Jacques-Joseph Brassine (Namen, 12 oktober 1830 - Oudergem, 25 december 1899) was een Belgisch luitenant-generaal en minister van Oorlog.
Biografie Jacques Brassine trad in december 1845, op 15-jarige leeftijd, in dienst bij het Regiment Grenadiers. In april 1848 werd hij toegelaten tot de Koninklijke Militaire School. Hij studeerde er in 1850 af als primus van zijn promotie. Vervolgens werd hij benoemd tot adjudant van generaal Daman. In 1859 werd hij bevorderd tot kapitein en in 1870 tot majoor.
Na de Franse nederlaag in de Frans-Duitse Oorlog van 1870 werd hij belast met het bevel over een interneringskamp voor Franse soldaten in België. De Fransen waardeerden zijn menselijkheid en zorg voor de geïnterneerden. Als blijk van erkenning werd hij in 1882 door de Franse president Jules Grévy benoemd tot commandeur in het Legioen van Eer.
In 1878 werd Brassine kolonel. Hij moest het Regiment Grenadiers verlaten en kreeg in Antwerpen het bevel over het 6de Regiment Infanterie, waar hij zich inzette voor een menselijker kazerneleven. In maart 1882 werd hij aangesteld als commandant van de 4de Infanteriebrigade. In juni 1883 werd hij bevorderd tot generaal-majoor en in december van datzelfde jaar kreeg hij het bevel over de 3de Brigade. Later werd hij benoemd tot commandant van de 2de Infanteriedivisie.
Koning Leopold II bevorderde hem in juni 1890 tot luitenant-generaal, de hoogste rang binnen de Belgische krijgsmacht. In oktober van datzelfde jaar kreeg hij het bevel over de 4de Infanteriedivisie.
In die periode was het land verdeeld over de kwestie van de militaire dienstplicht, die via loting werd georganiseerd. Dienstplichtigen met voldoende financiële middelen konden echter een plaatsvervanger betalen om hun dienstplicht te vervullen, wat de betrouwbaarheid van het leger ondermijnde. Op 4 mei 1893 werd Brassine door Leopold II benoemd tot minister van Oorlog in de regering-De Burlet. Hij stelde de invoering van de persoonlijke dienstplicht als voorwaarde voor zijn ambtsaanvaarding. Omdat de goedkeuring van deze maatregel telkens werd uitgesteld, nam hij in 1896 ontslag. In maart 1897 werd hij op pensioen gesteld uit het leger, terwijl hij wel adjudant van Leopold II bleef.
Na zijn ontslag vestigde Brassine zich in Oudergem, aan de rand van het Zoniënwoud, in de villa Les Glycines.
Na zijn overlijden in december 1899 ten gevolge van diabetes werden zijn uitvaartplechtigheden gehouden in de Sint-Annakerk van Oudergem. Vervolgens werd hij begraven op de begraafplaats van Elsene.
Brassine trouwde in 1855 in Elsene met Eugénie Dugniolle (°1831), dochter van Alexandre Dugniolle de Mévius, ambtenaar en volksvertegenwoordiger. Ze kregen twee zoons en een dochter, van wie slechts een zoon de volwassen leeftijd bereikte, met afstammelingen tot heden. Zijn zoon Eugène Brassine was notaris, provincieraadslid van Antwerpen en luitenant-kolonel van de Burgerwacht. Een kleindochter trouwde met Charles Madoux, burgemeester van Oudergem.
Literatuur Jean DE LAUNOIS, 'Descendance d'Alexandre-Louis Dugniolle et de Sophie de Mévius', in L'Intermédiaire des généalogistes, 1970, 3-13, 65-72.
Externe links Biografie van Jacques Brassine Fiche op unionisme.be Overlijdensbericht van Jacques Brassine
Categorie:Belgisch generaal Categorie:Belgisch minister van Landsverdediging Categorie:Belgisch minister in de 19e eeuw Categorie:19e-eeuws militair