De AMR 35 of Renault ZT (Automitrailleuse de Reconnaissance Renault Modèle 35 Type ZT) is een lichte Franse tank uit de Tweede Wereldoorlog.
In 1933 begon Renault met een project om de AMR 33 te verbeteren door de motor van voren naar achteren te verplaatsen. In 1934 werd ook een versterkte ophanging aangebracht. Datzelfde jaar werd het verbeterde type als AMR 35 door de Franse Cavalerie uitgekozen om de AMR 33 te vervangen op de productielijn. Er zouden tweehonderd voertuigen door de Cavalerie besteld worden in drie orders en in vijf versies, waaronder twee typen met als hoofdbewapening machinegeweren, twee typen tankjagers en een commandotankversie. Later zouden er nog tien exemplaren van een radiocommunicatievoertuig besteld worden, de Renault YS, en minstens veertig exemplaren gebouwd worden van een versie voor de tropen, de ZT 4.
Door grote financiële en technische moeilijkheden zou het type pas vanaf 1936 geleverd worden. De AMR 35 bleek een mechanisch onbetrouwbaar voertuig; het was een van de snelste tanks van zijn tijd maar juist hierdoor werd zijn mechaniek overbelast. De hele eerste productieserie moest in 1937 teruggeroepen worden naar de fabriek voor herbouw. Er werd toen besloten geen verdere voertuigen te bestellen maar door allerlei organisatorische problemen zou de productie van sommige versies tot in 1940 uitlopen en die van de ZT 4 zelfs onderbroken worden door de Franse nederlaag.
Anders dan zijn naam suggereert, was de AMR 35 geen verkenningsvoertuig; hij moest als gevechtstank in een grote massa zwaardere tanks voorgaan in de strijd. Al snel werd hij daartoe te licht geacht en zijn rol beperkt tot vuurondersteuning van de gemechaniseerde infanterie. Zo vocht hij in mei 1940 tijdens de Slag om Frankrijk in de pantserdivisies en gemotoriseerde cavaleriedivisies. De Duitsers hebben voor de duur van de oorlog nog van enige, soms omgebouwde, buitgemaakte voertuigen dienst gemaakt.
Ontwikkelingsgeschiedenis Nog voordat de AMR 33 in juni 1934 na enorme vertragingen in productie ging, begon Renault aan een project om dit type te verbeteren. Hij bouwde hiervoor geen heel nieuw prototype maar hield twee van de prototypes van de AMR 33 apart en verbouwde die. Al midden februari 1934 zond hij er één, N° 79759, aan de commissie die de AMR 33 moest beoordelen. Het voertuig had een verlengd chassis — men had de romp doormidden gezaagd en twintig centimeter lange platen tussengevoegd — en een sterkere Nerva Stella 28 CV achtcilindermotor die zich nu wél op de klassieke plaats bevond: achterin. Als argument daarvoor werd gegeven dat het ongewenst was dat een verkenningstank een grote dode hoek had. De plaats van de chauffeur aan de linkerkant zou uiteindelijk echter niet worden gewijzigd. De ware reden was dat het motorlawaai bij de oorspronkelijke indeling ondragelijk was; daarbij was de gewichtsverdeling ongunstig: door de grote massa vooraan maakte het voertuig bij iedere neerwaartse helling een plotse duik omlaag zodat de commandant met zijn hoofd tegen het torendak sloeg. Over dit alles was al begin 1933 door de Franse Cavalerie geklaagd; op 21 april 1933 zei Renault, met grote tegenzin, toe een verbeterd type te ontwikkelen; de constructie ving aan in september van dat jaar. Renault was echter eigenlijk helemaal niet van plan zo'n voertuig werkelijk in productie te nemen. Op 27 februari 1934 had zijn vertegenwoordiger en neef, François Lehideux, hierover een gesprek met het hoofd van de Franse Cavalerie, generaal Flavigny, waarin hem beleefd, maar ondubbelzinnig, duidelijk werd gemaakt dat Renault zich maar te schikken had naar de wensen van het leger. In ruil hiervoor, mocht hij zich zorgen maken over zijn investeringen, werd hem een bevoorrechte positie, als "hofleverancier" van de Cavalerie, voorgespiegeld.
De snelheid bleek op 21 februari 1934 op 72 km/u te liggen, voor die tijd een verbluffende prestatie. De cavalerieofficieren wezen er echter op dat de Renault Nerva Stella een sportauto was en haar motor een wat delicaat geval. Geadviseerd werd een robuuster busmotor te nemen. Renault verbouwde daarop in maart het, eveneens verlengde, tweede prototype, N° 79760, met een Renault 432 22 CV viercilinderautobusmotor. Dit werd tussen 3 en 11 april getest te Vincennes. Hoewel het voertuig niet veel sneller bleek dan de AMR 33, 64 km/u, was de internationale situatie door de verwachte herbewapening van Duitsland zo dreigend geworden dat op 15 mei 1934 het type goedgekeurd werd; op 17 mei volgde de voorlopige beslissing er honderd van af te nemen; op 3 juli 1934 het contract voor een eerste serie. Daarvan zouden er 92 stuks van de gevechtstank moeten zijn, de Automitrailleuse de Reconnaissance Renault Modèle 35 Type ZT ofwel AMR 35; de acht overige van een commandovoertuig, de Renault ADF 1. De gevechtstanks, die de nummers 87346 - 87437 kregen, zouden weer moeten worden verdeeld over twee varianten, een van twaalf stuks met een 7,5 mm mitrailleuse als bij de AMR 33, alle uitgerust met een ER1 radioset, en een van tachtig exemplaren met een grotere toren met een zware Hotchkiss 13,2 mm mitrailleuse. Van die tachtig laatste zouden er 31 gebouwd moeten worden met een ER1 radioset.
Het zou echter nog even duren voordat het eerste exemplaar geleverd kon worden. Nadat de AMR 33 bij de troep in dienst genomen werd, kwamen er al snel klachten over het loopwerk. Renault had zijn best gedaan dat zo licht mogelijk te houden (bij prototype 79756 bijvoorbeeld bestond de hele ophanging uit twee bladveren met aan de uiteinden een wielas) maar dat ging ten koste van de duurzaamheid. Tijdens het rijden op de weg bogen de elementen al zichtbaar naar buiten; een veeg teken — en inderdaad was de uitval ontstellend hoog doordat ze in het terrein helemaal afbraken. Er moest dus eerst een heel nieuwe ophanging ontwikkeld worden. Renault besloot, nadat een eerste op AMR 33 prototype N°79758 aangebrachte verbeterde ophanging met een geleidewiel dat de grond raakte, verworpen was, twee prototypes van een geheel nieuw systeem te ontwikkelen, die ook op dit voertuig uitgeprobeerd werden. Hij leidde dit af van de Renault R35-ophanging: drie horizontale rubber cilinderblokken (ieder weer bestaande uit vier rubbercilinders, gescheiden door stalen schijven) zorgden voor de vering. Het eerste, de Renault ZB, had net als de R 35 twee paar loopwielen per zijde plus een onafhankelijk geveerd wiel vooraan. Dit werd verworpen door het Franse leger, maar in maart 1936 in een aantal van twaalf besteld door China, waarna het bestuur van de provincie Yunnan er nog eens vier bestelde. Deze werden pas in 1940 geleverd. Het tweede type, de Renault ZT, had maar één paar loopwielen met een apart wiel ervoor en erachter en werd aanvaard.
De nieuwe ophanging werd voor het eerst beproefd op het derde prototype, een voertuig dat in september 1934 nieuw gebouwd werd uit weekijzer. Ook dit had de Renault 432 motor en de eigenaardigheid dat sommige platen niet met klinknagels maar met bouten bevestigd waren, ter snellere demontage. De toren was van het tweede prototype overgenomen en daarmee nog van het AVIS-1 type. Het geleidewiel was nog van de AMR 33-ophanging.
Beschrijving De serievoertuigen zouden weer van het derde prototype verschillen: de verticale staalplaten zijn allen met klinknagels op een chassis bevestigd en de motor zou uiteindelijk de Renault 447 worden, een afgeleide van de Renault 441, omdat de Renault 432 slechts een prototype was.
De AMR 35 is, hoewel zelfs voor zijn tijd een klein voertuig, wat groter en vooral langer dan de AMR 33: 3,84 m lang, 1,64 m breed en 1,88 m hoog. Het gewicht ligt beladen op 6,5 ton, onbeladen op zes ton. De verticale pantserplaten hebben een dikte van dertien millimeter, de schuine plaat op de voorkant er een van negen; dak en bodem zijn zes millimeter dik.
De indeling van het voertuig is in zoverre gewijzigd dat de motor naar achteren is verplaatst. De hele achterkant dient als motorcompartiment en de achteruitgang links is verdwenen. De chauffeur zit echter nog steeds links; rechts van hem bevindt zich een, nu verhoogde, luchtinlaat. De toren, de positie van het tweede bemanninglid: de commandant/schutter, bevindt zich iets links van het midden. Er worden twee typen torens gebruikt: de 7,5 mm mitrailleuse versie heeft de AVIS-1, de 13,2 mm-versie de AVIS-2. De 7,5 mm Modèle 1931 Type C heeft een munitievoorraad van 2250 in vijftien magazijnen van 150. Er is ook een reservemachinegeweer aanwezig dat, behalve ter vervanging van een vastgelopen wapen, kan dienen als luchtdoelwapen, te plaatsen op een oprichtbaar affuitje op de toren.
De ophanging bestaat uit vier vrij grote en stevige loopwielen met massief rubberen banden. De middelste twee zijn gepaard in een wielonderstel dat scharend geveerd wordt door een bovenliggend horizontaal rubberen cilinderblok. Daarvoor en achter bevindt zich een identiek loopwiel, ieder onafhankelijk geveerd met cilinderblokken die de tussenliggende ruimte vullen. De rubberen cilinders dienen meteen als schokbrekers. De rupsbanden zijn 22 cm breed en worden ondersteund door vier toprollers; de wielbasis is 148 centimeter. Het waadvermogen is zestig centimeter; het overschrijdingsvermogen 170 centimeter en een helling van 50% kan beklommen worden.
De Renault 447 22 CV vier-cilinder 5881 cc benzinemotor levert een maximaal vermogen van 82 pk bij 2200 toeren per minuut. De officiële maximumsnelheid is 55 km/u (Renault claimde 60 km/u), de gemiddelde snelheid op de weg 40 km/u. Er zijn enkelvoudige drogeschijfremmen en een Amerikaans Clevelanddifferentieel: samen zorgen ze voor een soepele besturing maar beide typen zijn onbetrouwbaar en slijtagegevoelig. Er zijn vier versnellingen voorwaarts en één achteruit. De carburateur is van het Zénith-type; gecombineerd met een Scintilla Vertex-startmagneet kan ook bij vorst elektrisch gestart worden; voor noodgevallen is er een zwengel. Een benzinevoorraad van 130 liter zorgt voor een rijbereik, over goede wegen, van tweehonderd kilometer.
Van de AMR 35's van de 7,5 mm-versie zouden 57 exemplaren — twaalf van de eerste productieserie, vijftien van de tweede en dertig van de derde — uitgerust worden met de ER29 radioset. Ze werden daartoe voorzien van een komvormige pantserbescherming rechts vooraan op de bovenbouw van de romp, maar toen de ER29-sets in 1936 inderdaad beschikbaar kwamen, was de techniek alweer veranderd en werden de bases van de twee meter lange antennes vóór die kom op het rechterspatbord geplaatst. De ER29 was een eenvoudig systeem dat de golflengte tussen vijftien en vijfentwintig meter benutte en een bereik had van vijf kilometer. Het werd bediend door de pelotonscommandant voor communicatie met hogere bevelslagen en was geclassificeerd als een zogenaamde "Type B" uitrusting. In 1939 kregen sommige voertuigen de verbeterde ER29 modèle 1939, met mede een ander antennemodel. Alle AMR 35's waren ontstoord met een ingebouwd draadrail zodat ze in principe van radio's voorzien konden worden; plannen om in 1940 de overige voertuigen met een ER28-set om te bouwen voor communicatie binnen het peloton konden door de nederlaag niet tot uitvoering worden gebracht. In de praktijk hadden zelfs veel pelotonscommandotanks niet hun voorgeschreven ER29.