miniatuur|472x472px|Wapenrol van de ridders van het Gulden Vlies. Gemaakt in de eerste helft van de 16de eeuw.

De Orde van het Gulden Vlies (Frans: Ordre de la Toison d'or, Duits: Orden vom Goldenen Vlies, Spaans: Orden del Toisón de Oro) is een exclusieve ridderorde. De leden worden vliesridders of toisonisten genoemd. In de katholieke Oostenrijkse tak behoren ze allen tot de Europese adel. De Spaanse tak is al sinds lange tijd een orde van verdienste. Het Gulden Vlies verwijst naar een Griekse mythe.

Geschiedenis Ontstaan onder de hertogen van Bourgondië thumb|left|Filips de Goede met de keten van de door hem ingestelde Ridderorde

De orde werd op 10 januari 1430 in Brugge ingesteld door Filips de Goede, hertog van Bourgondië, bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal. Met de instelling van deze orde wilde Filips de Goede verschillende doelen bereiken, zoals de verering van God en de verdediging van de christelijke godsdienst. Daarnaast gaf het zijn dynastie meer aanzien om aan het hoofd te staan van zo'n exclusieve orde. Maar vooral was het een manier voor de hertog en de adellijke elite om de banden aan te halen en invloed op elkaars beslissingen uit te oefenen.D'Arcy Jonathan Dacre Boulton, Knight of the Crown, The Monarchical Orders of Knighthood in Later Medieval Europe 1325-1520, (1987), p. xviii De orde had dus ook een politieke functie.Malcolm Vale. "Orders of Chivalry in the Fifteenth Century", War and Chivalry: Warfare and Aristocratic Culture in England, France and Burgundy at the End of the Middle Ages (1981), p. 33-62;

Bij de oprichting van de orde bestond ze uit vierentwintig ridders en vier officieren: een schatbewaarder, een wapenmeester, een kanselier en een griffier, met aan het hoofd de hertog van Bourgondië. De eerste benoemingen waren eigenmachtig door de soeverein gedaan. De eerste wapenmeester was Lefèvre de Saint-Remy.Sonja Dünnebeil, Die Protokollbücher des Ordens vom Goldenen Vlies, I, Statutes, p. 189 Het aantal ridders werd in de statuten van 1431 beperkt tot vierentwintig, en in 1433 uitgebreid naar dertig, in 1517/1519 door Keizer Karel V naar 50 en ten slotte door Filips II naar 60.Françoise de Gruben, Les Chapitres de la Toison d'Or à l'Époque Bourguignonne (1430-1477), p. 176 Leden waren lid voor de rest van hun leven en konden alleen worden gedwongen om hun lidmaatschap weer in te leveren als zij de statuten (de regels) van de orde hadden geschonden.Sonja Dünnebeil, Die Protokollbücher des Ordens vom Goldenen Vlies, I, Statutes, p. 202-204, D'Arcy Jonathan Dacre Boulton, Knight of the Crown, The Monarchical Orders of Knighthood in Later Medieval Europe 1325-1520, p. 377

De leden van de orde kwamen regelmatig bijeen op zogenaamde kapittel-bijeenkomsten, voor het eerst op 22 november 1431 te Rijsel. De locatie van deze bijeenkomsten verschilde, maar werd vaak in steden gelegen in de Zuidelijke Nederlanden gehouden.Françoise de Gruben, Les Chapitres de la Toison d'Or à l'Époque Bourguignonne (1430-1477) Tijdens de regeerperiode van Filips de Goede kwam dit neer op 11 bijeenkomsten, en tijdens de regeerperiode van Karel de Stoute, die hem opvolgde als hoofd van de orde, werden er twee bijeenkomsten gehouden. Deze kapittel-bijeenkomsten duurden meerdere dagen. Gedurende deze dagen was er een aantal vaste elementen. Zo werden nieuwe leden gekozen als er plaatsen waren vrijgekomen wegens het overlijden van een lid. Ook werden er missen opgedragen voor de overleden leden. Daarnaast konden leden verschillende zaken inbrengen die met de orde te maken hadden. Leden hadden ook het recht de hertog te adviseren over militaire en staatszaken. De laatste maal dat er sprake was van kiesvrijheid was tijdens het drieëntwintigste kapittel in 1559 te Gent. Nadat Antoon II van Lalaing tegen de wens van de soeverein tot ridder was gekozen, eigende Filips II zich het alleenrecht toe om nieuwe leden te benoemen. Hiervoor kreeg hij op 15 oktober 1577 de pauselijke machtiging van Gregorius XIII.

Onder het Huis van Habsburg thumb|Wapenborden herinneren in een aantal kerken aan de kapittels van de orde. Zo ook hier in de Sint-Baafskathedraal te Gent.

Het hoofd van de orde waren de opeenvolgende erfgenamen van de hertogen van Bourgondië. Dus na de dood van Filips de Goede in 1467, volgde zijn zoon Karel de Stoute (1467-1477) hem op, waarna de Orde overging naar de Habsburgers door het huwelijk van de enige dochter van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk (1477-1519).

thumb|left|Keizer Karel V met een keten van de orde op een portret van Orley.

In de pauselijke bul Praeclarae devotionis sinceritas van 8 december 1516 werd de Orde erkend door de paus Leo X. De orde geniet pauselijke privileges.Praeclarae devotionis sinceritas van 8 december 1516, opgesomd in "Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies. Blz. 101. Een van de voorrechten van de ridders in deze orde is dat zij van de paus het recht kregen om in hun huishouding en ongeacht een interdict bijvoorbeeld in hun slaapkamer een mis te laten opdragen; het recht op een "Altare portabile".Bul Praeclarae devotionis sinceritas van 8 december 1516 Dit voorrecht delen zij met hoge geestelijken en katholieke vooraanstaande vorsten. De vliesridders werden ook vrijgesteld van veel van de verplichtingen rond de vastentijd. De echtgenotes en dochters van de vliesridders mogen alle kloosters, ook die met de strengste afgescheidenheid, betreden, maar daar niet overnachten. De Bul noemt biechtprivileges en rechten om - met terughoudendheid - van de gangbare tijdstippen voor het lezen van de mis af te wijken. De vliesridders kunnen aflaten, die verbonden zijn aan een pelgrimstocht naar een graf van een apostel zoals een bedevaart naar Santiago de Compostella, verkrijgen door op één dag twee of drie altaren te bezoeken. Het bijwonen van een door de grootmeester voorgezeten kapittel van de orde levert een volle aflaat op. De pausen zijn door de grootmeesters van de orde betrokken bij het formuleren en bevestigen van de statuten. De Bul keurde de uitbreiding tot 51 leden goed en sloot de protestanten uit van lidmaatschap.Guy Stair Sainty op [], gezien op 5 augustus 2013. De pauselijke privileges, toegekend door de bul van paus Leo X, tonen aan dat deze ridderorde niet alleen een staatsrechtelijk lichaam was maar ook als een religieuze gemeenschap werd beschouwd. De vergaderingen moesten plaats hebben in een kerk, waarbij de leden van de orde een gereserveerde plaats hadden in het koorgestoelte – plaatsen anders voorbehouden aan de clerus. Hierdoor vindt men in verschillende kerken de wapenschilden van de ridders van de Orde in het koorgestoelte (Gent, Brugge, Mechelen, Barcelona en Den Haag). De bul van paus Leo X, waarbij de stichting van de orde werd bevestigd door de paus, is voor de orde erg belangrijk. De bul bevindt zich sinds 1934 in het Haus-, Hof- und Staatsarchiv in Wenen.Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies De Bul plaatst de orde in de invloedssfeer van het kerkelijk recht en de rechtsmacht van de pausen.

Paus Clemens XI breidde de al uitgebreide aflaten van de orde in 1712 en 1713 nog verder uit. Paus Pius X heeft het privilege van het Altare portabile in een Breve van 10 februari 1913 nog eens bevestigd. Volgens kerkrechtsgeleerde Franz Xaver Brandmayr gelden alle aflaten en privileges nog steeds. Ze zijn in de steeds aangevulde Stiftbrief van de orde opgesomd.Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies. Blz. 104. miniatuur|Keten van een heraut van de Orde van het Gulden Vlies De motto's van de Orde van het Gulden Vlies zijn "Pretium Laborum" en "Non Vile" oftewel "Beloning voor werk" en "niet te koop". Op de keerzijde staat "Non Aliud", de Latijnse vertaling van het Franse "Autre n'auray". Dit "Ik begeer geen andere" slaat op het exclusiviteitsprincipe van de orde. Oorspronkelijk werden de ridders namelijk geacht geen andere orde, en vooral geen andere grootmeester, aan te nemen.

Karel V († 1558) was het vijfde soeverein hoofd, tevens derde uit het Huis Habsburg, en heeft viermaal een kapittel uitgeroepen. De eerste maal was het achttiende kapittel in oktober 1516 dat plaatsvond in de Sint-Goedelekathedraal te Brussel met 25 benoemingen. Daarna volgde in 1519 het negentiende te Barcelona met 14 benoemingen, het twintigste in 1531 te Doornik met 24 benoemingen, en het eenentwintigste in 1546 en tevens laatste te Utrecht met 22 benoemingen, en waar Karel de titel van grootmeester na liet aan zijn zoon Filips II. Maar ook Karels broer, Ferdinand, die na de abdicatie van Karel V keizer werd, eigende zich het recht toe om ridders in deze orde te benoemen.

De vliesridders waren niet onderworpen aan de wereldlijke rechtsmacht, maar aan het eigen gerecht van de orde. Tijdens de regering van Filips II werd deze bepaling genegeerd. De veroordeling in 1568 door de Bloedraad en de daaropvolgende terechtstelling van de graven van Egmond en Hoorne, beiden ridder van het Gulden Vlies en dus onschendbaar, was immers in strijd met deze bepalingen. Er werden in de daaropvolgende jaren geen kapittelvergaderingen meer gehouden om koning Filips II de schande te besparen hiervoor ter verantwoording geroepen te worden. De gerechtelijke moord op de twee vliesridders belandde in de doofpot.

Splitsing in de Oostenrijkse en Spaanse Orde van het Gulden Vlies thumb|Graaf Philipp von Sinzendorf in de ordekledij van het Gulden Vlies; Hyacinthe Rigaud Toen Karel II van Spanje op 1 november 1700 kinderloos stierf, en het Huis Habsburg in de Spaanse tak daarmee uitstierf, kwam daarover een diepgaand geschil. Filips V van Spanje, kleinzoon van Lodewijk XIV van Frankrijk, uit het Huis Bourbon, die in 1700 koning van Spanje werd, trad als universeel erfgenaam van zijn oudoom in al diens rechten en hij nam ook de positie van "chef en souverein" van de Orde van het Gulden Vlies op zich. Voor de Duitse keizer, de Habsburger keizer Leopold I was het testament van zijn Spaanse verwant onaanvaardbaar. De orde werd tussen 1555 en 1701 min of meer gedeeld door de twee Habsburgse heersers. De Spaanse koning was chef en soeverein, de Oostenrijks-Duitse Habsburgse heerser deed voordrachten en vulde gewoontegetrouw een derde van de rijen der ridders. Op grond van artikel 65 van de statuten kon het bezit van de orde alleen in de vrouwelijke lijn op Filips van Bourbon vererven wanneer er in het Huis Habsburg geen mannelijke afstammelingen in directe lijn meer waren. Keizer Leopold I was wel degelijk zo'n afstammeling.

In 1701 en 1702 erkenden de elf Zuid-Nederlandse vliesridders Filips als hun meester. Filips beschikte ook over de archieven en de kostbare schat van de orde die in Brussel werd bewaard.

De Spaanse Successieoorlog in 1702-1713 die uitbrak tussen Oostenrijk en zijn bondgenoten Engeland en Nederland enerzijds en Frankrijk, Beieren en Spanje anderzijds, ging in eerste instantie over territoria. Pas in 1703 maakte de tot koning Karel III van Spanje uitgeroepen aartshertog Karel van Oostenrijk, de jongste zoon van Leopold,Woordenkracht Karel VI aanspraak op de positie van chef en soeverein van de Orde van het Gulden Vlies. Drieëndertig vliesridders erkenden Karel en werden daarop door Filips uit de orde gezet. De Oostenrijkers gaven daarmee te kennen dat zij de orde als deel van de aanspraken van de Spaanse koning of die van de heerser over de Zuidelijke Nederlanden zagen. Hadden zij de soevereiniteit over de orde verbonden aan de erfopvolging binnen het Huis Habsburg dan was niet aartshertog Karel, maar zijn vader keizer Leopold I de pretendent geweest.

Toen Leopold I op 5 mei 1705 stierf, werd aartshertog Jozef de nieuwe Habsburgse heerser. Jozef regeerde tot 17 april 1711 en maakte geen aansprak op de soevereiniteit over de Orde van het Gulden Vlies. Aartshertog Karel, als koning van Spanje, benoemde pas in november 1707 eerst een schatmeester en een wapenkoning.