thumb|Muurschildering van Gesar Het epos van koning Gesar is het belangrijkste heldendicht van Tibet en een groot deel van Centraal-Azië. Het epos is ontstaan in Kham in een periode dat er nog nauwelijks sprake was van georganiseerd en monastiek boeddhisme in het gebied. Onderdelen van het verhaal moeten voor 700 al in een of andere vorm hebben gecirculeerd en hebben een oorsprong in de preboeddhistische periode van Tibet.

Vanaf de elfde eeuw hebben boeddhistische missionarissen het epos in de vorm zoals het toen bestond voorzien van boeddhistische elementen. In de zestiende eeuw moet er iets als een proto-epos hebben bestaan. Met name in de negentiende en begin twintigste eeuw is een grote hoeveelheid tekst aan het epos toegevoegd met een verdere versterking van het boeddhistische element. De traditie van Gesar heeft echter altijd haar wortels in het volksgeloof behouden. In die zin zijn de boeddhistische elementen daaraan ondergeschikt.

Er zijn tientallen vaak ook inhoudelijk verschillende versies van het epos. Naast de Tibetaanse zijn er versies in het Burushaski, Ladakhi en meerdere Mongoolse versies, waaronder het Boerjatisch en Kalmuks. Het epos bevat in de verschillende tradities een vermenging van de verschillende regionale mythische, legendarische, folkloristische en religieuze elementen in het gebied waar het ontstond. In die zin is dan ook geen sprake van een soort oerversie van het epos.

De oudste bekende schriftelijke teksten dateren uit de achttiende eeuw. Er is nog een levende traditie van barden uit het epos voor te dragen. Uitvoeringen van het epos in de eenentwintigste eeuw zijn niet meer gebaseerd op een orale overlevering maar op de tekst van gedrukte versies. De lengte van het epos kan per versie verschillen. De bekendste Tibetaanse versies vormen echter het langste epos in de wereld. In die versies is sprake van een aantal van ongeveer 20 miljoen woorden. Het nu opgenomen repertoire van de bard Samdrup (Bsam grub) (1922–2011) vergt drieduizend uur om het geheel te beluisteren. Ter vergelijking: de Ilias van Homerus bevat 15.693 versregels, het Epos van koning Gesar meer dan een miljoen.

Kern van het verhaal Er zijn alleen al tientallen Tibetaanse versies van het epos die aanzienlijke inhoudelijke verschillen hebben. Er is wel sprake van een min of meer gemeenschappelijke kern. Die kern wordt meestal in zeven of acht episoden verdeeld.

In de eerste episode verzoeken de inwoners van het koninkrijk Ling ( Gling) de goden om een redder die hun land kan bevrijden van de kwade krachten en demonen. De goden nemen de beslissing een van hen naar de aarde te zenden. Padmasambhava bezoekt alvast de onderwaterwereld van de nagas om een nagaprinses te verkrijgen die de moeder van Gesar zal worden. In de tweede episode wordt Gesar geboren als de zoon van de nagaprinses en Seng blon, de leider van de stammen van de Gling. Zijn kwaadwillende oom Kho thung probeert hem te vermoorden maar slaagt daar niet in. In de derde episode verleidt Gesar zijn oom om een paardenrace te organiseren waarvan de winnaar koning van Ling zal worden alsmede Brug mo zal trouwen. Gesar wint de wedstrijd, bestijgt de troon en huwt Brug mo. In de vierde episode wordt Me bza Bum skyid, een andere vrouw van Gesar, ontvoerd door Klu btsan de demonische koning van het noorden. Met de hulp van de zuster van Klu btsan, de vrouwelijke strijder A stag Lha, weet Gesar Klu btsan te doden. De inwoners van het rijk van Klu btsan worden bekeerd tot het boeddhisme en bondgenoten van Ling. Me bza brengt echter Gesar in een diepe slaap zodat hij zijn missie vergeet en hij bij haar in het rijk van de demonen blijft. In de vijfde episode veroveren de drie demonische koningen van Hor onder hun leider Gur dkar het koninkrijk Ling. Zij ontvoeren Brug mo, die de moeder wordt van een kind van Gur dkar. Gesar wordt uiteindelijk wakker uit zijn slaap en keert terug naar Ling. Hij verslaat de drie demonische koningen die bondgenoten van het koninkrijk Ling worden. In de zesde episode bestrijdt Gesar nog twee andere rijken van demonische koningen. Die worden verslagen en hun inwoners worden eveneens bondgenoten van Ling. In de zevende episode bezoekt Gesar China, waar hij trouwt met een Chinese prinses. In de achtste episode bezoekt Gesar de onderwereld om zijn moeder, in sommige versies A stag Lha, te redden. Na zijn terugkeer besluit hij zijn missie voor geëindigd te beschouwen en keert hij terug naar het rijk van de goden.

Oorsprong van het epos De oorsprong van het epos wordt op het vakgebied gezocht in het oosten van het Tibetaanse cultuurgebied dat vroeger met de historische naam Kham werd aangeduid. Dat gebied maakte tot het midden van de negende eeuw deel uit van het Tibetaanse rijk. Een aantal elementen uit het verhaal wijzen op een ontstaan in een pastorale samenleving en cultuur waar georganiseerd en monastiek boeddhisme nog nauwelijks aanwezig was. Delen als de onderwaterwereld en de naga's hebben een oorsprong in de preboeddhistische periode van Tibet. Het zijn elementen die ook voorkomen in de Oude Tibetaanse kroniek bij verhalen over Drigum Tsenpo en Drongnyen Deru. Gesar daalt net als de mythische eerste Tibetaanse koning Nyatri Tsenpo vanuit de hemel af naar de aarde en vertrekt weer daarheen als hij zijn missie voltooid acht. Die elementen in het verhaal moeten voor 700 al in een of andere vorm hebben gecirculeerd. Het huwelijk van Gesar met een Chinese prinses heeft een equivalent in de Tibetaanse geschiedschrijving in het daar beschreven huwelijk tussen de Chinese prinses Wengcheng en Songtsen Gampo. (Feitelijk was Wengcheng de bruid van zijn zoon Gungri Gungtsen).

Tijdens de tweede verspreiding van het boeddhisme in Tibet vanaf de elfde eeuw moeten boeddhistische missionarissen het epos in de vorm zoals het toen bestond voorzien hebben van boeddhistische elementen. De introductie van Padmasambhava in het verhaal kan niet eerder dan in de veertiende eeuw zijn geweest en zijn rol in het epos blijft tot versies uit de negentiende eeuw zeer gering. In de zestiende eeuw moet er iets als een proto-epos hebben bestaan. Tot in de twintigste eeuw zijn er daarna uitbreidingen van het verhaal geweest. Waarschijnlijk is de hellevaart van Gesar om zijn moeder dan wel A stag Lha uit de onderwereld te redden na de zestiende eeuw in het verhaal opgenomen. In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn er mede op basis van veronderstelde openbaringen van terma's aanzienlijke delen aan het epos toegevoegd. Daarin wordt de rol van Padmasambhava sterk uitvergroot. Hierin heeft Padmasambhava een centrale rol in het verhaal gekregen als de architect van de goddelijke rol van Gesar of wordt daarmee ook zelfs vereenzelvigd. Het is ook op basis van dit soort toevoegingen dat bij uitvoeringen van het epos vanaf de laatste decennia van de twintigste eeuw uitvoering van rituelen zoals het brengen van offers, rookzuivering en het optreden van gemaskerde dansers een rol is gaan spelen.De gezaghebbende Tibetaanse auteur Samten Karmay heeft over deze ontwikkeling het volgende geschreven. Het hoogtepunt van de religieuze degeneratie van het epos werd aan het aan het eind van de negentiende eeuw bereikt toen Ju Mipham (een filosoof uit de nyingma-traditie) aan het epos rituelen van de sadhana toevoegde, teksten met beschreven rituelen die van de held Gesar een volledig boeddhistische godheid maakten

Ook in de literatuur van de Tibetaanse Bön-religie komt Gesar vele malen voor. In die literatuur wordt Gesar door Shenlha Okar, de belangrijkste godheid in de religie, naar de aarde gezonden. In de versie van de bön wordt door Gesar een gefragmenteerd Tibet weer herenigd en wordt de bön de dominante religie in het land.

Naast de Tibetaanse zijn er versies in het Ladakhi en meerdere Mongoolse versies, waaronder het Boerjatisch en Kalmuks. Het is niet duidelijk op welke wijze het epos zover naar het westen (Kalmukken) en noorden (Boerjaten) verspreid is. Het epos bevat in de verschillende tradities een vermenging van de verschillende regionale mythische, legendarische, folkloristische en religieuze elementen in het gebied waar het ontstond.

De versies in het Ladakhi en het Boerjatisch hebben vergeleken met alle andere versies zeer weinig boeddhistische invloeden. Er is geen verklaring voor dat feit in het geval van het Ladakhi. Bij de Boerjatische versie heeft de late introductie van het boeddhisme in pas de achttiende eeuw ongetwijfeld een rol gespeeld. In die versie zijn veel sjamanistische elementen aanwezig.

Etymologie Er bestaan op het vakgebied meerdere opvattingen over de herkomst van de naam Gesar. In de teksten van het epos wordt Gesar vaak Gling Gesar of ook wel Phrom Gesar genoemd. Meerdere malen komt ook de term Gesar, koning van Phrom voor. De naam Gling duidt op de in Kham gelegen streek Gling-tshang. In de vroegste kosmogonie van Tibet werd het hele grondgebied van het land gedivineerd als een kwade vrouwelijke demon. Die moest in bedwang gehouden worden door een aantal in de zevende eeuw gebouwde tempels op strategische plaatsen van haar veronderstelde lichaam. Een van die vier tempels stond in de streek Gling-tshang.

Een aanzienlijk aantal auteurs op het vakgebied relateert de benaming Phrom Gesar aan Rome en duidt dit als Gesar van Rome. Met het woord Rome wordt dan het Turkse woord Rûm bedoeld, waarmee het Byzantijnse rijk werd aangeduid. Er zijn munten gevonden van een vorst van Gandhara met de naam Fromo Kesaro. Dat heeft op het vakgebied geleid tot overwegingen dat oorspronkelijk met de naam Gesar niet een persoon maar een geografisch gebied werd aangeduid. In de literatuur van de bön wordt Fromo Kesaro ook uitsluitend als een geografisch begrip gehanteerd.

De liederen Het centrale thema van het epos is de beschermende en morele kracht van het boeddhisme en de destructieve en demonische kracht van het egoïsme in al zijn vormen. Dat resulteert in de overwinning van het boeddhisme over de bön, het hindoeïsme, demonische krachten, kwaad en het egoïsme in de mens. De boeddhistische identiteit van Gesar is duidelijk en wordt versterkt door het optreden en verschijnen van boeddhistische godheden. Toch is het uiteindelijke doel van het boeddhisme, namelijk verlichting en bevrijding uit de kringloop van reïncarnatie, nauwelijks aanwezig in de tekst. Het boeddhisme wordt meer voorgesteld als een bron voor magische en sjamanistische krachten.

De versie in het Burushaski kent alleen verhalende tekst. Alle andere versies bevatten naast proza tientallen liederen. In de meeste Tibetaanse versies zijn er tussen de vijftig en zestig liederen. In de liederen over de clans in het epos worden die met hun eigen gebruiken verhaald, voeren de helden duidelijk niet-boeddhistische rituelen uit en laten ze belangrijke beslissingen afhangen van waarzeggerij. Daarin is een grote rol van krijgsgeesten als de drala en de werma die wapens bijzondere krachten geven door bijvoorbeeld pijlen een onnatuurlijk hoge snelheid te geven of zwaarden buitengewoon scherp te maken. Die geestenwereld heeft geen boeddhistische wortels en moet gezocht worden in wat Rolf Stein als the nameless religion benoemde, de religie voor de introductie van het boeddhisme.