thumb|Julius Caesar Vēnī, vīdī, vīcī (uitspraak in het klassiek Latijn: ; uitspraak in het Kerklatijn: ) (Ik kwam, ik zag, ik overwon) is een bekende Latijnse uitspraak van Julius Caesar, die hij deed in het jaar 47 v.Chr.
De uitspraak wordt vermeld in de Caesar-biografie van SuetoniusSuetonius, Divus Iulius 37.2. en in die van Plutarchus.Plutarchus, Caesar 50.2-4. Vergelijk Appianus, Bellum Civile II 91.
Volgens Plutarchus schreef Caesar de woorden in een brief aan een vriend, een zekere Amantius, naar aanleiding van zijn overwinning op Pharnakes II (zoon van de beruchte Mithridates) van Pontus in de Slag bij Zela.Plutarchus, Caesar 50.3. Conrad Cichorius heeft voorgesteld om in Amantius de naam van Gaius Matius, een bekend correspondent van zowel Caesar als Cicero, te herkennen.Römische Studien. Historisches, Epigraphisches, Literaturgeschichtliches aus vier Jahrhunderten Roms, Leipzig - Berlijn, 1922, p. 248
Volgens Suetonius zou Caesar een inscriptie met deze zegespreuk hebben laten meedragen in zijn triomftocht voor zijn overwinning op Pontus. Hiermee wenste hij te benadrukken dat hij amper vijf dagen nadat hij is aangekomen (veni) en vier uur nadat hij Pharnakes en zijn leger voor het eerst heeft gezien (vidi), reeds Pharnakes heeft overwonnen (vici).Suetonius, Divus Iulius 35.2.
Met deze allitererende, asyndetische climax (een tautogram) van drie tweeklanken (een tricolon) onderstreepte hij hoe eenvoudig, snel en vernietigend hij Pharnakes had verslagen.Plutarchus, Caesar 50.4.
De Franse dichter Victor Hugo werd door deze woorden geïnspireerd toen hij het gedicht je suis venu, j'ai vu, j'ai vécu schreef na het overlijden van zijn dochter.
Categorie:Latijns citaat