Het Koninkrijk Kongo (Kikongo: Kongo Dya Ntotila, of Wene wa Kongo; Portugees: Reino do Congo) was een koninkrijk in Centraal-Afrika, gelegen in het huidige noordelijke Angola, westelijke Democratische Republiek Congo, zuidelijk Gabon en de Republiek Congo. Op zijn hoogtepunt strekte het zich uit van de Atlantische Oceaan in het westen tot de Kwangorivier in het oosten, en van de Kongorivier in het noorden tot de Kwanzarivier in het zuiden. Het koninkrijk omvatte verschillende kernprovincies onder leiding van een Mwene Kongo, wat "heer of heerser van het koninkrijk Kongo" betekent. De invloedssfeer reikte tot naburige koninkrijken zoals Ngoyo, Kakongo, Loango, Ndongo en Matamba, de laatste twee in het huidige Angola.

Rond 1390 tot 1862 was Kongo een zelfstandige staat. Na deze periode, van 1862 tot 1914, fungeerde het bij tussenpozen als een vazalstaat van het Koninkrijk Portugal. Toen in 1914 een opstand werd neergeslagen, schafte Portugal de titulaire monarchie van Kongo af. Vanaf 1915 tot 1975 kreeg de titel van Mwene Kongo een nieuwe, maar louter symbolische betekenis zonder echte macht. En uiteindelijk werden de resterende gebieden opgenomen in Portugees Angola en de Onafhankelijke Congostaat.

Vroege geschiedenis

Methodiek De mondelinge overlevering over de vroege geschiedenis van het Koninkrijk Kongo werd voor het eerst op schrift gesteld aan het eind van de 16e eeuw. Vooral in de 17e eeuw werden uitgebreidere versies vastgelegd, waaronder die van de Italiaanse Kapucijner missionaris Girolamo da Montesarchio.

De verhalen over de stichting van het koninkrijk veranderden in de loop van de tijd, beïnvloed door de historische context waarin ze werden verteld.

Moderne documentatie van deze mondelinge tradities begon in de jaren 1910, met figuren als Mpetelo Boka en Lievan Sakala Boku, die in het Kikongo schreven. Hun werk werd voortgezet door missionarissen van de Redemptoristenorde, zoals Jean Cuvelier en Joseph de Munck. In 1934 publiceerde Cuvelier een samenvatting van deze tradities in het Kikongo onder de titel Nkutama a mvila za makanda.

Hoewel Cuvelier en andere onderzoekers meenden dat deze tradities verwezen naar de vroegste periode van het Koninkrijk Kongo, lijkt het waarschijnlijker dat ze vooral betrekking hebben op lokale clanverhalen (makanda) en voornamelijk slaan op de periode na 1750.

Stichting van het Koninkrijk miniatuur|18e-eeuwse gravure van M'banza-Kongo Tegen de 13e eeuw waren er drie grote confederaties van staten in het westelijke deel van het Kongogebied. In het oosten bevonden zich de Zeven Koninkrijken van Kongo dia Nlaza, beschouwd als de oudste en machtigste confederatie. Deze omvatte waarschijnlijk Nsundi, Mbata, Mpangu, en mogelijk ook Kundi en Okanga. Ten zuiden daarvan lag Mpemba, een regio met verschillende koninkrijken zoals Mpemba Kasi en Vunda. Ten westen, aan de overzijde van de Kongorivier, bevond zich een confederatie van drie kleinere staten: Vungu (de leidende staat), Kakongo en Ngoyo.

Volgens de Kongo-traditie uit de 17e eeuw lag de oorsprong van het koninkrijk in Vungu, dat zijn invloed uitbreidde naar Mpemba Kasi, het noordelijkste gebied van Mpemba. De hoofdstad van Mpemba bevond zich zo’n 240 kilometer verder naar het zuiden. Een dynastie uit deze kleine staat bouwde haar macht uit langs de Kwiluvallei, ook wel bekend als Nsi a Kwilu. De elite van deze dynastie werd begraven nabij het centrum van deze regio. In tradities uit de 17e eeuw wordt verwezen naar deze heilige begraafplaats. De Italiaanse Kapucijner missionaris Girolamo da Montesarchio, die het gebied tussen 1650 en 1652 bezocht, meldde dat het zó heilig was dat het aanschouwen ervan dodelijk kon zijn. Vermoedelijk gaat het hier om de rotsachtige hooglanden van Lovo, waar uitgebreide rotstekeningen en grotkunst zijn gevonden die minstens teruggaan tot de 15e eeuw.

Rond 1375 sloot Nimi a Nzima, heerser van Mpemba Kasi en Vungu, een alliantie met Nsaku Lau, de koning van het naburige koninkrijk Mbata. Nimi a Nzima trouwde met Lukeni lua Nsanze, de dochter van Nsaku Lau. Deze alliantie bepaalde dat beide partijen elkaars dynastieën zouden steunen bij de troonopvolging. Mbata, ooit een provincie van de Zeven Koninkrijken van Kongo dia Nlaza, lag oostelijker, aan de huidige grens tussen Angola en de Democratische Republiek Congo. Mogelijk was Mbata de senior partner in de alliantie, aangezien de heerser er de titel Nkaka andi a Mwene Kongo droeg, oftewel “grootvader van de koning van Kongo”.

Uit het huwelijk van Nimi a Nzima en Lukeni lua Nsanze werd Lukeni lua Nimi geboren (ca. 1380–1420), de stichter van het Koninkrijk Kongo. In latere orale tradities wordt hij ook wel Nimi a Lukeni genoemd, een naam die door historicus Jean Cuvelier bekendheid kreeg. Lukeni lua Nimi begon met de uitbreiding van zijn invloed naar het zuiden, in gebieden die onder Mpemba vielen. Hij vestigde een nieuwe machtsbasis op de berg Mongo dia Kongo en smeedde strategische allianties: met de Mwene Mpangala, leider van een marktplaats die trouw was aan Mpemba, en met de Mwene Kabunga, wiens gebied westelijker lag en een belangrijk heiligdom bevatte. Twee eeuwen later hielden de afstammelingen van Mwene Kabunga nog steeds jaarlijks een ritueel waarmee zij symbolisch protesteerden tegen deze verovering.

Een nog belangrijkere alliantie sloot Lukeni lua Nimi met Vunda, een andere ondergeschikte staat binnen Mpemba. Om deze alliantie te verstevigen, gaf hij de heerser van Vunda een rol als elector van het koninkrijk — vergelijkbaar met de eerdere regeling met Mbata.

Na de dood van Nimi a Lukeni beriepen zijn opvolgers zich op hun verwantschap met zijn kanda, die bekend werd als het Huis Kilukeni. Deze Kanda regeerde zonder tegenstand over het koninkrijk tot 1567.

Kongolese expansie Volgens tradities uit de 16e eeuw hadden de voormalige koninkrijken in het gebied “vroeger elk hun eigen koning, maar zijn ze nu allen onderdanen en belastingplichtigen van de koning van Kongo.” In deze tradities wordt vermeld dat de gouverneurs van deze regio’s afkomstig waren uit de koninklijke familie of uit andere adellijke huizen. Deze gouverneurs werden door de koning benoemd voor een bepaalde termijn en hadden het recht om hun eigen cliënten aan te stellen in lagere bestuurlijke functies, tot op dorpsniveau, waar de lokale leiders vaak nog door de gemeenschap zelf werden gekozen.

Met de toenemende centralisatie verloor de oorspronkelijke invloed van de geallieerde provincies geleidelijk aan betekenis. Hun macht werd grotendeels symbolisch, zoals te zien was bij Mbata. Deze provincie, die ooit een volwaardig mede-koninkrijk was, werd rond 1620 nog slechts aangeduid met de ceremoniële titel Nkaka'ndi a Mwene Kongo, oftewel “grootvader van de koning van Kongo”.

De vroege expansiecampagnes van het koninkrijk Kongo brachten nieuwe bevolkingsgroepen onder centraal gezag en leverden veel krijgsgevangenen op. Vanaf de 14e eeuw, met een hoogtepunt in de 17e eeuw, werden deze gevangenen vaak met geweld herplaatst naar de koninklijke hoofdstad M'banza Kongo. Door deze gedwongen migraties ontstond er een grote bevolkingsconcentratie in en rondom de hoofdstad, wat een sleutelrol speelde in de verdere centralisatie van het koninkrijk. In een overwegend dunbevolkt gebied (waar de bevolkingsdichtheid buiten de stad waarschijnlijk niet meer dan 5 personen per km² bedroeg), groeide M'banza Kongo uit tot een dichtbevolkt centrum. Portugese reizigers in 1491 beschreven de stad als even groot als Évora in Portugal.

Tegen het einde van de 16e eeuw telde het koninkrijk naar schatting meer dan een half miljoen inwoners in een kerngebied van ongeveer 130.000 km². In de vroege 17e eeuw had M'banza Kongo samen met de omliggende regio een bevolking van ongeveer 100.000 mensen, bijna een zesde van de totale bevolking van het koninkrijk, dat toen rond de 780.000 inwoners telde (gebaseerd op doopregisters van een jezuïetenpriester uit 1623).

De concentratie van bevolking, economische activiteit en politieke macht in Mbanza Kongo versterkte de monarchie en maakte een centraal bestuur mogelijk. Oorlogskrijgsgevangenen werden tot slaaf gemaakt en geïntegreerd in de stedelijke samenleving, wat leidde tot een overschot aan arbeidskracht en voedselproductie. Tegelijk leverden de landelijke gebieden belastinggoederen die in de hoofdstad niet konden worden geproduceerd. Hierdoor ontstond een stedelijke adel die op zoek was naar hofposities en luxeproducten, wat op zijn beurt de economie aanwakkerde. Opzettelijk werd landelijke ontwikkeling afgeremd door het koninklijk beleid, om de dominante rol van de hoofdstad te behouden.

Deze strategische centralisatie maakte het mogelijk voor de koning om snel over middelen, soldaten en voedselvoorraden te beschikken. Daardoor werd zijn macht onovertroffen in vergelijking met andere elites binnen het rijk.

Kerstening van Kongo thumb|Gravure uit de 18e eeuw van de doop van Nzinga a Nkuwu. In 1483 bereikte de Portugese ontdekkingsreiziger Diogo Cão de kust van het Koninkrijk Kongo. Hij liet enkele van zijn mannen achter in Kongo en nam op zijn terugreis een aantal Kongolese edelen mee naar Portugal. Toen hij in 1485 terugkeerde, bracht hij deze edelen weer mee naar huis. Het meenemen van lokale leiders of hun zonen — hetzij vrijwillig, hetzij onder dwang — was destijds een gebruikelijke strategie van Europese machten om contacten met nieuwe regio’s te versterken en politieke invloed op te bouwen.

De toenmalige koning van Kongo, Nzinga a Nkuwu, besloot zich tot het christendom te bekeren. Hij stuurde een grotere diplomatieke missie naar Portugal onder leiding van Kala ka Mfusu, een edelman die eerder als gijzelaar naar Europa was gestuurd. Deze groep verbleef bijna vier jaar in Europa, waar zij Katholieke leerden volgden en onderwijs kregen in lezen en schrijven.

In 1491 keerde de missie samen met Diogo Cão terug naar Kongo, vergezeld door katholieke priesters en Portugese soldaten. Nzinga a Nkuwu en zijn belangrijkste hovelingen, te beginnen met de heerser van de kustprovincie Soyo, werden gedoopt. De koning nam de christelijke naam João I aan, ter ere van de Portugese koning João II.

João I regeerde tot zijn dood rond 1509. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Afonso Mvemba a Nzinga, die zijn macht moest veiligstellen tegen zijn halfbroer Mpanzu a Kitima. Volgens een brief die Afonso in 1506 aan de Portugese koning schreef, wist hij zijn rivaal te verslaan in een veldslag bij M'banza Kongo. De overwinning zou te danken zijn aan een hemelse verschijning van het kruis, Sint-Jacobus en de Maagd Maria. Geïnspireerd door deze gebeurtenis ontwierp Afonso een koninklijk wapenschild voor Kongo. Dit symbool werd tot 1860 gebruikt door zijn opvolgers op officiële documenten en koninklijke voorwerpen.

Terwijl João I later terugkeerde naar traditionele religieuze overtuigingen, vestigde Afonso I het Katholicisme als officiële staatsgodsdienst van het koninkrijk.

Heerschapij van Alfonso I

miniatuur|Koninklijk standaard van Afonso I

Bij zijn troonsbestijging in 1509 begon Afonso I met het opzetten van een levensvatbare versie van het Katholicisme in Kongo. Hij zorgde voor inkomsten door middel van koninklijke bezittingen en belastingen. Deze inkomsten werden gebruikt om salarissen voor de kerkmedewerkers te betalen. Met de hulp van Portugese adviseurs, zoals Rui d'Aguiar, de Portugese koninklijke kapelaan, ontwikkelde Afonso een syncretische versie van het Katholicisme. Deze versie zou een integraal onderdeel blijven van de cultuur in Kongo zolang het koninkrijk onafhankelijk was. Afonso zelf studeerde hard voor deze taak. Rui d'Aguiar zei ooit dat Afonso meer van de kerkelijke leer wist dan hijzelf.