Jens Otto Harry Jespersen (16 juli 1860 – 30 april 1943) was een Deense taalkundige. In het begin van zijn academische carrière stond hij voornamelijk bekend als foneticus. Ook is hij bekend geworden met zijn werken over de Engelse grammatica. Jespersen leverde daarnaast een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van kunsttalen: hij was betrokken bij het project Ido en ontwikkelde later zijn eigen internationale hulptaal, Novial.
Levensloop Otto Jespersen werd geboren op 16 juli 1860 in Randers, in de Deense regio Jutland. Zijn vader was rechter; zijn moeder was de dochter van een geestelijke die onder meer Hans Christian Andersen Latijn had onderwezen en een Deense grammatica had geschreven. Na het overlijden van zijn vader in 1870 verhuisde het gezin naar Hillerød (Hovedstaden). Drie jaar later overleed ook zijn moeder. Jespersen was toen dertien jaar oud.Haislund (1943) Hij verbleef vervolgens bij een oom met een grote belangstelling voor Romaanse literatuur, van wiens uitgebreide boekencollectie Jespersen gretig gebruik maakte.Jespersen (1933b), p. 2
Jespersen volgde secundair onderwijs in Frederiksborg, waar hij een klassieke talenopleiding genoot met een sterke focus op Latijn en Grieks. In zijn vrije tijd verdiepte hij zich in moderne talen als IJslands, Italiaans en Spaans, geïnspireerd door werk van de Deense taalkundige Rasmus Rask.
In september 1877 begon Jespersen, toen zeventien jaar oud, aan een rechtenstudie aan de Universiteit van Kopenhagen, in de voetsporen van zijn vader, grootvader en overgrootvader. Na vier jaar brak hij deze opleiding af om zich te richten op zijn passie: taal- en letterkunde. Om zijn studies te financieren, werkte hij als stenograaf in het Deense parlement. Hij raakte vertrouwd met het werk van prominente Deense taalkundigen zoals Vilhelm Thomsen, Karl Verner en Herman Möller. Aanvankelijk specialiseerde hij zich in de Romaanse talen, mede uit bewondering voor de idealen van de Franse Revolutie en de Verlichting. Engels en Latijn studeerde hij als bijvakken. Hij slaagde in 1887 voor het examen Frans, waarvoor hij als onderwerp Diderot had gekozen.Hjelmslev (1943), p. 120
In het academiejaar 1887-1888 verbleef Jespersen in het buitenland, onder meer in Engeland, Duitsland en Frankrijk. Tijdens deze reizen kwam hij in contact met invloedrijke fonetici als Paul Passy en Henry Sweet. Op 12 mei 1891 verdedigde hij zijn doctoraatsverhandeling over het Engelse naamvallensysteem Studier over engelske kasus, med en indledning om fremskridt i sproget (Nederlands: Studie over Engelse naamvallen, met een inleiding over taalevolutie). Na zijn promotie gaf hij enkele jaren les als privaatdocent in Oudengels en in het werk van Geoffrey Chaucer. Op aanbeveling van Vilhelm Thomsen bereidde hij zich voor op de leerstoel Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Kopenhagen, die in 1893 vrijkwam na het emeritaat van George Stephens.Hjelmslev (1943), pp. 122-123 Jespersen werd op 1 mei 1893 benoemd tot hoogleraar Engelse taal- en letterkunde aan deze universiteit.
Als hoogleraar introduceerde hij vernieuwende onderwijsmethoden, met nadruk op fonetiek, vergelijkende taalkunde en historische grammatica. Jespersen was decaan van de faculteit Letteren van de Universiteit van Kopenhagen van november 1904 tot november 1906. In het academiejaar 1920-1921 was hij rector van dezelfde universiteit. Jespersen bleef actief als hoogleraar tot aan zijn emeritaat in 1925, toen hij plaats wilde maken voor de nieuwe generatie.Jespersen (1933b), p. 11
Op 13 april 1897 trad Jespersen in het huwelijk met Ane Marie Djorup. Het echtpaar woonde aanvankelijk in Kopenhagen en verhuisde in 1901 naar Jægersborg. In 1934 vestigden zij zich in Lundehave, in een woning die Jespersen had gekregen van een mecenas verbonden aan de Royal Danish Academy of Sciences and Letters.Nielsen (1989b), p. 20
Hij overleed op 30 april 1943 na enkele maanden van ziekte. Hij werd 82 jaar oud.Hjelmslev (1943), p. 119
Ideeën en theorieën uit zijn werken
Fonetiek Aan het begin van zijn academische carrière richtte Jespersen zich op de fonetiek. Zijn belangstelling voor dit vakgebied werd aangewakkerd door Henry Sweets Handbook of Phonetics (1877) en de colleges van Vilhelm Thomsen.Rischel (1989), pp. 46-47 Daarnaast kwam hij tijdens zijn reizen in contact met de jonge Franse foneticus Paul Passy.
Passy was een van de oprichters van de International Phonetic Association (IPA), een organisatie die het internationaal gebruikte fonetisch alfabet ontwikkelde (eveneens afgekort als IPA).MacMahon (1986), pp. 30-38 Jespersen trad toe tot deze associatie in juni 1886,International Phonetic Association (1949), p. 300 maar bleef kritisch tegenover het idee van één universeel transcriptiesysteem. In de praktijk gebruikte hij het IPA-systeem dan ook niet.Hjelmslev (1943), p. 125 Jespersen ontwikkelde wel een eigen fonetisch transcriptiesysteem voor het Deens, genaamd Dania – vernoemd naar het tijdschrift waarin het in 1890 voor het eerst werd gepubliceerd. Dit systeem kende een brede verspreiding binnen de Deense dialectologie en wordt daar tot op heden gebruikt.
Tussen 1897 en 1899 publiceerde Jespersen zijn omvangrijke standaardwerk over beschrijvende fonetiek: Fonetik, En systematisk fremstilling af læren om sproglyd (Nederlands: Fonetiek, een systematische benadering van de studie van taalklanken) . Dit werk verscheen in het Deens en werd later gedeeltelijk vertaald naar het Duits als Phonetische Grundfragen (1904) en Lehrbuch der Phonetik (1904). Het materiaal waarover hij schreef was relatief beperkt, aangezien Jespersen zich principieel niet uitsprak over klanken die hij niet zelf kon imiteren op (bijna) moedertaalniveau. Daardoor bleef de focus grotendeels beperkt tot Europese talen. Deze strikte methode leidde echter ook tot een grote nauwkeurigheid en gedetailleerde observaties.Rischel (1989), p. 47
In zijn boek Modersmålets fonetik (1906, Nederlands: Fonetiek van de moedertaal) wijdde Jespersen zich aan de klankstructuur van het Deens. Vooral zijn analyse van de beklemtoning is opmerkelijk: hij wist reeds syntactisch-semantische en pragmatische voorwaarden voor specifieke accentpatronen te benoemen.Rischel (1989), p. 51
Geïnspireerd door Melville Bells Visible Speech ontwikkelde Jespersen in 1889 een zogenaamd analfabetisch systeem om op een exacte en gedetailleerde wijze de positie van de spraakorganen weer te geven,Jespersen (1889), p. 3 later omgedoopt tot antalfabetisch systeem om spot te vermijden. In The Articulations of Speech Sounds represented by Means of Analphabetic Symbols (1889) beschreef hij op precieze wijze de articulatie van klanken via drie afzonderlijke elementen: de actieve articulator (Griekse letters), de passieve articulator (Latijnse letters) en de aard van de articulatie (cijfers en symbolen). Het systeem wordt vandaag niet meer gebruikt.
Binnen de Engelse historische fonetiek wordt Jespersen vaak genoemd in verband met zijn analyse van de Great Vowel Shift. Jespersen introduceerde de benaming voor deze grootschalige klankverschuiving in de Engelse klinkers in het eerste deel van zijn werk A Modern English Grammar on Historical Principles (1909), dat handelt over klanken en spelling.
Grammatica Otto Jespersen legde zich gedurende een groot deel van zijn academische carrière toe op de studie van de Engelse grammatica. Zijn magnum opus is het zevendelige werk A Modern English Grammar on Historical Principles, waarvan het eerste deel in 1909 werd gepubliceerd. Dit eerste volume behandelt de historische fonetiek van het Engels. De daaropvolgende vier delen zijn gewijd aan de syntaxis, gevolgd door een zesde deel over morfologie. Het zevende en laatste deel, dat eveneens over syntaxis gaat, werd postuum gepubliceerd door Niels Haislund.Francis (1989), pp. 93-97 Essentials of English Grammar (1933) is een beknopte versie van dit uitgebreide werk en was bedoeld om praktisch te gebruiken in het universitair onderwijs.Van Erum (2005), p. 12 Een ander werk over de Engelse taal is Growth and Structure of the English Language (1905) dat een overzicht biedt van de geschiedenis van de Engelse taal vanaf de oorsprong tot de moderne tijd.
Naast zijn werk over de Engelse grammatica hield Jespersen zich ook bezig met algemene grammaticale theorie. In Philosophy of Grammar (1924) en Analytic Syntax (1937) ontwikkelde hij een aantal concepten die een vroege bijdrage leverden aan het denken over universele grammatica.Francis (1989), p. 79 Zo stelde hij in The Philosophy of Grammar Jespersen dat er fundamentele grammaticale principes bestaan die ten grondslag liggen aan alle talen. Hierbij bleef hij het belang van empirisch onderzoek naar afzonderlijke talen benadrukken. De talen waarop hij zich baseerde, waren voornamelijk Indo-Europese talen, waaronder Deens, Engels, Duits, Nederlands, Latijn, Frans, Spaans, Italiaans en Grieks, alsook oudere Germaanse talen zoals Oudengels, Oudnoors, IJslands en Gotisch. Daarnaast maakte hij incidenteel gebruik van voorbeelden uit het Russisch, Sanskriet en de niet-Indo-Europese talen Hongaars, Fins, Chinees en Groenlands.Francis (1989), pp. 80-81
Jespersens syntactische theorie was gebaseerd op drie centrale concepten: rank, junction en nexus. Deze theorieën introduceerde hij voor het eerst in het Deense Sprogets Logik (Nederlands: De logica van taal; 1913) en later ook in Philosophy of Grammar (1924), System of Grammar (1933) en Analytic Syntax (1937).Van Erum (2005), p. 10 Met het concept 'rank' classificeerde hij woorden op basis van hun functionele positie binnen zinnen, in de plaats van de traditionele opdeling in woordsoorten te gebruiken. In deze benadering onderscheidde hij drie niveaus: primaire elementen (hoofdelementen), secundaire elementen (die afhankelijk zijn van primaire) en tertiaire elementen (die op hun beurt van secundaire afhankelijk zijn). Zo is in de woordgroep uiterst koud weer het woord weer primair, koud secundair en uiterst tertiair. Jespersen breidde dit model ook uit naar zinsstructuren, waardoor hij een hiërarchisch syntactisch raamwerk creëerde. Dit systeem was echter vooral toepasbaar op Indo-Europese talen en moeilijker toepasbaar op talen met een sterk polysynthetische structuur.Francis (1989), pp. 81-84
De begrippen 'junction' en 'nexus' vormden de kern van Jespersens analyse van syntactische relaties. Junction verwijst naar de samenvoeging van woorden binnen een grammaticale categorie, waarbij met het toevoegen van een secundair element aan een primair element de categorie van dat primaire element behouden blijft, bijvoorbeeld in de woordgroep een gekke persoon, waarbij gekke een bijvoeglijk naamwoord is dat het zelfstandig naamwoord persoon nader bepaalt. Deze bepaling kan zowel restrictief als niet-restrictief zijn. Een restrictieve bepaling maakt het mogelijk om wat hij beschrijft te onderscheiden van andere zaken met dezelfde naam (bijvoorbeeld: een rode neus); terwijl een niet-restrictieve bepaling eerder extra, vaak emotioneel geladen informatie toevoegt (bijvoorbeeld: prachtige Evelyn Hope).Jespersen (1933a), pp. 91-95
Nexus vormt daarentegen een nieuwe structuur die zowel semantisch als syntactisch verschilt van de componenten waaruit het is opgebouwd. In een nexus wordt iets nieuws toegevoegd aan het concept dat uitgedrukt wordt door een primair element. In de zin De blauwe jurk is de oudste vormt blauwe een junction en oudste een nexus.Jespersen (1933a), pp. 95-96 Deze termen bleken echter theoretisch moeilijk te onderscheiden, waardoor deze theorie weinig navolging heeft gekend.Van Erum (2005), p. 11