De donkere kamer van Damokles is de vijfde roman van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans en diens tweede oorlogsroman, gepubliceerd in november 1958.Datering: JS146. Het JS-nummer verwijst naar de bibliografische beschrijving van de drukken in Frans A. Janssen en Sonja van Stek 2005 (zie Bronnen). Geraadpleegd op 11 november 2013. Met deze roman verwierf de auteur voor het eerst veel nationale erkenning.

Het hoofdpersonage is de jonge Voorschotense sigarenwinkelier Henri Osewoudt. Na de Duitse inval in 1940 raakt hij via Dorbeck, een luitenant en later een verzetsman, betrokken bij diverse verzetsactiviteiten. Na de bevrijding wordt Osewoudt onverwacht door iedereen beschuldigd van collaboratie. Hij kan zichzelf alleen vrijpleiten als hij weet aan te tonen dat de inmiddels totaal onvindbare Dorbeck geen verzinsel is.

Samenvatting

Henri Osewoudt, geboren op 23 april 1920, heeft de puberteit lichamelijk niet doorgemaakt: hij heeft daardoor nog steeds een hoge kinderstem en hoeft zich nooit te scheren. Henri's onderwijzer op de school in Voorschoten vertelt op een dag in de klas een absurdistisch verhaal. Henri's moeder, die lijdt aan psychopathologische voorstellingen, vermoordt op een dag Henri's vader in diens sigarenwinkel. De dan twaalfjarige Henri wordt vervolgens ondergebracht bij zijn oom Bart Nauta, tante Fietje en hun negentienjarige dochter Ria in Amsterdam. Ria neemt Henri de eerste nacht al bij zich in bed.

Vanwege zijn lichamelijke afwijkingen wordt Henri veel gepest op de Amsterdamse HBS. Hij besluit om op judo te gaan, teneinde zich iets weerbaarder te maken. Op 25 augustus 1939, hij is dan achttien, trouwt Henri met Ria. Samen met haar en Henri's moeder, die inmiddels uit de psychiatrische kliniek is ontslagen, zet hij de sigarenwinkel in Voorschoten voort. Henri heeft dan het vreemde gevoel alsof zijn leven nu al (bijna) voorbij is.

Het jaar daarop breekt ook in Nederland de Tweede Wereldoorlog uit. Niet lang daarna wordt de sigarenwinkel bezocht door een Nederlandse luitenant, die zich Dorbeck noemt. Dorbeck heeft een filmpje laten ontwikkelen en afdrukken. Hij lijkt qua gezicht erg op Henri en ze zijn ook vrijwel precies even groot. Het enige belangrijke verschil tussen beiden is dat Dorbeck zwart haar heeft, terwijl Osewoudt blond is. Nadat later het Duitse leger Voorschoten is binnengetrokken, komt Dorbeck opnieuw. Hij vertelt nu aan Henri dat hij tijdens het bombardement op Rotterdam twee Duitse saboteurs heeft neergeschoten, en zich nu moet vermommen aangezien de Duitsers hem zoeken. Osewoudt geeft Dorbeck een kostuum en schoenen te leen. Hij verstopt Dorbecks uniform, dat hij later zal begraven in zijn tuin.

Als Dorbeck later het kostuum komt terugbrengen, laat hij bij Henri tevens twee Leica-films achter om te ontwikkelen. Dat mislukt, waarna Henri – om zijn eigen gepruts te maskeren – met een eigen Leica-camera zelf een paar nieuwe foto's maakt. Dorbeck blijkt bij zijn volgende bezoek aan Henri opeens niet meer geïnteresseerd in de opnames, en zegt dat er niets op stond. Wel vraagt hij Henri nu om met de trein naar Haarlem te komen. Daar liquideren Dorbeck, Henri Osewoudt en hun handlanger Zéwüster op 23 juli 1940 drie personen in de Kleine Houtstraat 32. Henri slaagt er later in om alsnog een serie foto's te ontwikkelen die Dorbeck hem bij zijn allereerste bezoek heeft gegeven, en hij stuurt deze foto's op naar Dorbeck. Elly Sprenkelbach-Meijer, een meisje dat Henri uit handen van de Duitsers moet zien te houden, blijkt later een van deze foto's in haar bezit te hebben. Ze vertelt echter niet aan Henri hoe ze hieraan is gekomen. Dorbeck vergeet haar te vragen hem de foto te tonen.

Dan is het vier jaar later, juni 1944. Henri raakt via Elly opnieuw bij het verzet betrokken. Als Ria en zijn moeder door de Duitsers gevangen worden genomen, moet hij vluchten en onderduiken. Henri laat zijn haar zwart verven door de geblondeerde joodse ex-studente Mirjam Zettenbaum, die schuilgaat onder de naam Marianne Sondaar. Hij mag nu clandestien foto's gaan ontwikkelen in de donkere kamer van de ondergrondse verzetsgroep van Labare op de Zoeterwoudsesingel 74 in Leiden. Hij krijgt van Dorbeck bovendien een nieuwe verzetsopdracht: in Lunteren moet hij de gevaarlijke NSB'er Lagendaal – die voor de Gestapo werkt – en diens vrouw vermoorden. Henri slaagt in deze opdracht. Door de arrestatie van zijn helpster wordt hij in de trein op de terugweg naar Amsterdam opgescheept met het kleine zoontje van Lagendaal. Dit jongetje laat hij in Amsterdam op straat achter. Henri's foto wordt verspreid in de bioscopen en kranten en hij valt hierdoor snel in handen van de Duitsers. Hij wordt na een mishandeling opgenomen in het ziekenhuis aan de Zuidwal, waar drie gemaskerde mannen hem korte tijd later weer uit bevrijden. Hij keert daarna terug naar het huis van Labare en diens handlangers, die echter kort daarop zelf gevangen worden genomen door de Duitsers. Vóór de Duitse inval heeft Henri wel Marianne nog teruggezien.

Henri ontsnapt in eerste instantie, maar wordt snel weer gearresteerd en verhoord. Tijdens die verhoren vertellen de Duitsers hem dat Marianne inmiddels ook is opgepakt en nu in kamp Westerbork zit. Bovendien blijkt ze zwanger van hem te zijn. De Duitse SS'er Oberstürmführer Ebernuss regelt Mariannes vrijlating, maar hij houdt Henri ook negen maanden lang gevangen, tot 4 april 1945. Dan wil Ebernuss dat Henri hem naar Dorbecks adres in Amsterdam brengt. Henri vergiftigt aldaar Ebernuss in opdracht van Dorbeck. Osewoudt krijgt van Dorbeck kleren om zich als verpleegster te vermommen. Tevens verneemt Henri van Dorbeck dat zijn moeder zelfmoord heeft gepleegd, nadat ze bij de Duitsers was aangegeven door Ria, die inmiddels samenwoont met een NSB'er. Dorbeck reageert met: "Jij werd dus ondervraagd over dingen die ik gedaan had"! Henri krijgt van Dorbeck de volgende dag een berichtje dat Marianne bezig is te bevallen. Wanneer hij op het aangegeven adres arriveert blijkt het kindje echter op 4 april te zijn overleden. Marianne krijgt hij niet meer te zien. Henri zoekt daarop Ria op in de winkel te Voorschoten. Hij vermoordt zowel haar als de Duitse officier die hem vanaf Amsterdam een lift gaf en hem aanrandde.

Omstreeks de bevrijding vlucht Henri naar Breda. Tot zijn grote verbazing en frustratie wordt hij daar echter helemaal niet als een held en verzetsstrijder ontvangen, maar juist door iedereen als verrader en een van de handlangers van de Gestapo beschouwd. Zijn "bevrijding" uit het ziekenhuis blijkt door de Duitsers in scène te zijn gezet, om hem gemakkelijk te kunnen volgen. De Nederlandse politie is er nu rotsvast van overtuigd dat Henri hierbij rechtstreeks met de Duitsers onder een hoedje heeft gespeeld. Elly blijkt door de Duitsers te zijn gedood en Henri krijgt ook hier de schuld van. Oom Bart blijkt de oorlog te hebben overleefd, maar hij wil niets meer van zijn neef weten en zegt niets over Henri dat ontlastend kan werken. Iedereen die verder nog ten gunste van Henri had kunnen getuigen is dood of spoorloos verdwenen. Marianne zit nu in een kibboets in het vrijwel ontoegankelijke mandaatgebied Palestina.

In zijn verdediging tegen de jegens hem geuite beschuldigingen een verrader te zijn, komt Henri niet veel verder dan het telkens herhalen van zijn hoop dat Dorbeck op een dag weer zal opduiken om hem te verdedigen en te verklaren dat er sprake is van een misverstand. De mogelijkheid wordt geopperd dat Dorbeck in werkelijkheid iemand was van de familie Jagtman, aan wie Henri Osewoudt in het begin van de oorlog in opdracht van Dorbeck de ontwikkelde foto's moest versturen. Deze Egbert Jagtman zou in de meidagen van 1940 twee Duitse militairen hebben laten executeren. Hij was echter al gedeporteerd naar Duitsland toen Henri en Dorbeck aan het begin van de oorlog samen in Haarlem waren, en kan het volgens Osewoudt dus onmogelijk zijn. De vroegere tandarts van deze familie probeert aan de hand van gebitsgegevens de betreffende persoon in een lijkenhuis van het concentratiekamp te identificeren, maar dit mislukt doordat de overleden Egbert Jagtman geen tanden meer heeft en verder ook onherkenbaar is door de ontbinding. Hij heeft echter wel zwart haar, net als Dorbeck. Het blijft daarmee onduidelijk of Dorbeck wel of niet nog in leven is. De figuur van Dorbeck wordt door zowel de Nederlandse als de Engelse politie en in de pers afgeschilderd als een verzinsel of zelfs een hallucinatie van Henri. De psychiater Lichtenau, die voor de oorlog al Osewoudts moeder behandelde, is van dit laatste overtuigd. Inmiddels is er toch op landelijk en internationaal niveau naar Dorbeck gezocht.

Eindelijk wordt Henri's camera, die hij bij zijn laatste opdracht samen met Dorbeck was kwijtgeraakt, toch nog teruggevonden. Als allerlaatste redmiddel probeert Henri op 27 december 1945 een foto te ontwikkelen waarop hijzelf en Dorbeck samen in een spiegel te zien zijn, maar die opname blijft zwart. Henri rent nu in uiterste wanhoop het gebouw uit waarin hij wordt vastgehouden, in het kamp Achtste Exloërmond in Drenthe. Iemand schiet hem van achteren neer, en hij wordt hevig bloedend en zwaargewond weer binnen neergelegd. De pater probeert Henri, die waarschijnlijk snel hierna zal sterven, nog enige hulp te bieden.

Achtergronden

Ontstaansgeschiedenis De ontstaansgeschiedenis van de roman gaat terug tot het voorjaar van 1952, toen Hermans begon aan de onvoltooide novelle Een overgevoelige natuur, die aanvankelijk bestemd was voor de verhalenbundel Paranoia. Bij de uitwerking van het project tot roman maakte hij intensief gebruik van de verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940–1945, nadat enkele krantenartikelen over deze enquête mede de aanzet tot de oorspronkelijke novelle hadden gegeven. Het manuscript van De donkere kamer van Damokles was op 8 juni 1958 voltooid.

Betekenis De roman kan op meerdere manieren tegelijk worden gelezen: onder meer als een spannend oorlogsavontuur, als een psychologisch verhaal over de identiteitsproblematiek en als een filosofische roman, waarin de onkenbaarheid van de werkelijkheid vooral blijkt uit de onkenbaarheid van het verleden, en ook als een sublieme kritiek op het concept van de alwetende verteller in de literatuur.

Literatuurhistoricus Hugo Brems spreekt van een herneming van de thematiek uit De tranen der acacia's maar dan 'op nog cynischer wijze', en stelt dat 'de grenzen tussen schuld en onschuld, waarheid en bedrog nu helemaal worden weggevaagd.'Brems (2006), p. 68.

Volgens de exegeet Frans A. Janssen kan de roman op zeker drie verschillende manieren gelezen worden: als een spannende oorlogs- of verzetsroman, als psychologische roman over de identiteitsproblematiek, en als filosofische roman met de kennistheoretische implicatie dat wanneer de werkelijkheid ondoorgrondelijk is, ook het verleden onkenbaar is.Janssen (1985), p. 266.

Elementen uit de werkelijkheid Het verhaal van de landverrader Anton van der Waals heeft als inspiratie gediend voor het dubbelpersonage Dorbeck / Osewoudt. Fundamenteel verschil tussen Van der Waals en Osewoudt is dat laatstgenoemde door Hermans in een gesprek met Willem M. Roggeman als te goeder trouw wordt omschreven, waar Van der Waals een bedrieger was.

De brief die Osewoudt op 19 oktober 1945 schrijft aan de verdwenen Mirjam Zettenbaum, ondergedoken onder de naam Marian Sondaar, vertoont volgens J. Melkman enkele opmerkelijke slordigheden. Zo is het adres van de brief ergens in Israël, terwijl die staat in 1945 nog niet bestond. Ook de vage vermelding 'in a kibboets' is onvoldoende voor een correcte bezorging. 'Dat er tientallen kibboetsiem in Palestina waren; dat er Joodse instanties waren tot wie men zich om informatie kon wenden; dit alles is Hermans ontgaan.'Melkman (1964), p. 45