thumb|350px|Kreta centraal in het oostelijk Middellandse Zeebekken De Minoïsche beschaving is een neolithische tot bronstijdbeschaving van voor de oud-Griekse beschaving, die tussen ongeveer het derde millennium v.Chr. en 1200 v.Chr. op Kreta gevestigd was.
De Minoïsche beschaving was vrijwel gelijktijdig aan andere grote beschavingen van die omvang: die van Anatolië, Kanaän, het oude Egypte, Mesopotamië en de Indusvallei.
Kreta is het grootste eiland van Griekenland, een van de grootste in de Middellandse Zee. Door de gunstige ligging tussen de kusten van Klein-Azië, Cyprus, Egypte en Syrië werd Kreta het centrum van de zeehandel, een kruispunt van beschavingen.
Geschiedenis thumb|Minoïsch fresco in Knossos De Minoïsche beschaving was een Kretenzische beschaving vanaf het derde millennium v.Chr. tot ongeveer 1200 v.Chr., waarbij zij in de laatste periode onderworpen was aan de Myceners.
Volgens de mythe was koning Minos een vroege heerser over Kreta en bevond de Minotaurus zich in het labyrint onder zijn paleis in Knossos. De benaming Minoïsche beschaving ("beschaving van Minos") werd op basis daarvan voorgesteld door Arthur John Evans, de archeoloog die in belangrijke mate tot de herontdekking van deze beschaving heeft bijgedragen. Het is niet bekend hoe de 'Minoërs' zichzelf noemden. Wel is bekend dat zij in het Oude Egypte Keftioe genoemd werden. In de annalen van Mari wordt Kaptara genoemdCultures in contact 2013, p 40 en in de Bijbel komt de naam Kaftor voor, die op het eiland Kreta betrekking heeft.
Er waren belangrijke handelsbetrekkingen over zee met de Cycladen en met andere grote beschavingsgebieden op het vasteland, zoals het Oude Egypte, Anatolië en Kanaän. Mogelijk waren ze de eerste thalassocratie, al zijn er twijfels of zij werkelijk over de zee heersten in de mate zoals Thucydides schreef in zijn Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog, al was ook hij al voorzichtig door aan te geven dat het om een overlevering ging.Minos was de oudste figuur van wie wij door overlevering weten dat hij een vloot opbouwde, macht kreeg over het grootste deel van wat nu de Griekse zee is en over de Cycladen regeerde. (2013): De Peloponnesische oorlog, vert. , Atheneum-Polak & Van Gennep
Herkomst Waar de Minoërs vandaan kwamen is nog steeds punt van discussie. Sommige onderzoekers menen dat de oorspronkelijke bevolking nog als jager-verzamelaars leefde totdat aan het begin van het neolithicum kolonisten vanuit Anatolië Kreta binnenvielen en zich met hen vermengden.
Anderen menen dat Kreta voorheen onbewoond was. De allereerste bewoners zouden landbouwers en herders zijn geweest die via de Cycladen van het vasteland van Anatolië, meer bepaald Cilicië, of van Syrië en Palestina afkomstig waren en het eiland vanaf circa 8.000 v.Chr. koloniseerden. Zij brachten gedomesticeerde dieren en zaaizaad mee. Voor spiegels en klingen van messen gebruikten zij volgens opgravingen obsidiaan afkomstig van het eiland Milos (Cycladen) of van Kayseri (Anatolië).
Later, in het 3e millennium v.Chr., zou een tweede immigratiegolf naar Kreta hebben plaatsgevonden, samenvallend met het opkomen van de 1e dynastie van Egypte, die toen haar macht uitbreidde tot zuidelijk Palestina. Men ziet in dezelfde periode ook aardewerk in Palestijnse stijl opduiken op Kreta, wat laat veronderstellen dat het mogelijk om uitwijkelingen uit die streken ging.Les Grands Tournants de l'Histoire - I Les Mondes Antiques, p. 33 In die tijd werd op Kreta ook de fabricage van wapens en gebruiksvoorwerpen in koper (en mogelijk brons) geïntroduceerd. Onderzoekers menen dat het verre eiland toen een veilig toevluchtsoord was geworden voor nog andere groepen, die waren opgejaagd door barbaren die het noorden van Syrië en Palestina overrompelden. Men vindt uit die tijd de restanten van een schrift, gebruik van stenen kruiken en van gegraveerde zegels.
Aan het einde van dat 3e millennium is Kreta een beschavingscentrum geworden met steden en vervolgens ook grote paleizen. Er zijn tal van aanwijzingen van de invloed en uitstraling van de Minoïsche beschaving op het hele Middellandse Zeegebied. Zo duiken bijvoorbeeld in Egypte de spiraalmotieven van de Kretenzische kledij op, terwijl op Kreta via het handelsnetwerk parels, scarabeeën, stenen kruiken en ivoor van daar worden ingevoerd evenals koper vanuit Cyprus. Tot de uitvoer behoren vooral olijfolie en wijn, en ook stenen kruiken.
Taal Van de taal van de Minoërs, het Minoïsch, zijn nog slechts een paar woorden ontcijferd. Zij werd geschreven in het Lineair A of - eerder - een hiërogliefenschrift.
Het Lineair A verdween met de beschaving, maar de taal (of talen) mogelijk niet. Bijna duizend jaar later zijn er namelijk een aantal inscripties in een alfabetisch schrift in een niet-Indo-Europese taal die gewoonlijk Eteokretenzisch genoemd wordt. Deze naam gaat terug op wat Homerus van het eiland zegt, nl. dat er een aantal bevolkingsgroepen waren: de Eteokretenzers ('eigenlijke Kretenzers'), de Pelasgen, de Cydoniërs en de Achaiërs en Doriërs. De laatsten spraken vormen van Grieks, maar de eerste drie waarschijnlijk niet. Wat de relatie tussen Eteokretenzisch en Minoïsch is, is niet duidelijk.
Fauna Toen de mensen voor het eerst voet aan wal zetten op Kreta, troffen zij daar een geheel eigen flora en fauna aan in een ecosysteem dat zich volledig met de condities van het eiland had geïntegreerd. Zo leefden er aanvankelijk alleen herbivoren: oeros, nijlpaard, olifant, tarpan, ibex, hert en de kri-kri, die alleen op Kreta bestond. Bij afwezigheid van natuurlijke vijanden als leeuwen en wolven had de natuurlijke selectie voor deze dwergexemplaren gezorgd, die er best gedijden. Ze zijn nadien vrij spoedig uitgestorven, hetzij rechtstreeks bejaagd door de mens, hetzij omdat hun ecosysteem werd verstoord, of beide.
Religie thumb|De kleine slangengodin uit het paleis van Knossos op Kreta, ca. 1600 v.Chr. Zoals gebruikelijk rondom het Middellandse Zeegebied in die tijd vereerden ook de Minoërs goden en godinnen. Van sommige afbeeldingen meent men dat het om priesteressen gaat, die religieuze ceremonies uitvoeren. Een bekend beeld is dat van de slangengodin.
Gebruiksvoorwerpen en nederzettingen De neolithische bewoners gebruikten vergankelijk materiaal voor manden en ander huisraad. Later gingen ze eenvoudig huisgerief van klei maken dat ze in open vuren bakten. Dit aardewerk was dan ook grof, donkerrood tot zwart gekleurd, maar met gladgestreken wanden. Er stonden geometrische figuren als decoratie op, en er was een brede opening aan de pot, die later naar een tuitvorm evolueerde.
Door de verschillende types van aardewerk kan men de opeenvolgende perioden bepalen. Het aardewerk tijdens het Vroeg-Minoïsch lijkt sterk op dat van Anatolië in die periode. Het aardewerk dat als grafgift werd meegegeven was vrijwel identiek met dat van de Cycladen. Een grafveld bestond uit een 300-tal graven, eenvoudige in de rots uitgegraven kamers. Mogelijk hoorde het bij een nederzetting van nieuwe kolonisten. Plaatselijk was er blijkbaar ook metaalbewerking.
Uit archeologische sleuven onder het paleis van Knossos, die men tot op de rotsbodem doortrok, blijkt dat een vroeg-neolithisch dorp daar huizen met stenen fundering bezat met muren van gestapelde kleitegels, die in de zon gedroogd waren (en dus erg vergankelijk op termijn). Er is uit deze periode slechts een enkele site opgegraven, maar men merkt dat het aantal sites toeneemt in de lagen van respectievelijk het Midden-Neolithicum en het Laat-Neolithicum. Aan het eind van het Neolithicum ontstonden er nederzettingen over heel Kreta. De nederzettingen van Knossos en Phaestos groeiden in die tijd van drie naar vijf hectare oppervlakte. Er komt steeds obsidiaan en koper voor in de gebruiksvoorwerpen, wat op contacten met de Cycladen en met Cyprus wijst. Er werden ook "venusbeeldjes" gevonden.
Handel en nijverheid thumb|De "saffraanpluksters", fresco aangetroffen in Akrotiri (Santorini) Afbeeldingen van de eerste boten op fresco's tonen een eenvoudige sloep met enkele mast en een vierkant zeil.
Kreta lag op de noord-zuidelijke vaarroute vanuit Santorini en die vormde de kruising met de vroegste oost-west vaarroutes die de Cycladen verbonden met Anatolië. Dit maakte de ligging uiterst geschikt voor zeehandel, die dan ook een belangrijke rol speelde in het bestaan van de Minoïsche samenleving. Op Minoïsch Kreta werd onder meer voor de stedelijke paleizen marmer gebruikt dat vanuit Naxos was aangevoerd. Dit marmer was van de beste kwaliteit. De Minoërs voeren door tot in Attica om daar de ijzerertsmijnen te bedienen en het erts te vervoeren via de Cycladen, over Cyprus naar Anatolië. Tegelijk namen ze obsidiaan en koper mee en ze voerden ook eigen aardewerk en producten uit (waaronder saffraan). Op de noordoostkust van Kreta is een handelsdepot ontdekt uit de begintijd. Daar vonden archeologen dezelfde soort potten als er op Naxos in gebruik waren, wat op een verdere kolonisatie vanuit de Cycladen zuidwaarts kan wijzen.
Tijdens het Midden-Minoïsch IA trad er internationalisering van de oostelijke zee op. Tot dan waren hoofdzakelijk de Kretenzers er meester geweest met hun vaarroutes in de richting van de klok langs de kusten van Klein-Azië tot het Oude Egypte en Libië. Aanvankelijk zal de vaart vooral langs de kust zijn geweest, maar vanaf Thoetmosis III (ca. 1479 - 1425 v.Chr.) zijn er aanwijzingen voor een directe vaart op Egypte waarbij de kust als navigatiemiddel niet meer gebruikt kon worden. Het handelsnetwerk zag er ongeveer als volgt uitːLes Grands Tournants de l'Histoire - I Les Mondes Antiques, p. 38
Regio Uitvoer InvoerZuid-ItaliëStenen vazenSiciliëidemtinGriekenlandidem, weefsel en kunstvoorwerpenmarmer en steen, later ook ijzerertsCyprusvazenkoperKanaänpotten, olie, weefselsEgypte en Lybiëwijn, olijfolieivoor
De Minoërs hadden in de bloeitijd intensieve handelscontacten met Egypte, Libië, Anatolië, Cyprus en de kuststreken van de oostelijke Middellandse Zee (Kanaän, Libanon en Syrië). Maar ze voeren ook op de westelijke Middellandse Zee en deden min of meer geregeld de kusten van Italië, Sicilië, Spanje, Zuid-Frankrijk, Marokko, Algerije, Corsica, Sardinië en de Balearen aan. Er zijn aanwijzingen dat de Minoërs zelfs voorbij Gibraltar naar de West-Europese kusten voeren zoals Zuid-Spanje en Groot-Brittannië om de daar aanwezige rijke ertsvoorraden te exploiteren, zoals o.a. het voor brons benodigde tin. Mogelijk was de rijke en legendarische in Zuid-Spanje gelegen handelsstad Tartessos oorspronkelijk een handelspost van de Minoërs. De Myceners en Feniciërs namen geleidelijk hun positie over als handelaars en zeevaarders.
Ondergang van de Minoïsche beschaving Overal rond de Middellandse Zee zijn er brandlagen uit het 2e millennium v.Chr. te vinden. Ook op Kreta werden toen cultuurcentra verwoest. Na de vulkaanuitbarsting op Santorini, die tegenwoordig op tussen 1615 en 1613 v.Chr. wordt gedateerd aan de hand van gevonden olijfhout, viel de noord-zuidverbinding via Santorini weg en raakte het handelsnetwerk erg verstoord. De vloten en havens waren trouwens verwoest na een vloedgolf van 28 meter hoog die over de Kretenzische kusten was gespoeld. Het transport van ijzererts vanuit Attica werd nu door de steeds meer ondernemende Myceners georganiseerd, nadat zij eerst een tijdje tol hadden gevraagd van de voorbijvarende Kretenzers om tijdelijk aan te leggen. De Myceense bewoners van de Peloponnesos bouwden de oostroute naar Anatolië verder uit en concurreerden daarbij de laatste Minoïsche Kretenzers weg. Ten slotte namen zij ook de nieuwe, nu minder rendabel geworden zeeroute naar Kreta over, en palmden allengs het eiland meer en meer zelf in. Daarbij lieten zij de daar aanwezige ambachtslieden hun oude kunst voortzetten, maar wel in dienst van de nieuwe heersers.