thumb De Abdij van Herkenrode, een voormalig klooster voor cisterciënzerinnen met abdijhoeve en bedrijfsgebouwen, is gelegen op de zuidelijke Demeroever in Kuringen, een deelgemeente van de stad Hasselt in Belgisch-Limburg. Het geheel is gelegen te midden van een sinds 1974 beschermd bos- en landbouwlandschap, en toegankelijk langsheen twee dreven.
Herkenrode is afgeleid van enerzijds het Keltische woord arika, verkleinwoord van ara (dat rivier betekent) en anderzijds rode dat open, ontgonnen plaats in een bos betekent. Herkenrode staat dus voor een open plaats bij een beek.
Geschiedenis De abdij werd - volgens een verder vermeld handschrift in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht - gesticht in 1192 nadat Gerard, graaf van Loon een stuk van zijn domein met daarop een watermolen, pag. 107 verkocht aan een broeder uit de cisterciënzer abdij van Aulne om er een klooster van cisterciënzers te stichten. Het werd een klooster voor cisterciënzerinnen. De verkoop was onder meer bedoeld om de deelname van de graaf van Loon aan de Derde Kruistocht te financieren. Sommige geschiedschrijvers vermelden dat hij door de prins-bisschop van Luik verplicht werd om de abdij te stichten tot verzoening voor het verbranden van de collegiale kerk te Tongeren. Daarnaast gaf hij een aantal tienden als onderpand voor een lening. Omdat de graaf overleed bij het beleg van Akko, kon hij zijn lening niet terugbetalen en verwierf het klooster aanzienlijke rijkdommen. In 1217 werd de abdij opgenomen in de orde van Cîteaux. Zij was de eerste en werd de grootste en rijkste vrouwenabdij van die orde in de Nederlanden. De religieuzen rekenden zich tot "des nobles dames de l'ordre de Cîteaux du comté de Looz". (adellijke dames van de orde van Cîteaux van het graafschap Loon)
De graven van Loon waren enkele jaren voordien verhuisd van Borgloon naar Kuringen, op 2,5 km van de plaats waar de abdij werd opgericht. Zij waren verwikkeld geraakt in een strijd met enkele andere machtsblokken. Hun hoofdburcht in Borgloon werd in 1179 vernield en ze weken uit naar de burcht (het latere Prinsenhof) in Kuringen. Vanaf graaf Gerard I werden bijna alle graven in de abdijkerk van Herkenrode begraven. Arnold V werd in Averbode begraven en de laatste graaf, Diederik van Heinsberg, werd er niet begraven omdat de abdis zijn begraving weigerde nadat hij in de ban van de kerk was geslagen. Ze wist niet dat die ban al was opgeheven. Uiteindelijk vond de graaf zijn laatste rustplaats in de nu verdwenen kerk van het Augustijnenklooster in Hasselt. Na het overlijden van de laatste graaf ging Loon, na jaren van strijd en discussie, in 1366 over in handen van het Prinsbisdom Luik. Ook met de prins-bisschoppen had de abdij goede relaties in het bijzonder met Everhard van der Marck die regelmatig verbleef in het Prinsenhof in Kuringen ten tijde van abdis Mechtildis de Lechy. Hun wapenschilden prijken in het poortgebouw van de abdij dat dateert van 1531.
Onlusten, vooral in de 15e eeuw, zorgden voor een sterk verval. Vanaf omstreeks 1500 kende de abdij een heropbloei onder impuls van daadkrachtige abdissen zoals Mechtildis de Lechy, Anna Catharina de Lamboy en Barbara de Rivière d'Arschot. Onder het abbatiaat van abdis de Lamboy verrees in 1658 een imposante infirmerie. Vanaf 1669 gaf abdis Anna Catharina de Lamboy aan landmeter Peter Meysman de opdracht tot opmeting van de uitgebreide goederen en landerijen van de abdij., Hoe ver het eigen strekt. De samenwerking tussen landmeters en private opdrachtgevers in de vroegmoderne periode (16e-17e eeuw), in: Monasterium Herkenrode, erfgoedcel Hasselt, deel IV, 2014, p.42. In de 18e eeuw plande abdis Anna de Croÿ (1744-1772) een totaal nieuwe abdij naar een ontwerp van architect Laurent Benoit Dewez. Slechts de imposante 50 m lange Abdissenresidentie Herkenrode in classicistische stijl is daarvan in 1768 gerealiseerd. De residentie bevat een aantal zalen gedecoreerd door schilder Franz Anton Brändl (1720-1782) uit Praag die sinds 1749 in Hasselt woonde, zoals de blauwe en grijze zaal. Een weids Engels landschapspark van ruim 10 ha met uitheemse boomsoorten, zoals de moerascipres, naar de idee van Capability Brown sluit met een ruim terras aan op de achterzijde van het gebouw.
Uit een goederenregister van 1793 blijkt dat Herkenrode met zijn 3.108 ha grondbezit, veertien grote agrarische bedrijven en nog enkele woningen, en een jaarinkomen van 94.910 guldenPierre-Paul Dupont (1975), in: Abdijen en begijnhoven in België (2), p. 90. Artis-Historia, Brussel een van de rijkste abdijen in de Nederlanden was.
In de abdij resideerden twee soorten zusters: koordames (27 in 1791) en conversen of werkzusters naast enkele mannelijke religieuzen, de pachter van de abdijhoeve, gasten, pelgrims en ambachtslui van allerlei slag.
Na de invallen van het Franse bezettingsleger werd de abdij eind 1796 opgeheven. Na de verkoop aan Claes en Libotton takelden de gebouwen langzaam af. In 1826 verwoestte een brand grote delen van de kerk, die ingericht was als werkplaats met weefgetouwen. Eerder verving men de brandglasramen door klaar vensterglas. In 1844 werd tot de afbraak van de ontstane ruïnes overgegaan. Daardoor verloor Herkenrode ook het bovengronds mausoleum van de graven van Loon. De kerk, op de plaats van de eerste middeleeuwse kerk, dateerde uit het begin van de 16e eeuw. Zij was 64 meter lang en 10 meter breed. (20 meter langer en 2 meter smaller dan de Virga Jesse basiliek in Hasselt.)
De abdij had drie refugehuizen (vluchthuizen) die er nog zijn, weliswaar met een andere bestemming: in Hasselt in de Maastrichterstraat (1544) (zie Refugehuis van de Abdij van Herkenrode), in Maastricht in de Kommel (1574) en in Sint-Truiden in de Schepen Dejonghstraat (1624).
Indrukwekkende restantenAfbeeldingen abdij. Gearchiveerd op 14 augustus 2020. miniatuur|De kruisdraging. (nu in de kathedraal van Lichfield (GB))
Gebouwen Van het twaalfde-eeuwse klooster is buiten de funderingen niets bewaard gebleven. De onderbouw van de watermolen aan de Demer kan nog uit de vroege fase dateren. De gebouwen die nu nog te zien zijn, dateren voornamelijk uit de 16de-18de eeuw: Tuiltermolen, vanaf 1213 in bezit van de abdij door schenking van graaf Lodewijk II van Loon Abdijmolen, uit de 16de eeuw en uitgebreid in de 19de eeuw Monumentale poortgebouw Herkenrode (1531), onder abdis Mechtildis de Lechy Infirmerie (1658), onder abdis Anna Catharina de Lamboy Sacramentskapel Herkenrode (1661), onder abdis de Lamboy met wapen op de koepel van de binnenzijde Tiendschuur Herkenrode (1656) zoals het chronogram "L'AbonDanCe De DIeU" vermeldt, onder abdis de Lamboy Hoevegebouwen (1656 - 1740) Abdissenresidentie (1538 en 1774), onder abdis Anna de Croÿ, met gedecoreerde zalen waaronder de Blauwe Zaal Herkenrode in opdracht van abdis Augustina van Hamme Nieuw klooster en kerk Abdij Herkenrode van de Reguliere Kanunnikessen van het Heilig Graf (1985)
Artefacten Deel van de elders bewaarde kunstschatten uit de kerk Het barokke hoofdaltaar, werk van Jean Del Cour (1631-1707) en de grafmonumenten van twee abdissen, Anna Catharina de Lamboy († 1675) en Barbara de Rivière d'Arschot († 1744), werden overgebracht naar de Virga Jessebasiliek in Hasselt. De glasramen zijn samengebracht in zeven vensters van de Lady Chapel in de kathedraal van Lichfield (Engeland). Zij stellen scènes voor uit het nieuwe testament en afbeeldingen en wapenschilden van de schenkers, historische figuren uit de zestiende eeuw, en behoren tot de best bewaarde glaswerkensembles uit de Vlaamse renaissance. Ze vallen op door de uitzonderlijke kwaliteit van hun technische uitvoering, door de tekening, de kleuren en de wijze waarop het glas werd gesneden. Zij zijn van de hand van twee kunstenaars, Marten Tymans uit Antwerpen en Lambert Spulbergh uit Mechelen en dateren van de jaren 1532-1539. Stijlstudie onthult een sterke invloed van de Antwerpse school en het gebruik van getekende of gegraveerde composities afkomstig uit het atelier van Pieter Coecke van Aelst. Abdis Mechtildis de Lechy liet ze maken. In 1802 werden ze door de toenmalige eigenaar verkocht aan een Engelsman op doorreis die ze grotendeels verkocht aan de anglicaanse kathedraal van Lichfield. In 2015 werden zij grondig gerestaureerd. Ook kwam glaswerk terecht in een viertal andere kerken in Engeland. De majolica-tegelvloer uit het koor is te bewonderen in het Jubelparkmuseum in Brussel. De tegelvloer in Antwerps plateel werd gelegd in achthoeken, bestaande uit een vierkante tegel met een afbeelding en vier zeshoekige tegels met bloemmotieven. Abdis Mechtildis de Lechy bestelde deze vloer in 1532 bij Petrus Frans van Venedigen in Antwerpen. In 1888 verkocht de toenmalige eigenaar 505 van de majolicategels aan het Jubelparkmuseum in Brussel Een rijkelijk versierd antifonarium (een verzameling van liturgische gezangen) uitgewerkt op perkament. Dit unieke exemplaar, in 1544 besteld door Mechtildis de Lechy, werd lange tijd bewaard in de trappistenabdij van Gethsemani in Kentucky. (USA) en bevindt zich nu in Michigan (USA). Vijf bladen van een dertiende-eeuws cisterciënzer martelarenboek bevinden zich in de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Utrecht.Digitale facsimile van de fragmenten bij de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Deze bladen zijn in de achttiende eeuw gebruikt om ermee nieuwe boeken in te binden. In de marge van het blad van 29 september staat een notitie met de stichtingsdatum van de abdij van Herkenrode. In tegenstelling tot in andere bronnen genoemde datum van 1182, staat hier juist het jaar 1192. De bladen zijn ook bijzonder, omdat ze het oudste bekende overgeleverde handschriftelijk materiaal uit de abdij van Herkenrode zijn.Bastiaan Uijttewaal, Marisa Mol, Erin Vrijer, Julia Franken, Matthea Blok & Marianna Kersten,(ed. Bart Jaski & Sigrid Lussenburg), 'Fragmenten van een martyrologium uit de abdij Herkenrode. Een transcriptie en analyse van Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. fr. 7.20-7.24' (geraadpleegd 4-5-2017). Een aantal schilderijen, waaronder staatsieportretten van tal van abdissen, is te zien in de Sint-Quintinuskathedraal (Hasselt), in het stadsmuseum in Hasselt en in het klooster van de Reguliere Kanunnikessen van het Heilig Graf in Herkenrode. miniatuur|Grafsteen van abdis Margareta van Stein Een deel van de grafsteen van Margareta van Stein, abdis van 1303 tot haar dood in 1333, bewaard op het terrein van de abdijsite, achter de grijze loods. 47 schedelrelieken en een aantal botten en reliekhouders, samen 114 stuks, elk gehuld in waardevol middeleeuws textiel, versierd met gouddraad, rivierparels en vergulde plaatjes. Dat maakt ze tot een van de grootste reliekenverzamelingen van Vlaanderen. Zij zouden volgens de legende toebehoren aan de elfduizend maagden die samen met de Heilige Ursula werden vermoord in Keulen. Het grote aantal maagden is een vergissing te wijten aan het verkeerd lezen van de tekst XI M V als 11.000 Virgines in de plaats van 11 Martyres Virgines (11 Martelaressen Maagden). De relieken werden door abt Willem van Ryckel (1248-1272) uit Sint-Truiden aan de abdij van Herkenrode geschonken. In de 15de eeuw was er in de abdij een apart altaar waar de relieken voor de bedevaarders werden tentoongesteld. Sinds 1826 werden ze bewaard in de kerk van Kermt. Vanaf 1993 worden ze bewaard in de Sint-Quintinuskathedraal (Hasselt). De mogelijkheid om ze weer aan het publiek te presenteren wordt onderzocht.
Topstukken opgenomen in de lijst van het beschermde culturele erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap