Dit is een lijst van woorden in het jargon dat wordt gebruikt binnen de spoorwegen. Het overzicht bevat alleen termen die typisch zijn voor de spoorwegen. Product- en merknamen zijn alleen opgenomen indien die in Nederland of België voorkomen.
A Aanzettrekkracht De maximale kracht waarmee een tractievoertuig kan trekken gedurende een korte tijd vanaf stilstand (normaal 2 minuten). ABC-raster Opschriften op goederenwagens waarmee aangegeven wordt hoeveel lading mee kan worden genomen bij een gegeven beladingsklasse. Adhesielok Een loc die de aandrijfkracht uitsluitend via de wielen op de rails brengt. Adhesiegewicht Het gewicht van een tractievoertuig gemeten op alle aandrijfwielen. Bij moderne draaistellocomotieven vrijwel altijd het totaalgewicht. Afbreken Bediende cabine van de trein zodanig maken dat men kan kopmaken en aan de andere kant van het treinstel gereed kan maken. Afremmer Rangeerder belast met de taak van het remmen van een voertuig in een trein. Kwam voor in de tijd dat er nog geen doorgaand werkende remmen bestonden. Afspaninrichting Een installatie in de bovenleiding die een horizontale trekkracht uitoefent op de rijdraad om deze horizontaal te houden bij alle temperaturen. Afvallen Sein dat door een storing terug gaat in de stand stop (Rood) Afstoten Het duwen van een voertuig dat niet is gekoppeld. De locomotief stopt indien de snelheid van het voertuig voldoende is. Het voertuig rijdt dan alleen verder en wordt tot stilstand gebracht door een remschoen, een handrem bediend door een rangeerder op het voertuig of door tegen een stilstaand voertuig te rijden. Aftrappen Splitsen van twee treinstellen. Asindeling of asopstelling De configuratie van de assen van een loc waarin aangegeven welke assen zijn aangedreven, het aantal draaistellen en het aantal assen per draaistel. Aslast Het maximale gewicht op een as met twee wielen. ATB Automatische treinbeïnvloeding, systeem dat de snelheid van de trein bewaakt en bij overschrijding van de maximumsnelheid kan ingrijpen met een remming. Auto(slaap)trein Een trein bestaande uit een combinatie van rijtuigen en autotransportwagens voor het transport van de auto's van de reizigers. In Frankrijk alleen voor auto's zonder reizigers.
B Baanvaksnelheid De maximaal toegestane snelheid op een traject. Bagagerijtuig Een rijtuig bestemd voor vervoer van bagage, fietsen etc. Bak Een deel van een spoorvoertuig, namelijk het volledige voertuig zonder wielen en/of draaistellen. Wordt soms ook als aanduiding van een volledig spoorwegvoertuig gebruikt. Balkon Het gedeelte van een rijtuig waar toegang wordt verleend tot de buitendeuren. Ballastbed Een laag steenslag (of, in oudere constructies, grind) waarin de dwarsliggers worden gelegd. Barrijtuig Een rijtuig voorzien van een kleine keuken, bar of cafetaria. Beladingsklasse Indeling van baanvakken naar aslast en tonmetergewicht. Wordt ook gebruikt in het ABC-raster. BH De beschermkap van een Scharfenbergkoppeling. Zo genoemd door rangeerders vanwege de vorm van een kledingstuk. Biels Een houten dwarsligger waarop beide spoorstaven worden gemonteerd, eigenlijk het meervoud van biel (= Franse woord voor balk). Blok Een sectie in een spoorlijn die wordt begrensd en beveiligd door seinen. Boemel Een stoptrein die slechts enkele keren per dag rijdt. Bok Cabine van waaruit de machinist de trein bestuurt. Bovenbouw Het geheel van ballastbed, biels en spoorstaven. Bovenleiding Een systeem van draden boven het spoor waarop de voedende elektrische spanning staat. Breedspoor Spoor met een spoorwijdte van meer dan 1435 mm. Broodje Zie vrijbalk. BS Bovenkant van de spoorstaaf; wordt als referentie gebruikt bij hoogtemeting van materieel en infrastructuur. Buffer Verende constructie die de drukkrachten tussen gekoppelde rijtuigen/locs opvangt. Bufferbalgen De rubberen afdichting tussen twee gekoppelde rijtuigen. Bufferbalk Balk waarop de buffers, koppeling en luchtslangen zijn gemonteerd. Eventueel met locnummer. Bulktreinen Goederentreinen bestaande uit één type goederenwagon voor het vervoer van losgoed, bijvoorbeeld erts- en kolentreinen. Bult Plek waar het heuvelproces plaatsvindt
C Coach De stoelen in een rijtuig met middengang zijn zo geplaatst dat de reizigers allemaal dezelfde kant op kijken. Combineren Het koppelen van treinstellen. Compartiment Algemene uitdrukking voor een afgesloten ruimte binnen een rijtuig, kan bijvoorbeeld een coupé zijn. Conducteur De conducteur is in Nederland verantwoordelijk voor de trein; de taken zijn onder andere het sluiten van de deuren, geven van het vertreksein, service verlenen aan de reizigers en vervoerbewijzen controleren. Couchette Een coupé met zitplaatsen die voor de nacht worden omgeklapt tot ligbanken, minder luxueus dan een slaaprijtuig, dat van bedden is voorzien. Coupé Een afgesloten compartiment met zitplaatsen dat toegankelijk is via de zijgang.
D Derde rail Een rail in het midden of de zijkant van het spoor waarop de voedende elektrische spanning staat. Diensthalt Een stop van een trein waarbij de reizigers niet kunnen in-/uitstappen, bijvoorbeeld om een machinist te wisselen. Diensttrein Een trein voor het vervoer van spoorwegpersoneel. Diesellocomotief Een locomotief die in de eigen energiebehoefte kan voorzien door middel van dieselmotor(en). Doorgaand rijtuig Een rijtuig dat achtereenvolgens met verschillende treinen meerijdt, om zodoende een overstapvrije verbinding te bieden op trajecten waar te weinig passagiersaanbod is voor een complete trein. Doorloopkop Een koprijtuig waarvan de voorzijde voorzien is van een cabine en van een doorgang voor reizigers naar een eventueel gekoppeld rijtuig. Doorschietafstand De afstand die een trein aflegde nadat hij een rood sein passeerde. Doorschietweg of -lengte Een verlenging van de rijweg van een trein na een rood sein, zodat een trein die na een rood sein doorschiet geen gevaar veroorzaakt. Draagkabel De kabel van de bovenleiding die het systeem draagt en tevens voor elektrische geleiding zorgt. Draaischijf Een installatie waarmee binnen een zeer beperkte ruimte spoorwegmaterieel van spoor kan wisselen of kan worden gekeerd. Draaistel Een constructie waarin meerdere assen zijn ondergebracht en waarop het rijtuig/loc/wagen is opgelegd; het draaistel kan draaien ten opzichte van de wagenbak. Draisine Een draisine is een klein aangedreven railvoertuig, meestal te licht om voor het trekken van wagons benut te kunnen worden. Draisines worden gebruikt voor inspectieritten, om de spoorarbeiders naar de plaats van de spoorwerken te brengen en dergelijke. Het vervoermiddel werd uitgevonden door Karl von Drais. Drukdicht Speciale uitvoering voor met name hogesnelheidstreinen die moet voorkomen dat drukgolven, veroorzaakt door passerende treinen of tunnels, het interieur bereiken. Dubbel enkelspoor Een spoorlijn van twee sporen waarvan beide sporen geschikt zijn om in beide richtingen te gebruiken en beide sporen een volledige autonome enkelspoorbeveiliging hebben. Dubbeldekstrein Een dubbeldekstrein is een trein met boven elkaar liggende reizigerscompartimenten. Het voordeel van een dubbeldekstrein is dat meer reizigers kunnen worden vervoerd zonder dat daar extra spoorcapaciteit of perronlengte voor nodig is. Dubbeldekstreinen zijn hoger dan enkeldekstreinen. Bijna het hele omgrenzingsprofiel wordt benut. Dubbelloc Een loc die bestaat uit twee vast gekoppelde identieke locs. Dubbelspoor Een spoorlijn die bestaat uit twee sporen, elk spoor wordt meestal voor één verkeersrichting gebruikt. Dubbeltractie Een trein laten trekken door meerdere, meestal identieke locs, die bediend worden door middel van een stuurstroomkabel vanuit de voorste loc (zie ook Voorspan). Dwarsligger Ligger van hout, beton en/of staal waarop de spoorstaven worden gemonteerd. Dwergsein Een laag driehoekig sein geplaatst op de grond naast het spoor of door omstandigheden op het perron. Dubbeldeksaggloregiomaterieel Treinstel van de Nederlandse Spoorwegen
E Eilandperron Een perron dat aan beide zijden wordt omsloten door een spoor. Elektrische locomotief (E-loc) Een locomotief die in de energiebehoefte voorziet door middel van een externe stroomvoorziening vanaf de spoorbaan. Emplacement Gebied met opstelsporen. Engels wissel (Engelsman) Een kruising van twee sporen waarbij tevens van spoor kan worden gewisseld. Enkelspoor Een spoorlijn die bestaat uit een spoor waarover het vervoer in beide richtingen plaatsvindt. ERTMS European Rail Traffic Management System; Europese standaard voor verkeersbegeleidingsysteem. ES-las (Elektrische scheidingslas) Een verbinding tussen aansluitende spoorstaven die deze elektrisch van elkaar isoleert ETCS European Train Control System; automatische treinbeïnvloedingssysteem volgens Europese standaard. Euro balise Onderdeel van het ERTMS, grondbaken. Euroschuitje Een Europese standaarduitvoering van het sleepstuk van een pantograaf.
F Flens De opstaande rand aan de binnenrand van het treinwiel. Frietkraam De hoogspanningsruimte in de machinekamer van de locomotieven serie 1600 en 1700 Frontsein 1) Tijdens de rit: Drie brandende witte of gele lichten aan de voorzijde van een trein, genaamd" A-frontsein". 2) Bij het uitvoeren van rangeerwerkzaamheden: ten minste een brandend wit licht aan de voor- en achterzijde van het rangeerdeel.
G Gelede loc Een loc die bestaat uit twee delen rustend op drie draaistellen. Gemengde tractie Trein, meestal zware goederentrein, getrokken door twee verschillende locomotieven die niet in treinschakeling kunnen rijden. Gemengde trein Trein samengesteld uit personenrijtuigen en goederenwagens. Gemengde goederentrein Trein samengesteld uit verschillende soorten goederenwagons van/voor diverse verladers. Getrokken rijtuigen (ook wel getrokken mat) Een eenheid met als functie het bieden van plaatsen ten behoeve van reizigers, heeft geen eigen tractie en geen eigen energievoorziening. Getrokken trein Een samenstelling van (een) loc(s) en rijtuigen. Goederenwagen Een eenheid met als functie het bieden van vrachtruimte, heeft geen eigen tractie. Grondstation Trafohuis voor de stroomvoorziening van de bovenleiding.
H Halfje Een enkelvoudig wissel. Hangdraden – Hulpdraagkabels De verticale draden waarmee de rijdraad aan de draagkabel hangt. Halteren Het stoppen van een trein op een halte of station. Hc (uitgesproken als ha-see) Afkorting voor hoofdconducteur. Heuvelen Het rangeren van goederenwagens door ze zelfstandig van een heuvel te laten afrollen. Hoofdwerkplaats Een werkplaats voor groot onderhoud tot complete revisie van rollend materieel. Hybride locomotief Een locomotief met zowel een dieselmotor als de mogelijkheid gevoed te worden via een externe stroomvoorziening vanaf de spoorbaan.
I ICE InterCity Express: hogesnelheidstrein van de Duitse Spoorwegen. Incorrecte/Scheve kwartierdienst Een opeenvolging op een bepaald baanvak van vier treinen per uur die niet regelmatig verdeeld zijn over elke 15 minuten van het uur (00'/15'/30'/45'), maar in een ligging van bijvoorbeeld 00'/20'/30'/50' of 00'/07'/30'/37'. Inhaalspoor Een extra spoor waarop langzame treinen wachten om snellere treinen over het doorgaand spoor te laten passeren. Intercity Een trein die stopt op de stations van grote steden en niet of weinig op tussengelegen stations. Inwachten Het wachten van een trein totdat de spoorlijn beschikbaar/vrij is. Intercitymaterieel Treinstel van Nederlandse Spoorwegen
J Jacobsdraaistel Een samenstelling waarbij twee rijtuigen op een gezamenlijk draaistel rusten. Jojoën Het uit een spoortunnel gestrande goederen of reizigerstrein trekken door heen en weer te rijden om zo vaart te maken. Juk Zie Stootjuk.
K Kaapspoor Spoor met een spoorwijdte van 1067 mm. Kantelbaktrein Een systeem waarbij de carrosserie van de trein in de bochten tegenhangt om de centrifugale krachten te compenseren met als doel het halen van hogere snelheden. Keerspoor Een keerspoor is een kopspoor speciaal bestemd voor het keren van treinen, metro's of trams. Ketelwagen