Anton Franciscus Pieck (Den Helder, 19 april 1895 – Overveen, 24 november 1987) was een Nederlands kunstschilder, tekenaar, etser en graficus. Anton Pieck is vooral bekend geworden om zijn romantische tekeningen met levendige taferelen uit een geïdealiseerd nostalgisch verleden en om zijn sprookjesbos in de Efteling.

Als boekillustrator kon Pieck zich meten met de grote Engelse voorbeelden uit de 20e eeuw en drukte hij een belangrijk stempel op het beeld van de wereldliteratuur in Nederlandse vertaling. Piecks werk was ook populair op geboorte- en kerstkaarten, en nog steeds verschijnen elk jaar meerdere Pieck-kalenders. Sinds 1984 staat in Hattem het Anton Pieck Museum.

miniatuur|Anton Pieck en Prinses Margriet bij de opening van het Anton Pieckmuseum.

Levensloop Jeugd en opleiding (1895-1912) Anton Franciscus Pieck werd op 19 april 1895 geboren in Den Helder als helft van een tweeling. Zijn ouders waren Henri Christian Pieck (1861-1922), machinist bij de marine, en Petronella Pieck-Neyts (1855-1944).Vogelesang (1992), 8 Zijn broer was Henri Christiaan, die eveneens kunstschilder werd. Nog voor hij naar school ging was Anton aan het tekenen. Toen hij drie was en een keer voor het raam stond te huilen vroeg zijn moeder wat er aan de hand was: 'Ik kan de regen niet tekenen!'Van Eysselstein en Vogelesang (1981), 38 Op zesjarige leeftijd kregen beide broers tekenles van J.B. Mulders, die een avondschool had waar de broers naast de lagere school heen gingen. Hij merkte de begaafdheid van de tweeling op en leerde ze de grondbeginselen van perspectief en proportie. Op zondag ging het gezin regelmatig met de boot via Schoorldam naar Alkmaar, waar hij 'voor het eerst oude huizen [heeft] leren kennen.'

In 1906 maakte de elfjarige Anton zijn eerste bewaard gebleven 'ijsvermaakje', een schaatstafereel met op de achtergrond een huis waarvoor een man staat en twee kinderen uit het raam kijken: vader en de broers Pieck. De voorstelling toont een bevroren stadsgracht, ingesloten door precies getekende huizen, met op het ijs een gekrioel van kinderen in allerlei fasen van schaatsenrijden en leren schaatsen. 'Reeds hier,' aldus Pieckbiografen Van Eysselsteijn en Vogelesang, 'hebben de figuurtjes op het ijs het ongewild koddige van kleine insecten, die doodserieus bezig zijn, met plezier, doch ook met diepe ernst.' En hoewel Anton te jong was om het werk van Bruegel te kennen 'is een zekere verwantschap met de Brueghelse massa hier reeds embryonaal aanwezig'.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 47 Hetzelfde jaar won Anton de eerste prijs van een huisvlijtwedstrijd met een aquarel waarop een stilleven met een bruin potje op een oude stoof te zien is. De prijs bestond uit vijf tubes verf en een fixeerspuit. 'Ik was er geweldig trots op en geweldig gelukkig mee,' aldus Anton later, want hij had een prestatie geleverd die erkenning ondervond.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 49

In 1906 ging de vader van de tweeling als onderofficier/machinist bij de marine met pensioen en verhuisde het gezin naar Den Haag, de geboorteplaats van vader Pieck, en later, in 1914, naar de Weimarstraat 266. Hier volgden de broers na school van zeven tot tien uur 's avonds de tekencursus van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Later deden ze de gedegen opleiding van het tekeninstituut Bik en Vaandrager en behaalden daar de onderwijsakten A en B. Pieck-biograaf Hans Vogelesang omschrijft het curriculum van de opleiding als volgt:

Op veertienjarige leeftijd behaalden beide Piecks hun L.O. akte tekenen en drie jaar later de M.O. akte. Anton begon met lesgeven aan het instituut waar hij leerling was geweest, waarvoor hij zich ook in de kunstgeschiedenis moest verdiepen. Henri werd als de kunstenaar van de twee beschouwd en mocht de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam gaan volgen. Pieck heeft nooit geheel verwerkt dat hij zo bij zijn broer werd achtergesteld.

Van tweeling naar eenling (1912-1915) Tot hun zeventiende was de tweeling onafscheidelijk, daarna begonnen de verschillen in hun persoonlijkheid zich te ontwikkelen. Henri was speelser, impulsiever en nam het leven wat makkelijker op, een vlotte charmeur in de omgang en in zijn werk. De serieuze kant van het leven probeerde hij te vermijden. Anton daarentegen was ernstiger, hardnekkiger en ontwikkelde zich geleidelijker. Hij besteedde veel tijd aan het onder de knie krijgen van techniek en vormgeving. Hun omgeving zag in Henri meer de artiest en in Anton eerder een tekenleraar. Henri, uiterst getalenteerd, ging alles zo gemakkelijk af dat oppervlakkigheid op de loer lag.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 49-50

Anton zag bij zijn ouders wat een gebrek aan financiële zekerheid voor zorgen veroorzaakte. Hij besefte dat alleen hijzelf voor zijn eigen bestaanszekerheid kon zorgen: 'Als ik me niet vóór alles financieel onafhankelijk maak, zal ik op de lange duur niets kunnen bereiken.' Het streven daarnaar gaf hem de gedrevenheid en het doorzettingsvermogen om zich zwijgzaam aan zijn werk te wijden. Omdat hij alles zwaar opnam en Henri juist te licht, groeide de tweeling uit elkaar.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 50-51, citaat op 53.

Op het instituut waar hij lesgaf leerde Anton de kunstschilder en etser Herman Heuff kennen, in wiens atelier een kleine pers stond. Daarop drukte Anton zijn eerste ets. Een andere vriend werd Henri Daalhoff, die zich op landschappen en interieurs toelegde.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 54

Dienstplicht (1915-1917) Van 1915 tot 1917 vervulde Anton zijn dienstplicht, waarvoor hij in 1916 vier maanden in de kazerne aan de Leusderweg te Amersfoort gelegerd was. Overdag exerceerde hij of vervulde hij velddienst, in de avond mocht hij de stad in. In dat jaar maakte hij veertien prenten; op zijn strozak gezeten bewerkte hij zijn koperplaat.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 58 Te Amersfoort etste hij het klooster, gevels, een winkeltje en andere onderdelen van het straatbeeld. Zijn productie uit 1916 en 1917 telt meer dan veertig etsen.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 61 Amersfoort maakte blijvend indruk: het laatste schilderij uit zijn leven stelt De Teut voor, een niet meer bestaande Amersfoortse wijk.

Na zijn bevordering tot sergeant werd Anton overgeplaatst naar Den Haag en toegevoegd aan de instelling 'Ontwikkeling en Ontspanning', waarvoor hij tekenles gaf aan andere dienstplichtigen. De nieuwe positie verschafte hem meer vrijheid: hij overnachtte thuis in de Weimarstraat en kleedde zich buiten diensttijd in burger. Ook kon hij in zijn vrije tijd militair reizen naar stadjes die zijn belangstelling hadden, zoals Zaltbommel. Hoewel Anton en zijn dienstgenoten beseften dat er oorlog was, 'toch ging het min of meer langs ons heen, zoals al dat ontstellende langs de grenzen van ons land was heengegaan'.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 60 In 1917 maakte hij de grote ets van de Cuneratoren te Rhenen. In totaal maakte hij dat jaar meer dan twintig etsen, die laten zien dat hij zijn definitieve stijl begon te vinden.

De overplaatsing naar Den Haag betekende ook dat de banden met oude vrienden werden aangehaald. Volgens Anne Hallema, die in 1930 een boek over Piecks werk publiceerde, oefende met name Daalhoff grote invloed uit op Piecks ontwikkeling. Hij herkende veel van zijn eigen karakter in 'de fijne kunstenaarsnatuur van de ervaren sprookjesschilder, wiens werk hij diep bewondert'. Daalhoff kon enthousiast vertellen over de schoonheid van de kunst van andere tijden en vreemde volkeren. Deze gesprekken gaven 'een andere richting aan Antons gevoelsleven. Hij wordt er door opgenomen in een kleurrijk verbeeldingsleven, waarin hij zich veilig thuis gevoelt'.Hallema geciteerd bij Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 67

In 1917 leerde Pieck zijn toekomstige echtgenote Jo van Poelvoorde kennen. Zij was een zus van Hendrik van Poelvoorde, een van de militairen met wie Anton bevriend was geraakt vanwege een gemeenschappelijke belangstelling voor tekenen. Hendrik kwam geregeld op Piecks atelier en waardeerde zowel zijn werk als hun conversatie. Zijn zus was lerares aan de Koninklijke Nederlandse Weefschool, die gesloten werd toen de oorlog de aanvoer van grondstoffen vanuit Zweden onmogelijk maakte. Hoewel Jo ander werk vond, miste ze de omgang met creatieve mensen, waarop haar broer haar eens meenam naar Piecks atelier: 'Het is er gezellig en je zult eens zien hoe prettig je het er zult vinden.' Ze vond de lange Pieck vriendelijk, maar ook zwijgzaam en af en toe afwezig. Gaandeweg werd de introverte Pieck spraakzamer en vertrouwelijker.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 64

Vriendschap met Felix Timmermans en eerste boekillustratie (1918-1920) In de oorlog, in 1916, verscheen de roman Pallieter van de auteur Felix Timmermans uit het Belgische Lier. De Vlaamse sfeer en de Bruegheliaanse taferelen wekten het enthousiasme van Anton op en die zou aan een map met op de roman gebaseerde tekeningen zijn begonnen, ware het niet dat hij Vlaanderen nog nooit zelf gezien had. In deze tijd nam de kunsthandelaar Cox contact met Pieck op: Timmermans was bij hem op bezoek en had assistentie nodig bij het afdrukken van een etsje. Tussen Pieck en Timmermans ontstond een hechte, jarenlange vriendschap. Van Timmermans ging een stimulans uit die Pieck ertoe aanzette groter etswerk te ondernemen, waarvoor hij een grotere pers kocht.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 68-69

Op Timmermans' initiatief vroeg uitgever Van Kampen Pieck de tiende druk van Pallieter te illustreren. Timmermans wijdde Pieck in in Vlaamse zaken door schetsen bij zijn brieven aan Pieck te voegen: klederdrachten, karren, huisgevels, een kapel met een madonnabeeld. De schetsen waren vaak antwoorden op vragen van Pieck, maar de illustraties verschillen te veel van de schetsen om te kunnen worden beschouwd als uitwerkingen daarvan.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 72

Pieck is vaak in België geweest; in Vlaanderen voelde hij zich thuis, hoewel het anders was dan in Noord-Holland. De overeenkomsten en verschillen tussen Noord en Zuid boeiden hem. Na de oorlog ging hij met zijn broer ook naar Duitsland en Oostenrijk op studiereis, onder meer naar Berlijn, Neurenberg en Wenen, waar Pieck het werk van Brueghel wilde aanschouwen.Van Eysselsteijn en Vogelesang (1981), 73-74, 77

Na hun huwelijk in 1922 verhuisden de Piecks naar Heemstede.Vogelesang (1992), 9-11

Tekenleraar (1920-1960) Van 1920 tot zijn pensionering in 1960 was Pieck tekenleraar aan het Kennemer Lyceum in Overveen. Deze betrekking bood hem financiële zekerheid en daarmee de vrijheid alleen de illustratieopdrachten aan te nemen die hem aanstonden. Een van zijn studenten was de Haarlemse arts en auteur Adolf Melchior.

Reis naar Marokko (1937) In 1937 verbleef Pieck zes weken in Marokko, waar hij tal van tekeningen maakte, onder meer van straten en steegjes in de historische binnensteden van plaatsen als Fes, Tanger en Marrakech.

Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Anton actief in het verzet. Hij gebruikte zijn talent als graficus om documenten en stempels te vervalsen. Ook verzorgde hij begrafenissen voor overleden onderduikers. In de hongerwinter ruilde hij schetsen voor vlees, aardappelen en groenten.

Pieck werd in 1961 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau en in 1977 bevorderd tot officier van deze orde.Pieck, Anton Franciscus, Index gedecoreerden, nr. 142.02.32 Inventaris van het archief van de Kanselarij der Nederlandse Orden, 1815-1994An., Nederlands Dagblad, 27 november 1987.

Werk