thumb|Componist Edvard Grieg is wellicht de bekendste exponent van de Noorse nationale romantiek thumb|Brudeferden i Hardanger (Bruiloft in Hardanger), schilderij van Hans Gude en Adolph Tidemand. De Noorse nationale romantiek is een intellectuele stroming die in Noorwegen in de 19de eeuw erg belangrijk was. Ze verbond nationalisme en romantiek.

Ideeëngeschiedenis voor 1814 De Noorse nationale romantiek werd mogelijk gemaakt door verschillende preromantische argumenten en intellectuele stromingen.

Deze argumenten en intellectuele stromingen komen weliswaar alle uit de 18de eeuw maar kunnen in de kern wel tegenstrijdig zijn.

Rationalisme, Montesquieu De Noorse schrijver Ludvig Holberg (1684 - 1754) maakte Denemarken en Noorwegen bekend met de gedachten van het rationalisme. Hij gebruikte ideeën van Charles Montesquieu (1689 - 1755) toen hij de verschillen tussen de Denen en de Noren als het gevolg van aardrijkskundige, klimatologische en historische omstandigheden beschreef. Hij gebruikte ook de opvatting van Montesquieu dat de natie één organisch geheel is.Andreas Elviken, "Die Entwicklung des norwegischen Nationalismus", Berlin, 1930 (= "Historische Studien", Heft 198)Harald und Edvard Beyer, "Norsk litteraturhistorie", Oslo, 1970

Hier tekent zich al de latere beklemtoning af van de individualiteit van de volkeren.

Rousseau Jean-Jacques Rousseau (1712 - 1778) was vanwege zijn kritiek op de beschaving belangrijk voor de vroege romantiek (de romantiek van de Verlichting). De individuele gevoelens en de natuur krijgen hier meer aandacht, eveneens de oorspronkelijkheid en de natuurlijke toestand - van het individu en van groepen. Dit is een voorwaarde voor de latere waardering van de Noorse boeren door de (stedelijke) romantici.

Quesnay François Quesnay (1694 - 1774) en de fysiocraten hadden de leer ontwikkeld dat de landbouw de grondpilaar van de economie is en dat de landbouw dus een bijzondere aandacht nodig heeft.

Natuurbeschrijvingen Een andere steun voor het nationale zelfbewustzijn van de beschaafde Noren was de opkomst van "wild-romantische" natuurbeschrijvingen zoals die van de Zwitserse schrijver Albrecht von Haller (1708 - 1777), die de "verhevenheid van de bergen" prees. Voor die tijd zou men een landschap als de Schotse Hooglanden eerder als ongeordend en levensvijandelijk hebben beschouwd.

Liefde voor de middeleeuwen Impulsen voor de Deens-Noorse vroege romantiek kwamen er ook uit Duitsland, bijvoorbeeld via Friedrich Gottlieb Klopstock, die van 1757 tot 1770 in Kopenhagen woonde en daar door Oudnoordse poëzie. Ook Britse schrijvers zoals James Macpherson (Ossian) en Thomas Percy (Relics of Ancient English Poetry) plaatsten de middeleeuwen in het middelpunt van de belangstelling.

In de tweede helft van de 18de eeuw herleeft ook in Scandinavië de belangstelling voor de Oudnoordse literatuur.Oscar J. Falnes, "National Romanticism in Norway", Diss., New York, 1933 Zie ook: Saga (literatuur), Edda, Skald (Noordse hofdichter)

Politieke en economische toestand voor 1814 Voor 1814 bevond Noorwegen zich in en personele unie met Denemarken. Zie ook Geschiedenis van Noorwegen. In de tijd vlak daarvoor leed de verhouding tussen Noorwegen en de regering in Kopenhagen eronder dat men in Noorwegen meende dat Noorwegen zou opkomen voor het geldgebrek van de andere rijksdelen (Denemarken, IJsland). Economisch ging het goed met Noorwegen. Een relatieve welvaart is algemeen een goede steun voor het nationale bewustzijn. Leden van de Noorse bovenlaag hadden bovendien de mogelijkheid in Groot-Brittannië de politieke toestand te onderzoeken en met de Deens-Noorse toestand de vergelijken. Daarbij sneed de Deense autocratie eerder slecht af. Zie ook Geschiedenis van Denemarken.

Die politieke gebeurtenissen op het vasteland hadden ook in Scandinavië gevolgen: de Franse Revolutie voerde voor ogen dat een volk het ook zonder koning kan redden en de nationale bewegingen tegen Napoleon Bonaparte kon men ook patriottisch en vrijheidslievend interpreteren.

De culturele situatie rond 1814 In 1814 werd Noorwegen losgemaakt van het Deense rijk en kwam in een personele unie met Zweden terecht. Zie ook Geschiedenis van Zweden. Nu was er weliswaar een Noorse staat maar geen Noors volk en geen Noorse taal. De Noorse dialecten speelden nog geen rol.

Het traditionele cultuurcentrum van Noorwegen was Kopenhagen maar dat lag na 1814 in het buitenland. In Noorwegen zelf waren er nauwelijks toonaangevende of traditierijke culturele instituties zoals een vorstenhof, een kanselarij, een nationaal theater of een academie. De Universiteit van Oslo, een oude eis van de Noorse patriotten, was pas in 1811 opgericht en had nog niet het gezag inzake taal zoals de Zweedse Academie of de Académie française.

Zoals in andere gedekolonialiseerde landen waren er twee culturen in Noorwegen: in de bovenlaag de Deens-beïnvloedde cultuur, in de onderlaag de min of meer oorspronkelijke inheemse cultuur.Sigurd Aa. Aarnes, "Nasjonen finner seg selv"; in: "Norges Kulturhistorie", Bd. 4, Oslo, 1980

De moeilijke economische situatie en de vrees voor een te grote Zweedse invloed op Noorwegen leidde tot een heel sterk patriottisme.

In het begin van de 19de eeuw kwam de romantiek uit Duitsland en Denemarken naar Noorwegen maar op het gebied van de letteren was het rustig omdat de bovenlaag van de Noorse bevolking met bedrijfszaken bezig was.

De jaren 30: Wergeland en Welhaven De jaren 30 van de 19de eeuw werden beheerst door de discussie tussen de twee jonge schrijvers Henrik Wergeland (1808 - 1845) en Johan Sebastian Welhaven (1807 - 1873). Hierbij ging het niet alleen om persoonlijke tegenstellingen maar ook om cultuur en politiek: zou Noorwegen zich niet alleen staatkundig maar ook cultureel losmaken van Denemarken (Wergeland) of zou Noorwegen zich ook voortaan laten leiden door Deense tradities (Welhaven)? Zou de Noorse staat zoals in de Deense tijd bestuurd worden door de ambtenarij (Welhaven) of zouden de Noorse vrije boeren (een groot gedeelte van de bevolking) meer politieke invloed krijgen (Wergeland)? In deze discussie gebruikten beide groepen de literatuur als wapen. Hierbij ging het om de grondvesten en om de toekomst van Noorwegen.

Nation Building Wergeland maakte zich sterk voor het vieren van de Dag van de Grondwet (17 mei), die later de Noorse nationale feestdag werd.

Het is niet duidelijk in hoe verre Wergeland romanticus was. maar hij was wel nationalist. Daarom was hij de aangewezen man voor de rol van de "nationale skald", terwijl de Deens-vriendelijke en weinig nationalistische Welhaven daar veel minder voor in aanmerking kwam. Volgens de romantici was de nationale skald de dichter, die door middel van zijn genie met zijn hart het volk verstond en een spreekbuis voor de volksgeest kon zijn. De nationale skald was dan ook een soort nationaal symbool. De Noorse wetenschapper Sigurd Aa. Aarnes maakt erop attent dat het in jonge staten vaak tot "nation building" komt. "Nation building" (oftewel "het opbouwen van een natie") betekent dat een elite onder de bevolking het gevoel van nationale saamhorigheid verbreidt. Daarbij kunnen vlaggen, nationale feestdagen, nationale helden enz. worden gebruikt. Aarnes noemt de "Wergeland-verering" een natie-bouwende factor. De natie-bouwende groep kan tegenover het buitenland de nationale dichter als bewijs gebruiken voor het feit dat zich hier, in de dichter, de ziel van een eigen natie spreekt, en dat deze natie cultureel en politiek op eigen benen kan staan.Johan Wrede, "Nationalskaldens roll. Runeberg och den sociala beställningen"; in: "Nordische Romantik", Akten der XVII. Studienkonferenz der IASS 1988, Hrsg. Oskar Bandle u.a., Basel, Frankfurt, 1991Sigurd Aa. Aarnes, "'Nation building' - et nyttig begrep i studiet av nordisk nasjonalromantikk"; in: "Nordische Romantik", Akten der XVII. Studienkonferenz der IASS 1988, Hrsg. Oskar Bandle u.a., Basel, Frankfurt, 1991

De Nationale Doorbraak en de nationale romantiek In de jaren 30 en 40 van de 19de eeuw was het rustig in de Noorse politiek. De studie van de cultuur van het platteland kon worden uitgebreid. Ongeveer in die tijd veranderde het nationale bewustzijn: de generatie die 1814 (bij het onafhankelijk worden van Denemarken) volwassen was, bijvoorbeeld Wergeland, - die generatie droeg een politiek patriottisme dat vooral onder de invloed was van de Verlichting en de Franse Revolutie. De generatie die de jaren 40 en 50 kenmerkten droegen een cultureel patriottisme dat vooral onder de invloed was van Herder en de gebroeders Grimm. De generatie van de jaren 40 en 50 waren de nationale romantici. Ze beschouwden de natie niet als een doelgerichte en nuttige gemeenschap van vrije individuen, maar (een beetje mystisch) als een organisme met een gemeenschappelijke ziel. Deze ziel was de volksziel of volksgeest, en die zou in alle "echte" cultuuruitingen van een volk zijn sporen achterlaten.

De Nationale Doorbraak (Noors: det nasjonale gjennombrudd) was de ontdekking van de nationale plattelandscultuur van Noorwegen. Het was ook de overgang van de ene naar de andere van de twee bovengenoemde generaties, en de verandering in de aard van het patriottisme als gevolg van die overgang. De Nationale Doorbraak uitte zich niet alleen in de letteren maar ook in geschiedschrijving, filologie, folkloristiek en beeldende kunsten.

De geschiedschrijving 1825 werd in Kopenhagen volgens Duits voorbeeld het Nordisk Oldskriftsselskab ("Noordse maatschappij voor oude texten") opgericht. Deze vereniging gaf kort daarna enkele saga-texten uit. In Noorwegen beschouwde men dit als een Deense poging "Oudnoors" cultureel erfgoed in bezit te nemen en richtte een concurrerende organisatie op, die de Samlinger til det norske Folks Sprog og Historie ("Verzamelingen over taal en geschiedenis van het Noorse volk") uitgaf.

De Noorse nationalisten beweerden dat de Oudnoordse (dit wil zeggen Oudscandinavische) literatuur geen gemeenschappelijk Scandinavisch eigendom is maar uitsluitend Oudnoors is. De Oudijslandse literatuur zou (volgens hen) tot de Oudnoorse cultuur behoren. Ouddeens en Oudzweeds zouden weliswaar verwant zijn aan het Oudnoords maar daarvan duidelijk te onderscheiden.

Later ontstond de Noorse Historische School rond Rudolf Keyser (1803 - 1864) en Peter Andreas Munch (1810 - 1863). Deze groep zorgde ongeveer 30 jaar lang voor nationalistisch getinte discussies. Uit deze groep stamde de theorie dat de Noord-Germanen vanuit het Noorden naar Scandinavië waren gekomen en niet via Denemarken. Dit betekende volgens de Noorse Historische School dat het oude cultuurcentrum niet in Denemarken maar in Noorwegen zou hebben gelegen. Bovendien zouden de Denen zijn voortgekomen uit en vermenging van Noord- en Zuid-Germanen.

Sinds 1851 werkte Munch aan het boek Det Norske Folks Historie ("De geschiedenis van het Noorse volk"). Dit boek had 6600 pagina's en alleen de omvang kon ook de oppervlakkige lezer duidelijk maken dat Noorwegen al voor de Deens-Noorse personele unie een aanzienlijke geschiedenis had.

De Noorse Historische School was romantisch en nationalistisch en steunde het zelfbewustzijn van de Noorse natie in de nieuwe staat. Aan de tijd van de Deens-Noorse personele unie heeft hij maar weinig aandacht besteed. De Deense tijd werd pas in de jaren 60 van de 19de eeuw onderzocht, door post-romantische historici zoals J.E. Sars. De Noorse Historische School wilde de Noren in hun nieuwe staat hun groots verleden laten zien. Hij wilde de oude geschiedenis en de nieuwe staat samenbrengen.

Volkssprookjes thumb|Norske folke- og huldreeventyr, een invloedrijke collectie Noorse sprookjes verzameld door Jørgen Moe en Peter C. Asbjørnson De nationale romantici legden de klem op het verband tussen de plattelandscultuur en de tijd voor de personele unie met Denemarken.