thumb|Stadhouder Willem III aan de Oude Hollandse Waterlinie; schoolplaat uit de vroege 20ste eeuw. De (Oude) Hollandse Waterlinie was tussen 1672 en 1815 een militaire verdedigingslinie van de provincie Holland. De verdedigingslinie combineerde versterkte steden (vestingen) en onder water gezette polders (inundaties) en vormde een barrière langs de provinciale oost- en zuidgrens. De Oude Hollandse Waterlinie werd ontworpen door de Staten van Holland en West-Friesland in april en mei 1672 en is reeds een maand later ingezet.
De Oude Hollandse Waterlinie verbond aanvankelijk de Hollandse vestingen Muiden, Schoonhoven, Gorinchem, Woudrichem en Heusden. Later zijn de vestingen Naarden, Woerden en Oudewater opgenomen in de verdedigingslinie. Weesp en Nieuwpoort waren vanaf het begin onderdeel van de linie, maar werden pas later vestingsteden. Tussen de steden werden op strategische plaatsen forten gebouwd of bestaande versterkingen verbeterd, zoals Fort bij Uitermeer, Fort Wierickerschans en Fort Loevestein.
De Oude Hollandse Waterlinie is succesvol ingezet tijdens de Hollandse Oorlog in 1672-1673 en tijdens de Eerste Coalitieoorlog in 1794-1795. Het jaar 1815 wordt aangehouden als het moment waarop de provinciale Oude Hollandse Waterlinie werd vervangen door de nationale Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het belangrijkste verschil tussen de twee linies was dat ook de stad Utrecht deel uitmaakte van de nieuwe verdedigingslinie.
De Oude Hollandse Waterlinie is sinds 2012 een van de erfgoedlijnen van de provincie Zuid-Holland. De erfgoedlijn wordt ondersteund door de provincie Utrecht, omdat grote delen van de Oude Hollandse Waterlinie tegenwoordig in de provincie Utrecht liggen. Het 350-jarig jubileum van de Oude Hollandse Waterlinie is in 2022 gemarkeerd met festiviteiten, exposities en sportieve en recreatieve activiteiten.
Voorgeschiedenis Inundaties als verdedigingslinie
thumb|De Hollandse vesting Woerden verdedigde zich in 1575 met inundaties tegen een Spaanse belegering. De basis van de Oude Hollandse Waterlinie werd gevormd door onder water gezet polderland langs de grenzen van Holland. Alleen de rivierdijken bleven boven water, en deze accessen konden vanuit vestingen en forten worden verdedigd met een relatief klein leger. De onder water gezette polders waren ontoegankelijk omdat de sloten onzichtbaar werden en het grasland veranderde in modder. In theorie zou het water niet hoog genoeg staan om over te kunnen varen, maar in de praktijk was dat soms wel mogelijk doordat het beheersen van de inundaties moeilijk was.
Het idee van een waterlinie was in 1672 niet nieuw. De voorganger van de Oude Hollandse Waterlinie was een concept voor een verdedigingslinie ‘Ter verdediging van het Neder-Sticht ende Hollandt’. De mogelijkheden hiervoor werden in 1589 door de provincies Holland en Utrecht onderzocht. De kern van het concept was de inzet van inundaties langs de Utrechtse Vecht of in de Grebbevallei (de latere Grebbelinie) om Holland en een deel van Utrecht te verdedigen. Vanwege het succesvolle verloop van de Tachtigjarige Oorlog werden de plannen niet verder uitgewerkt. In 1629 werden kleinschalige inundaties langs de Utrechtse Vecht ingezet tegen een mogelijke Spaanse tegenaanval tijdens het Beleg van ‘s-Hertogenbosch. Na de vrede met Spanje in 1648 werd niets meer met de plannen gedaan.
Samenwerking met Utrecht De eerste gesprekken die uiteindelijk leidden tot de Oude Hollandse Waterlinie vonden plaats in februari 1672. Kort daarvoor waren de Staten-Generaal het eens geworden over een gezamenlijke defensie tegen een verwachte Franse invasie: een troepenopbouw bij Maastricht, langs de Gelderse IJssel, en in de Kleefse barrière. Desondanks heerste er twijfel in de Staten van Holland over deze strategie. Samen met de Staten van Utrecht spraken ze over een alternatief. Net als in 1589 werden twee opties verkend: een waterlinie in de Grebbevallei en een waterlinie langs de Vaartsche Rijn en Vecht, aansluitend op het Horstermeer, Naardermeer en de Hollandse vesting Naarden.
Op 17 maart bleek dat de stad Utrecht niets voelde voor een verdedigingslinie in de Grebbevallei. De Utrechters vreesden dat een dergelijke linie de positie van Amersfoort politiek en economisch zou versterken. De enige optie was daarom langs de Utrechtse Vecht, maar er bleven vragen over de mogelijkheid om de stad Utrecht in verdedigbare staat te brengen. Toch werd op 22 april een overeenkomst gesloten tussen beide provincies om een waterlinie voor te bereiden. Maar op 11 mei bleken de bezwaren tegen deze linie toch te groot, en werd het werk stilgelegd. De Staten van Holland hadden hier al rekening mee gehouden, en hadden op 8 april commissies aangesteld om te onderzoeken of op Hollands grondgebied een eigen waterlinie gevormd kon worden.
De Oude Hollandse Waterlinie had volgens Hollands raadpensionaris Johan de Witt twee doelen. Het eerste was het voorkomen van een bezetting van Holland door het Franse leger (‘om noch syn eygen selve te salveren’). Het tweede was het beschermen van Holland tijdens de oorlog, waardoor vanachter de waterlinie een tegenaanval voorbereid kon worden om de overige provincies te bevrijden (‘de kracht, die naederhandt uyt Hollandt noch mogelyck tot haere verlossinge bygebracht soude connen werden’). Deze strategie werd ook na het aftreden van De Witt voortgezet.
Ontwerp van de Hollandse Waterlinie thumb|Voordat Gelderland (groen) en Utrecht (geel) door Frankrijk werden bezet probeerde Holland om de inundaties van de Oude Hollandse Waterlinie op eigen grondgebied (roze) te houden. De Hollandse commissies die een plan maakten voor de Oude Hollandse Waterlinie bestonden voornamelijk uit burgemeesters. Zij reisden in april en mei 1672 door het grensgebied en spraken met stadsbesturen, waterschappen, en militairen. De commissies onderzochten welke polders onder water konden worden gezet, welke sluizen daarvoor moesten worden gebruikt, en waar verdedigingswerken moesten worden gebouwd om de infrastructuur van de waterlinie te verdedigen. Er werd ook gekeken waar dijken konden worden afgegraven om het onder water zetten van de polders te versnellen. Er was geen tijd om nieuwe kades en sluizen aan te leggen. De inundaties werden daardoor op veel plaatsen veel breder dan militair noodzakelijk was.
Een probleem voor de commissies was dat lokale bestuurders vaak wezen naar hun buren als beste plaats voor inundaties. Zelf hielden ze hun polders liever droog. Ook zorgde de grens met Utrecht voor complicaties, want de Hollanders hadden geen bevoegdheid om Utrechts land onder water te zetten. De Hollandse steden Oudewater en Woerden bevonden zich vlak bij de onregelmatige grenzen met Utrecht. Het was een van de redenen dat zij aanvankelijk geen deel uitmaakten van de Oude Hollandse Waterlinie. Een ander probleem was Uithoorn aan de Amstel. Dit Utrechtse dorp moest vanwege zijn ligging aan de rivier deel uitmaken van de inundaties langs de Amstel, en werd daarom door de Staten van Holland ‘beschermd’ - wat betekende dat het tijdelijk werd geannexeerd. Ten zuiden van de Lek waren minder bezwaren omdat Staats-Brabant geen politieke vertegenwoordiging had in de Staten-Generaal en omdat alleen ten oosten van Gorinchem een klein stuk Gelderland werd betrokken bij de waterlinie.
Nadat de commissies hun rapporten hadden gepresenteerd gaven de Staten op 8 juni opdracht om met de praktische voorbereidingen te beginnen. Dit stuitte vaak op verzet van lokale bewoners. Militaire steun was er niet, want het leger bevond zich nog aan de Gelderse IJssel. Pas na de Slag bij Tolhuis op 12 juni werd besloten om een deel van het leger terug te trekken naar Holland en de waterlinie.
Hollandse Oorlog
Het leger in Holland thumb|Johan Maurits voerde vanuit Muiden het bevel over het noorden van de Oude Hollandse Waterlinie. Op 12 juni 1672 trokken de Staten-Generaal het Staatse veldleger terug naar Holland. Bij aankomst in Utrecht op 15 juni telde dit veldleger ca. 5.000 ruiters en tussen de 3.000 en 4.000 soldaten. Het ‘veldleger’ was meer een politiek dan militair gegeven: vrijwel alle Hollandse, Utrechtse en Zeelandse regimenten werden teruggetrokken, terwijl de Friese, Gelderse, Groningse en Overijsselse regimenten als garnizoen achterbleven in de vestingen aan de Gelderse IJssel; naar schatting zo’n 13.000 man.
Het veldleger zette in de ochtend van 18 juni koers naar Holland. Kapitein-generaal Willem III van Oranje vatte post bij Nieuwerbrug, ten westen van de onverdedigde vesting Woerden. Veldmaarschalk Johan-Maurits van Nassau-Siegen trok naar Muiden, en veldmaarschalk Paulus Wirtz naar Gorinchem. De twee andere belangrijke posten Hekendorp en Schoonhoven werden versterkt door respectievelijk de graaf van Horne en de markies De Louvignies, de commandant van de Spaanse hulptroepen. Zodra het leger zich meldde aan de Oude Hollandse Waterlinie kwam er vaart achter het onder water zetten van de polders. Lokaal verzet werd verjaagd en bewoners werden gedwongen om mee te werken aan het versterken van kades, het afgraven van dijken en het aanleggen van verdedigingswerken.
Het aantal soldaten aan de Oude Hollandse Waterlinie wisselende sterk. Dit kwam onder meer door de noodzaak om tijdens het ‘vaarseizoen’ de kust te verdedigen tegen een eventuele Frans-Engelse landing, al werd dit bij voorkeur gedaan door gewapende burgers. Het einde van het vaarseizoen maakte het mogelijk om mariniers aan de waterlinie in te zetten. Soms werd een gehele post aan de mariniers toevertrouwd, zoals Kasteel Langerak aan de Lek. Ook had het Staatse leger, net als andere zeventiende-eeuwse legers, verschillen tussen de papieren en werkelijke omvang van compagnieën. Volgens de officiële cijfers voor januari 1673 telde het aantal militairen in dienst van Holland op dat moment 51.000 infanteristen en 10.000 ruiters; daarbij kwamen verder de stedelijke schutterijen, huurlingen en plattelanders.
De waterlinie in 1672 Tussen de Maas en Merwede Het meest zuidelijke deel van de Oude Hollandse Waterlinie was het grensgebied met Gelderland en Staats-Brabant. Hier lagen de Hollandse vestingen Klundert, Geertruidenberg, Heusden en Fort Crèvecoeur en, aan de Merwede, Woudrichem en Fort Loevestein. Ook de vesting Willemstad behoorde tot dit gebied, al was de stad niet Hollands. Door lokaal verzet en het uitblijven van een Franse dreiging vanuit Staats-Brabant werden tussen Willemstad en Geertruidenberg uiteindelijk geen inundaties gesteld. Het gebied werd daardoor geen onderdeel van de Oude Hollandse Waterlinie.
Ten oosten van Geertruidenberg, bij de toenmalige monding van het Oude Maasje werden wél polders onder water gezet. De rivier werd daarvoor afgedamd bij de Vrouwkensvaart bij Waspik, waar een verdedigingswerk werd gebouwd. Het land in de Langstraat werd onder water gezet om de vesting Heusden te beschermen. Door het versterken van de kades in het zuiden van het Land van Altena probeerde men om dit gebied droog te houden. Maar in juli besloot veldmaarschalk Wirtz om coupures te laten maken in de Merwededijk bij Woudrichem, waarna het Land van Altena toch onder water kwam te staan. Verder naar het oosten sloten de Hollandse inundaties na enkele maanden aan op de inundaties rond de Brabantse vesting 's-Hertogenbosch.
Tussen de Merwede en Lek thumb|Gorinchem was in 1672 de sterkste vesting in de Oude Hollandse Waterlinie, maar in de omgeving was veel verzet tegen de inundaties.