thumb|Enver Pasja Ismail Enver Pasja (Istanbul, 22 november 1881 – Doesjanbe, 4 augustus 1922) was een Ottomaanse militaire officier en een leider van de Jonge Turken-revolutie van 1908. Hij werd de belangrijkste leider van het Ottomaanse Rijk in zowel de Balkanoorlogen (1912–13) als in de Eerste Wereldoorlog (1914–18). In de loop van zijn carrière stond hij bekend onder steeds hogere titels toen hij door militaire rangen steeg, waaronder Enver Efendi (انور افندي), Enver Bey (انور بك) en ten slotte Enver Pasja, waarbij 'pasja' de eretitel was die Ottomaanse militaire officieren behaalden op promotie naar de rang van Mirliva (generaal-majoor).

Enver Pasja was een van de hoofdopdrachtgevers van de Armeense genocide en daarmee verantwoordelijk voor de dood van 800.000 tot 1,8 miljoen Armenen, Arameeërs, Grieken en andere christelijke minderheden.

Levensloop Vroege jaren miniatuur|Enver met zijn vader Ahmet en zijn jongere broer Nuri Enver werd geboren in Istanbul op 22 november 1881. Zijn volledige naam is Ismail Enver. Dit was alleen zijn voornaam, want in die tijd maakten Turken nog geen gebruik van achternamen. Men ging pas van achternamen gebruikmaken na de invoering van de achternamenwet in 1934, wat Enver niet meer mee zou maken, omdat hij toen al lang overleden was.

Envers vader heette Ahmet (1860-1947), die ofwel een brugwachter in Monastir (Bitola) wasMuammer Kaylan, The Kemalists: Islamic Revival and the Fate of Secular Turkey, Prometheus Books, 2005, blz. 75 of een openbare aanklager in een kleine Albanese stad in de Balkan.Handan Nezir Akmeşe, The Birth of Modern Turkey: The Ottoman Military and the March to WWI, IB Tauris, 2005, blz. 44 Vanuit vaders kant stamt Enver af van de Gagaoezen. Zijn moeder Ayşe Dilara was volgens een bron een AlbaneseMark Mazower, Salonica, City of Ghosts: Christians, Muslims and Jews 1430–1950, HarperCollins, 2004, blz. 255, isbn 9780375727382, en volgens een andere bron een Krim-Tataar.Erik J. Zürcher, The Young Turk Legacy and Nation Building, 2014 Enver had twee jongere broers, Nuri en Mehmet Kamil, en twee jongere zussen, Hasene en Mediha. Hij had een oom genaamd Halil, die een jaar jonger was dan hij. Luitenant-kolonel Ömer Nâzım werd later de echtgenoot van zijn zuster Hasene.

Hoewel geboren in Istanbul, zou Enver zijn jeugd in verschillende steden van de Balkan doorbrengen. Vanwege zijn vaders werk verhuisde zijn familie steeds. Hij studeerde voor verschillende graden aan militaire scholen in het rijk. Tijdens zijn studie werden hij en zijn oom Halil gearresteerd door de autoriteiten wegens verdachte antimonarchistische activiteiten. Ze werden berecht door de Yıldız rechtbanken en al gauw weer vrijgelaten. In 1903 studeerde Enver uiteindelijk cum laude af aan de Ottomaanse Militaire Academie (Harp Akademisi) in de rang van luitenant. In 1906 werd Enver bevorderd tot generaal-majoor. Als militair werd Enver gestuurd naar het Derde Leger, dat gestationeerd was in Saloniki (Thessaloniki). Daar bestreed hij de etnische separatisten op het platteland van de Macedonische Vilajets (zie Macedonische kwestie). Deze ervaringen brachten hem ertoe te geloven dat zowel de christelijke Ottomaanse onderdanen als de grote Europese machten het land wilden opdelen, waardoor bij Enver het Turks-nationalisme begon te groeien.

Jonge Turken Met de hulp van zijn oom Halil werd Enver lid van de pas opgerichte Ottomaanse Vrijheidsmaatschappij (Osmanlı Hürriyet Cemiyeti), die door Talaat was opgericht. Deze beweging fuseerde later met de beweging van Ahmet Rıza, die toen samen het Comité voor Eenheid en Vooruitgang (İttihat ve Terakki Cemiyeti) vormden. Deze beweging werd bekend onder de bijnaam de Jonge Turken. Enver werd in 1906 lid van de Jonge Turken. Enver stichtte de afdeling van de Jonge Turken in de stad Monastir en werkte nauw samen met de Ottomaanse officier Kâzım Karabekir. De Jonge Turken waren toen nog een ondergrondse beweging. Ze verzetten zich tegen de Ottomaanse sultan Abdülhamit II en wilden de Ottomaanse regering omvormen tot een constitutionele monarchie.

miniatuur|links|Ansichtkaart uit 1908 ter herdenking van de Jonge Turkse Revolutie met een afbeelding van Enver Pasja In 1908 pleegden de Jonge Turken een staatsgreep, waar Enver ook aan meedeed. Na de machtsgreep van de Jonge Turken werd de grondwet van 1876 in ere hersteld. De Jonge Turken hielden Abdülhamit II aan als sultan, maar ontdeden hem van zijn macht. Na de revolutie klom Enver op in de rangen van het Ottomaanse leger. Een jaar later in april 1909 vond er een contrarevolutie plaats door sympathisanten van Abdülhamit II. Ze wilden de macht van Abdülhamit II herstellen. Enver vocht samen met andere Jonge Turken hiertegen. Het lukte de Jonge Turken om de contrarevolutie tegen te houden. Abdülhamit II werd door de Jonge Turken verbannen naar Saloniki en vervangen vervangen door sultan Mehmet V Reşat.

In de jaren 1909-1911 diende hij als militair attaché in Berlijn, waar hij vloeiend Duits leerde spreken. Hij bevriende zich met officier Hans Humann, die de zoon was van ingenieur Carl Humann en zijn jeugd in de stad İzmir had doorgebracht. Enver maakte ook kennis met zijn zuster Maria Sarre, die getrouwd was met archeoloog en kunsthistoricus Friedrich Sarre. Hans Humann beschikte over een invloedrijke vriendenkring. Door hem kwam Enver in contact met verschillende hooggeplaatste Duitse staatsfunctionarissen en de Duitse keizer Wilhelm II. Het was in deze tijd dat Enver de cultuur van Duitsland en de macht van het Duitse leger ging bewonderen. Hij nodigde Duitse officieren uit om het Ottomaanse leger te hervormen. Deze contacten van Enver met de Duitsers zouden later van nut zijn bij het vormen van een alliantieverdrag met Duitsland, waarbij de totstandkoming ervan ook zijn vriend Hans Humann een belangrijke rol zou spelen.Malte Furmann, Der Traum vom deutschen Orient: Zwei deutsche Kolonien im Osmanischen Reich 1851-1918, 2006,

Toen op 29 september 1911 de Italiaans-Turkse Oorlog uitbrak, vertrok hij naar Libië om tegen het Italiaanse leger te vechten. In Libië had hij het commando over de Ottomaanse legerdivisies. Hij en Mustafa Kemal (de latere Atatürk) wisten met de hulp van lokale Libische stammen onverwacht veel weerstand te organiseren tegen het Italiaanse leger. Hoewel ze in Libië met elkaar samenwerkten, hadden Enver en Mustafa Kemal voortdurend meningsverschillen met elkaar en zouden ze later uitgroeien tot ware rivalen van elkaar. Enver werd in Libië benoemd tot gouverneur van Benghazi.

Terwijl de oorlog in Libië aan de gang was, brak in oktober 1912 de Balkanoorlog uit. Het Ottomaanse rijk werd hierdoor genoodzaakt om vrede te sluiten met Italië (Vrede van Ouchy) en zijn troepen uit Libië terug te trekken om deze in te zetten in de Balkanoorlog. Enver nam ook deel aan deze oorlog en hij heroverde de stad Edirne op de Bulgaren. Het Ottomaanse rijk verloor uiteindelijk de Balkanoorlog en daarmee een groot deel van zijn grondgebied in de Balkan. Het verlies van de Balkan bracht ook een grote vluchtelingenstroom voort van islamitische onderdanen (Muhacir) uit de Balkan naar het Ottomaanse rijk, die probeerden te ontsnappen aan de voortdurende vervolging door de nieuwe machthebbers.

Naar aanleiding van het slechte verloop van de Balkanoorlog pleegde hij met een groep gelijkgezinde Jonge Turken op 23 januari 1913 een tweede staatsgreep waardoor het constitutionele bewind moest wijken voor een feitelijke dictatuur van het driemanschap Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja. Hij werd in de regering-Talaat minister van Oorlog en opperbevelhebber van het leger. Het was in deze tijd dat hij pas de titel Pasja kreeg. Hiervoor was hij bekend als Enver bey. Op 2 augustus 1914 sloot hij in het geheim een alliantieverdrag met Duitsland om het Ottomaanse rijk veilig te stellen bij een eventuele Russische aanval.

Eerste Wereldoorlog Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, koos het Ottomaanse rijk de kant van Duitsland en kwam hiermee in oorlog met Rusland, Engeland en Frankrijk. Op 29 oktober 1914 liet Enver Pasja Duitse oorlogsschepen, die onder Ottomaanse vlag voeren, Russische havens in de Zwarte Zee bombarderen, waarmee het Ottomaanse rijk in de oorlog belandde. Vanwege de overeengekomen alliantie met Duitsland kwamen verschillende Ottomaanse legereenheden onder leiding te staan van Duitse commandanten.

miniatuur|links|Enver Pasja en de Duits militaire adviseur Otto von Feldmann inspecteren het leger tijdens de Slag bij Sarıkamış tegen de Russen, eind 1914 In oktober 1914 begon Enver de Kaukasusveldtocht om een oude rekening te vereffenen met Rusland. Namelijk de herovering van de gebieden in Oost-Anatolië, die het Ottomaanse rijk eerder kwijt was geraakt als gevolg van de Russisch-Turkse Oorlog van 1877 tot 1878. Tegen de adviezen van zijn Duitse bondgenoten in opende Enver Pasja binnen een maand na de oorlogsverklaring de aanval op dit gebied. Hij nam zelf het commando over het 3e Leger en gaf het bevel om de Russische troepen aan te vallen. Enver Pasja had een groot leger (schattingen lopen uiteen van 100.000 tot 190.000 man), maar het was slecht uitgerust en al helemaal niet voor de winterse omstandigheden, die Envers leger daarop spoedig zou moeten doorstaan. De Russen verschansten zich bij Sarikamis om het te verdedigen. De Slag bij Sarıkamış werd daarop gevoerd tussen 29 december 1914 en 4 januari 1915, waarbij de Turken een grote nederlaag leden. Het Turkse leger trok zich helemaal terug naar zijn startposities en verloor tussen de 60.000 en 175.000 man troepen. De verliezen aan de Ottomaanse zijde waren rampzalig. Door een strategische misrekening van Enver Pasja kwam een deel van zijn soldaten om door doodbevriezing in de winterse kou bij het Allahuekber-gebergte. Enver Pasja trad daarop af als commandant en keerde terug naar Istanbul. Hij liet het commando van het Turkse leger over aan Hafiz Hakki Pasja, die de strijd tegen de Russen voortzette.

In Istanbul hield Enver Pasja een publieke toespraak, waarin hij de schuld van zijn nederlaag gaf aan de Armeniërs. Armeniërs zouden volgens hem samenwerken met de Russen. Hij gaf daarop als Minister van Oorlog opdracht om alle Armeense soldaten binnen het Ottomaanse leger te ontwapenen, te demobiliseren en om ze naar werkkampen te sturen, waar ze vervolgens bijna allemaal stierven. Dit was een belangrijke stap op de weg naar de Armeense genocide. Eind april brak in de stad Van een Armeense opstand uit. De Ottomaanse regering verdacht de leden van de Armeense elite in Constantinopel ervan achter de opstand in Van te zitten. Daarom liet de Ottomaanse regering ze op 24 april 1915 arresteren om ze daarna te deporteren. Een maand later op 27 mei 1915 nam de Ottomaanse regering een wet aan (Tehcir Kanunu) om de Armeense bevolking in het Oosten van het land te deporteren naar de Syrische provincie van het Ottomaanse rijk. Deze wet trad in werking op 1 juni 1915, waarna de deportaties van Armeniërs begonnen, die zouden leiden tot de Armeense genocide, waarbij vele Armeniërs omkwamen tijdens de tocht.