De naam Woningwet verwijst naar vier opeenvolgende Nederlandse wetten die betrekking hebben op de volkshuisvesting. De eerste dateert uit 1901, de meest recente uit 2015.

De eerste wet is de Woningwet 1901 die op 1 augustus 1902 in werking trad.Wet van 22 juni 1901 houdende wettelijke bepalingen betreffende de volkshuisvesting, Stb. 158. Het doel van de Woningwet was om bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk te maken en de bouw van goede woningen te bevorderen. Het was de eerste wet omtrent de volkshuisvesting in Nederland.

Een halve eeuw later volgde de Woningwet 1962, die daadwerkelijk werd ingevoerd op 1 juli 1965.Wet van 12 juli 1962 tot vaststelling van nieuwe voorschriften omtrent de volkshuisvesting, Stb. 287. Op 1 januari 1992 trad de derde wet, de Woningwet 1991, in werking en verving daardoor de oudere Woningwet 1962.Wet van 29 augustus 1991 tot herziening van de Woningwet, Stb. 439. Deze Woningwet werd op zijn beurt opgevolgd door de vierde Woningwet, ingevoerd in 2015.

Waar de oorspronkelijke Woningwet de centrale rol van de overheid bij de woningbouw bevorderde, werd deze functie bij de drie herzieningen juist stapsgewijs afgebouwd. Zo is het belang van woningcorporaties teruggeschroefd en vertrouwt de overheid een groter aandeel van de woningbouw dan voorheen toe aan private marktpartijen.

Voorgeschiedenis De bevolking in Nederland groeide in de 19e eeuw. Door innovatie en mechanisatie in de landbouw kwam er veel meer gezond en goedkoper voedsel beschikbaar. Ziektes en sterfte door ondervoeding werden zeldzaam wat leidde tot een hogere levensverwachting en een geboorteoverschot.

De verbeteringen in de landbouw hadden echter ook tot gevolg dat er minder landarbeiders nodig waren. Steeds meer arbeidersgezinnen zochten hun heil in de steden waar men hoopte goedbetaalde banen te vinden in de havens en industrie. De vraag naar werkplekken was aanvankelijk veel groter dan het aanbod, waardoor de lonen laag bleven. De werkgelegenheid in de Nederlandse steden nam vanaf 1860 daadwerkelijk flink toe door de industrialisatie en de handel met de Nederlandse koloniën zoals Nederlands-Indië.

Woningschaarste thumb|Amsterdam in 1892, foto Jacob Olie

De vele arbeiders die in de steden naar werk kwamen zoeken, kregen niet alleen te maken met karige lonen en hoge werkloosheid, maar ook met een tekort aan goedkope woonruimte. Dit terwijl vele duizenden krotten werden opgeruimd, en plaats maakten voor verkeer, handel, industrie, scholen, kantoren, brandweerkazernes, nutsvoorzieningen et cetera. De binnensteden van grote steden raakten overbevolkt. Daardoor stegen de huren tot onverantwoorde hoogten, terwijl de woningen vaak van slechte kwaliteit waren. In de 19e en het begin van de 20e eeuw waren de woonomstandigheden van de Nederlandse arbeidsbevolking in de steden vaak erbarmelijk. Voor gezonde voeding, kleding en hygiëne hield een arbeidersgezin weinig geld over. Rond 1900 woonden één miljoen mensen in slechte omstandigheden in sloppen en stegen, overigens voor een niet onbelangrijke deel ook buiten de grote industriecentra.Woud van der, Auke (2010), Koninkrijk vol sloppen, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam

De zorg voor acceptabele huisvesting van de bevolking werd in de 19e eeuw niet als een overheidstaak gezien. Welgestelde leden van de stedelijke elite ontplooiden vanaf de jaren 50 van de 19e eeuw wel enkele particuliere initiatieven, zoals de oprichting van de eerste woningbouwvereniging van Nederland, de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse te Amsterdam, maar het was te weinig om het snel groeiende probleem op te lossen. Diverse sociaal betrokken burgers zoals armenbezoekers en artsen trokken aan de bel bij het bestuur en de politieke elite. thumb|Krotten in Amsterdam aan het begin van de 20ste eeuw

In 1853 vroeg koning Willem III aan het Koninklijk Instituut van Ingenieurs om over de vereisten en inrichting van arbeiderswoningen te rapporteren. In 1855 werd het rapport uitgebracht. Het rapport vestigde de aandacht op het belang van weersbestendigheid, bezonning, luchtverversing, watertoevoer en de afvoer van urine en ontlasting. Toch duurde het nog een halve eeuw voordat de overheid zich met de volkshuisvesting ging bemoeien. Een initiatief-wetsvoorstel uit 1854 om plaatselijke raden van gezondheid in te stellen, waarbij het gemeentebestuur de bevoegdheid zouden krijgen om huiseigenaren tot woningverbetering te dwingen, werd verworpen.

Oplossingsrichtingen

thumb|150px|left|Minister Goeman Borgesius schreef het wetsvoorstel thumb|Revolutiebouw in Amsterdam De druk op de woningmarkt en de aanhoudende stroom van nieuwe arbeiders naar de steden creëerden rond 1870 ideale omstandigheden voor speculatie met vastgoed in de steden. De banken werden mild bij het verstrekken van krediethypotheken. De zogenaamde revolutiebouw, nieuwe stadswijken die door particulieren als belegging rondom stadscentra werden gebouwd, speelde in op de woningnood. De in die tijd gebouwde woningen waren vaak benauwde rug-aan-rug woningen van slechte kwaliteit, met minimale sanitaire voorzieningen en smalle trappen. Sommige stedelingen hadden het nog slechter getroffen, in Amsterdam woonden deze arbeiders bijvoorbeeld in toentertijd beruchte buurten als het oude Vlooienburg, Valkenburg, Kattenburg en de Jordaan.

Ook Den Haag en Rotterdam kenden hun sloppen in de vorm van armoedige arbeidershofjes die vaak op binnenplaatsen achter grote panden waren gebouwd. Op die manier onttrok men de arbeiders aan het zicht. Hun woningen waren vanaf de straat immers niet te zien. Hier woonden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in vervallen krotten en klamme kelderwoningen, kleine alkoofwoningen of afgeschotte zolders. Aan deze misstanden moest de Woningwet een einde maken. Een dodelijke cholera-epidemie in 1886 hielp bij de verdere bewustwording door de vooruitstrevende liberalen van het maatschappelijke probleem van de volkshuisvesting. Dit plaveide de weg voor politieke steun voor een woningwet en een gezondheidswet.

In 1896 brachten H.L. Drucker, prof. H.B. Greven en mr. J. Kruseman voor de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een rapport uit over het vraagstuk van de volkshuisvesting. Minister van Binnenlandse Zaken Goeman Borgesius baseerde de Woningwet vrijwel geheel op de ideeën uit dit rapport. Net als eerdere rapporten motiveerde het rapport de oproep tot wettelijke maatregelen met een beroep op de verbetering van de volksgezondheid en de "opheffing van de zedelijke minderwaardigheid der arbeiders". Rond dezelfde periode maakte een experiment in Amsterdam met de Bouwonderneming Jordaan NV duidelijk dat marktwerking de erbarmelijke huisvesting van arbeiders nooit kon oplossen.

Wet 1901 thumb|Het kabinet Pierson Op 11 september 1899 dienden de ministers van Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie, Hendrik Goeman Borgesius, Nicolaas Pierson en Pieter Cort van der Linden (zie Kabinet-Pierson) het wetsontwerp voor de Woningwet in. Juni 1901 werd deze gepubliceerd en in augustus 1902 trad de wet in werking.

De Woningwet 1901 telde 10 paragrafen: Voorschriften van aan woningen te stellen eisen Aangifte omtrent het aantal bewoners Verbetering van woningen en tegengaan van overbewoning Onbewoonbaarverklaring, ontruiming, sluiting en afbraak van woningen Onteigening van woningen in het belang van de volkshuisvesting Vaststellen van een uitbreidingsplan Geldelijke steun van de gemeente voor volkshuisvesting Geldelijke steun van het rijk voor volkshuisvesting Strafbepalingen Slotbepalingen

Belangrijkste maatregelen De Woningwet was voor die tijd revolutionair, liberale beginselen vierden hoogtij, en de Woningwet maakte overheidsinmenging mogelijk op het gebied van de volkshuisvesting. De belangrijkste maatregelen uit deze paragrafen om slechte woningen uit te bannen, werden: de mogelijkheid van financiële steun voor woningbouw door erkende woningbouwverenigingen en bouwmaatschappijen die uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam waren; de verplichting voor gemeenten om een bouw- en woningverordening op te stellen met voorschriften waaraan nieuwe bouwwerken, en met name woningen, zouden moeten voldoen; het verbod om zonder bouwvergunning van de gemeente iets nieuws te bouwen of een bestaand gebouw te verbouwen of uit te breiden; de verplichting voor woningeigenaren om bepaalde verbeteringen uit te voeren; de bevoegdheid van het gemeentebestuur om een woning onbewoonbaar te verklaren. Ook hing de verzakende woningeigenaar onteigening en krotopruiming boven het hoofd als een woning te verwaarloosd was. de verplichting voor gemeenten om uitbreidings- en bestemmingsplannen op te stellen en die om de tien jaar te herzien.

Het toezicht op de naleving van de Woningwet door de lokale overheden werd opgedragen aan het staatstoezicht op de volksgezondheid en gedelegeerd aan gemeentelijke en regionale gezondheidscommissies. Deze gezondheidscommissies hadden ruime bevoegdheden en een sterke positie tegenover de gemeentebesturen.

thumb|Binnenhof Den Haag in 1900 De stemverhoudingen in de Tweede Kamer maakten duidelijk hoezeer de tijd rijp was voor deze wet: 72 van de 100 Tweede Kamerleden stemden voor de wet, slechts 4 leden waren tegen. In de conservatievere Eerste Kamer was de stemming spannender: van de 50 leden waren 24 leden voor, 19 tegen.

Uitvoering wet 1901 Bij het uitvoeren van de Woningwet kregen de gemeenten aanvankelijk de vrije hand, maar na verloop van tijd dreigde de wet daarmee een dode letter te worden. Het aantal voorschriften van het rijk nam daarom in de loop van der tijd toe. Verschillende gemeentelijke verordeningen moesten aan de Gezondheidscommissie worden voorgelegd ter advies, en Provinciale Staten moest deze voor elke gemeente gaan goedkeuren.

Kredieten Het Rijk stelde gemeenten kredieten in het vooruitzicht voor de bouw en exploitatie van sociale-huurwoningen, het opruimen van krotten en voor de aankoop van bouwterreinen en woningen voor de realisering van goedgekeurde uitbreidingsplannen. In eerste instantie waren de rijksbijdragen beperkt tot "toegelaten verenigingen zonder winstoogmerk" voor de bouw en exploitatie van sociale-huurwoningen. De Inspecties voor de Volksgezondheid waakten erover dat de plannen zouden voldoen aan de wet en dat het rijksbudget niet zou worden overschreden. De overheidssteun was niet onbeperkt. Het liberale adagium dat woningbouw in de eerste plaats een taak is voor de markt, bleef het uitgangspunt. Afhankelijk van de politieke kleur van de regering, veranderden de regels, waarbij de ene keer de nadruk kwam te liggen op commerciële partijen, en de andere keer op de bouw door woningbouwverenigingen.

Woningwetwoning

Al snel werden steeds strengere eisen opgelegd voor het te financieren woningtype. Tot 1914 was nauwelijks sprake van overheidsinterventie op de woningmarkt. Pas na tien jaar kwamen er richtlijnen wat moet worden verstaan onder een woningwetwoning. Alleen "woningbouw van het ter plaatse eenvoudigst toelaatbare soort" kwam in aanmerking voor een rijkstoelage: woningen met maximaal drie vertrekken voor arbeiders met een laag inkomen. De particuliere bouwproductie verzandde echter, doordat door tekorten aan bouwmaterialen tijdens de Eerste Wereldoorlog de prijzen de pan uit rezen. Voor woningbouwverenigingen was het vrijwel ondoenlijk om de woningwetwoningen te bouwen tegen een kostendekkende huurprijs die arbeiders zouden kunnen betalen. Woningbouwverenigingen bouwden daardoor amper woningen tussen 1902 en 1916. Slechts 2% van de totale woningbouwproductie was toen van een woningbouwvereniging.

thumb|Eerste woningwetwoningen in Amsterdam, gebouwd door Rochdale