Het Ashram College is een katholieke Nederlandse school voor voortgezet onderwijs. De school heeft twee vestigingen, een in Alphen aan den Rijn en een in Nieuwkoop.
Historie Historie in vogelvlucht De school werd in 1929 opgericht onder de naam H. Bonifacius-ulo. In 1971 werd de school uitgebreid met een afdeling havo. De toen ontstane scholengemeenschap kreeg op 1 augustus 1972 de naam Ashram College. In 1973 kreeg de school opnieuw een uitbreiding met een atheneumafdeling en in 1976 met een lagere technische school (lts).
In 1994 fuseerde het Ashram College met de in Nieuwkoop gelegen school voor vbo en mavo De Nieuwe Cope. In 1997 werd de lyceumstatus verkregen door toevoeging van een afdeling voor gymnasium. In het schooljaar 2015/2016 werd een entreprenasium toegevoegd.
Op 1 januari 2021 kwam het Ashram College met het SCOPE Scholengroep onder één bestuur van het SCOPE Scholengroep.
De roemruchtige jaren zeventig (1972-1981) Op 1 augustus 1972 kreeg de nieuwgevormde scholengemeenschap onder leiding van Wim Chamuleau de naam Ashram College, die de weg van het middenschool-experiment zou volgen.
De Ashram-gedachte In de vroege jaren zeventig was sterke behoefte boven de verdeeldheid binnen de katholieke kerk uit te stijgen. Men wilde een humane, rechtvaardige en ook duurzame school, een school die de letterlijke betekenis van het katholicisme, 'alles-omvattend', serieus nam.
Chamuleau zette in die geest in nota's de ideeën uiteen over wat een schoolgemeenschap was, identiteit, democratische besluitvorming, catechese, pastoraat en schoolopbouw. miniatuur|Het logo van het Ashram College in de 1970er jaren, gebaseerd op het wapen van Alphen aan den Rijn. Hij beschreef ook wat een school niet moest zijn, want "een gelijkgeschakeld, middelmatig gedrags- en leefpatroon dat nergens betrokken bij is, waarin niemand zich prijs durft te geven, waarin dieperliggende vragen vermeden of onderdrukt worden, is vervreemdend en dodelijk".Smit (2008), p.47
Als naam voor de nieuwe schoolgemeenschap werd voor het 'Ashram College' gekozen. Het was een bewuste keuze voor een naam uit een andere cultuur, geïnspireerd op de ashram, een Indische kloostergemeenschap die zich toelegt op studie, meditatie en handenarbeid en die bovendien een toevluchtsoord was voor misdeelden, reizigers en vreemdelingen. Ashrams zijn leefgemeenschappen waar iedereen ongeacht leeftijd, geloof, huidskleur, politieke overtuiging of maatschappelijke positie opgenomen kan worden.
Dit gedachtegoed, dat later de "Ashram-gedachte" genoemd zou worden, vormde de richtlijn van de school voor vele jaren. Met deze gedachte werd vanaf het begin op het model van de middenschool gemikt, wat toen een nieuwe vorm van onderwijs voor twaalf tot zestienjarigen was. Deze progressieve aanpak werd gedragen door het leeuwendeel van staf, leerlingen en ouders die met ongekend enthousiasme en inzet bijdroegen aan het ontwerp en bouw van hun school.
Toch zou deze progressieve benadering niet door iedereen in dank afgenomen worden. Het Ashram College nam een uitzonderingspositie in door als katholieke schoolgemeenschap open te staan voor iedereen. Het conservatieve deel van de rooms-katholieke gemeenschap meende dat hun principes te grabbelen gegooid werd. Het zou in de loop van de jaren dan ook tot de nodige conflicten leiden tussen de behoudende en progressieve fracties in deze schoolgemeenschap.
Bouw en bloei van het Ashram college (1972-1978) Er werd een jonge vlotte en moderne school gebouwd.Harry van Casteren sloot zich de volgende zomer aan en ontpopte zich als een toewijde conrector. Er moest ruimte geschapen worden voor de nieuwgevormde schoolgemeenschap, waar in 1972 tevens het Atheneum aan werd toegevoegd. In de geest van de Ashram-gedachte mochten de leerlingen meepraten over het ontwerp van het nieuwe complex, getekend door de Haagse architect Rudi Bleeker.
Vanaf 1975 was de tuinarchitect Louis Le Roy betrokken met de aanleg van een ecologische tuin,Deze ecologische tuin wordt besproken in (1983), Grün in der Stadt : von oben, von selbst, für alle, von allen waarover hij voor die tijd visionaire ideeën had. Hij adviseerde de scholieren, die vrijwillig bezig waren deze tuin aan te leggen en bij te houden. De toewijding van de jeugd was een lichtend voorbeeld van hoe een wilde tuin als speel- en werkplaats voor de mensen kon worden zonder hindernissen van schoonheidscommissies en andere soortgelijke instellingen.
De tuin, gekenmerkt door de organisch gevormde stenen muurtjes, werd in de beginjaren van het college een symbool van de school "waar alles altijd een beetje anders was." Het zou ook typisch blijken te zijn voor de stijl van de experimentele benadering in de jaren zeventig. De tuin en muurtjes zijn in de jaren tachtig en daarna geleidelijk verdwenen naarmate de school uitgebreid moest worden. Van dit destijds uitgebreide netwerk met planten overwoekerde golvende tuinmuurtjes en ingemetselde zithoeken resteren anno 2021 slechts kleine delen op patio's en aan de straatzijde.
Beeldhouwer Evert Strobos heeft in 1979 op de binnenplaats van het college een kunstwerk van "klets-schelpen" gemaakt, dat de scholieren daarna zelf af moesten maken.
Het college was nadrukkelijk een levensbeschouwelijk-open schoolgemeenschap waarin veel tijd en aandacht besteed werd aan onderwijsvernieuwende processen, zoals project-, integratie-, differentiatie- en niveau-onderwijs. Het mentoraat, persoonlijke begeleiding van de scholieren, was een concept dat toen uniek was voor het Ashram College en anno 2021 gemeengoed geworden is.
In 1975 werd aan de mavo, havo en Atheneum de lts toegevoegd. Het Ashram College groeide zodoende gestadig en succesvol uit tot een grote gemeenschap dat tegen het einde van de jaren zeventig jaarlijks rond de 1400 scholieren huisvestte, dat niks met een 'leerfabriek' van doen had en alles met een moderne school voor persoonlijke ontwikkeling.
Het college had een traditie opgebouwd met een sterk doorgevoerde democratische opzet. Meningen, ideeën en discussies werden gewaardeerd. Er werd naar elkander geluisterd, ongeacht of men scholier, leraar of van de leiding was. De plenaire vergadering, waarin de leerlingenraad, docenten en directie bij elkander kwamen om actuele zaken te bespreken en op te lossen was een gekoesterd element van deze doorgevoerde democratie. De unieke aanpak en enorme groei maakte van deze school een belangrijk kandidaat voor het middenschool-experiment.
Het open karakter en democratische opzet zou echter ook belangrijke oorzaak zijn van "het conflict" dat in 1978 begon.
Het conflict (1978-1979) De gedrevenheid en het progressieve karakter van het succesvolle college leidde al die jaren tot wrijving met het conservatieve schoolbestuur. Hoewel de verschillen van inzicht er reeds in september 1978 toe leidde dat een externe begeleidingscommissie werd ingesteld om de problemen op te lossen, bereikte "het conflict", zoals het door betrokkenen genoemd werd,Smit (2008): 48 in 1979 een kookpunt.
Om de eensgezindheid van zijn staf te waarborgen in de strijd met het bestuur werd van de nieuw te werven docenten vanaf 1979 nadrukkelijk verwacht dat zij zich zouden bezighouden met onderwijsvernieuwing en -ontwikkeling in de richting van de middenschool. Hiertoe behoorde ook het zich eigen maken van op het Ashram ver doorgevoerde democratiserende processen, die zich mede manifesteerden door de zogenaamde "plenaire vergaderingen". In deze vergaderingen kwamen de directie, staf (onderwijzend en niet onderwijzend personeel) en de leerlingenraad (vertegenwoordigers van de leerlingen) bijeen om gezamenlijk oplossingen te vinden voor actuele zaken.
Het schoolbestuur vreesde mede door de zover doorgevoerde democratisering voor het verlies van de katholieke identiteit van het college. Het bestuur was van mening dat de directie alleen aan hen verantwoording van haar werkzaamheden heeft af te leggen en niet aan docenten en leerlingen. Het voelde zich gesteund door de enkele ouders en lagere schoolhoofden die het niet eens waren met de onderwijsfilosofie op het college en daarover anoniem bij het bestuur en de onderwijsinspectie aan de bel trokken. De ouders zouden thuis de verkondiging niet herkennen uit wat de kinderen op school leerden en thuisbrachten.Hier echode de woorden van Simonis over het catechese een kleine tien jaar terug op het Concilie. (bron)
Het bestuur dreigde daarom met disciplinaire maatregelen toen de directie toch doorging met deze werkwijze. Met uitzondering van Chamuleau en Van Casteren die op grond van hun ideeën over een zo groot mogelijke democratisering binnen het college ervan overtuigd waren dat zij wel verantwoording schuldig waren aan de plenaire vergadering, bezweek de directie onder deze dreiging.
Om het inmiddels slepende conflict tussen bestuur en schoolleiding op te lossen werden externe organisatiedeskundigen ingeschakeld. Deze externe begeleidingscommissie (EBC) kwam tot de conclusie dat het dreigen met disciplinaire maatregelen door het bestuur moest ophouden en dat er een overgangsbestuur ("overgangs-bevoegd orgaan") moest komen, bestaande uit drie ouders, drie bestuursleden, drie leden van de voltallige vergadering en een onafhankelijke voorzitter.
Conform het toen voor Ashram unieke schoolbeleid, maar tegen het bevel van het schoolbestuur in, gaven de rectoren op de plenaire vergadering openheid van zaken betreffende het conflict.
De bom barstte toen in reactie daarop het bestuur eind oktober 1979 het advies van het EBC in de wind sloeg door de rectoren de wacht aan te zeggen: Chamuleau werd voorwaardelijk ontslagen en Van Casteren voorwaardelijk geschorst. Toen de leerlingenraad de gemeenschap van het Ashram College hierover geïnformeerd had, werd nog eens duidelijk hoezeer het project dat Chamuleau en zijn staf sinds dag één aan het uitvoeren waren door de gemeenschap gedragen werd: een overgrote meerderheid van ouders, leerlingen en leraren van het college kwamen in verzet tegen het beleid van het schoolbestuur. Zelfs oud-leerlingen protesteerden. Het besluit van het schoolbestuur was des te onbegrijpelijker omdat er openingen waren voor een gesprek. Met deze actie had het bestuur de Ashram-gedachte - de ver doorgevoerde democratie; openheid en wederzijds respect tussen alle partijen - met de voeten betreden.
Door het conflict begonnen de ouders zich zorgen te maken over de voortgang van het middenschool-project die in de zomer van 1980 van start moest gaan. Zij vermoedden dat het bestuur via allerlei kanalen het democratiseringsproces een halt probeerde toe te roepen, hetgeen ten koste van de ontwikkeling van de school zou zijn. Ze eisten dan ook dat de ontslagen ingetrokken zouden worden en een overgangsbestuur conform het advies van het EBC ingesteld zou worden om de zaken tot een oplossing te brengen. Het schoolbestuur ging uiteindelijk akkoord met het idee van het overgangsbestuur, maar hield vast aan hun disciplinaire maatregelen. Dit betekende een impasse, want de leraren hielden voet bij stuk dat de opheffing daarvan van essentieel belang was.