provinciale afdeling van het Ministerie van Maatschappelijk Werk en Onderwijs, politie, de GGD en het Gewestelijk Arbeidsbureau. De stichting beoogde het gestelijk en maatschappelijk welzijn van de woonwagenbewoners te bevorderen, in het bijzonder voor de trekkers. De stichting richtte zich op betere gezondheidszorg (door het Groene Kruis), scholing (verminderen van het analfabetisme) en het organiseren van activiteiten rond ontspanning en sport. Aan bewoners werden cursussen aangeboden en kinderen kregen voortaan les in de kindergemeenschap De Tazelaar aan de Friesestraatweg In 1956 werd gewerkt aan het verbeteren van de hygiëne. De toiletvoorzieningen werden verbeterd en om de ratten te weren werden de sloten rond het kamp gedempt en de riolen afgesloten met roosters. Het terrein werd verbreed om de woonwagens verder uit elkaar te kunnen plaatsen. Ook werd er eindelijk een speelplaats ingericht voor de kinderen; iets wat al in de jaren 1920 was voorgesteld. In 1959 werd een nieuw recreatiegebouw ('clubgebouw') gerealiseerd, waarin cursussen en ontspanningsactiviteiten konden worden georganiseerd.
De Tazelaar is vernoemd naar onderwijsinspecteur Tazelaar die verantwoordelijk was voor de oprichting van de school, die zich bevond aan het eind van de Friese Straatweg, schuin tegenover Melkfabriek De Ommelanden. In 1971 werden de kinderen verplaatst naar een leegstaand streekschooltje aan de Zuiderweg 80 ten westen van het kamp. In 1964 werd een kleuterschool opgericht op het kamp om de achterstand van de kinderen in het lager onderwijs te verkleinen. In 1975 telde de school 55 lagere scholieren en vijftien kleuters. De school groeide in de jaren 1970 tot ongeveer 90 leerlingen, waarvoor twee vleugels aan de school moesten werden gebouwd.Hofman (2008), p. 44 Tot 1985 gingen kinderen tot hun 12e, 13e of 14e naar De Tazelaar, om vervolgens te gaan werken. Met de invoering van het basisonderwijs het jaar erop moesten de kinderen tot hun 18e naar school. Middels een speciaal gemeentelijk project werd vanaf 1986 ingezet op voortgezet onderwijs voor kinderen van woonwagenbewoners, waardoor zij een betere kans op een baan kregen. Met de herontwikkeling van de locatie begin jaren 1990 (zie verder) werd de school in 1994 gefuseerd met een andere school tot OBS De Ploeg, die zich ongeveer twee kilometer noordelijker bevindt (Zuiderweg 70-3). Veel jongeren waren in de jaren 1980 en 1990 echter nauwelijks opgeleid en mede daardoor werkloos. Om hen toch aan werk te helpen werden verschillende cursussen aangeboden (onder andere lassen).
Concentratiebeleid