thumb|Een vroeg-19e-eeuws fragment van de Rigveda, geschreven in het Devanagarischrift De Veda's (Sanskriet: वेद, veda, kennis) zijn de oudste en heiligste composities van het hindoeïsme, opgesteld in vedisch Sanskriet. (2008) Zij behoorden tot een mondelinge traditie waarvan een deel na vele eeuwen op schrift is gesteld en onderdeel is geworden van de hindoegeschriften. Een belangrijk deel van de Indiase filosofie en veel van de religieuze sekten die tot het hindoeïsme gerekend worden, zijn gebaseerd op deze teksten.
De canon is onderverdeeld in vier Veda's, de Rigveda, de Atharvaveda, de Yajoerveda en de Samaveda en zijn verder onder te verdelen in Samhita's, Brahmana's, Aranyaka's en Upanishads. Het heeft echter eeuwenlang geduurd voordat deze canon werd vastgelegd. De composities kennen vele auteurs en redacteuren, behorende tot verschillende scholen (charana's) uit ver uiteenliggende gebieden, wat het tot een zeer complex geheel maakt.
Het woord veda is etymologisch verwant aan het werkwoord weten en betekent kennis. De Veda's zijn dan ook meer de gehele beschaving dan slechts een religie en bevatten ook religieuze hymnen, spirituele filosofie, een kosmologie en sociale en rituele voorschriften.
De studie van de Veda's is samen met yajna (offers) en voortplanting een centraal thema van dharma voor een tweemaal-geborene (dvija).
De Veda's worden beschouwd als shruti – wat wordt gehoord – wat wil zeggen dat deze composities niet afkomstig zouden zijn van mensen, maar aan zieners of rsi zijn geopenbaard. Dit in tegenstelling tot de smriti – wat wordt herinnerd – die wel een menselijke auteur hebben. Hindoes kennen daarom aan de Veda's een canonieke waarde toe, ze bevatten eeuwige, universele kennis en zijn geschonken aan de mensheid.
Chronologie De oudste van de vier Veda's is de Rigveda, geschreven in de meest archaïsche vorm van het Sanskriet. Voor de oudste delen hiervan wordt veelal een grove chronologie genomen van 1200-1000 v.Chr. of 1500-1000 v.Chr., maar schattingen hierover lopen uiteen.
Een eerste kader wordt gegeven door het vedisch Sanskriet, een Indo-Arische taal. Deze werd mogelijk voorafgegaan door de gereconstrueerde talen Proto-Indo-Iranisch en Proto-Indo-Europees (PIE). De datering van PIE stelt ook een grens aan de datering van het vedisch Sanskriet. Er is echter een reeks aan ontstaanstheorieën van het PIE, soms zelfs tot het 10e millennium v.Chr. teruggaand. Gezien de grote onzekerheid en het sterk speculatieve karakter van deze modellen, heeft Stefan Zimmer om terughoudendheid gevraagd bij dateringen voor het 3e millennium v.Chr.Every attempt, then, to give absolute dates for ‘Proto-Indo-European’ (or dates for alleged different stages of ‘PIE’) is either based on the speculative identification of an archaeological culture with the speakers of the ‘language of the PIE's’ (e.g. Gimbutas, Renfrew, Mallory) or on what may be called ‘intelligent guesses,’ deliberations of probability and feelings of appropriateness (e.g. Meid, Gamkrelidze-Ivanov).The first type of proposal is usually contested by fellow archaeologists and doubted by linguists, the second, being purely subjective because objective arguments simply do not exist, is bound to remain noncommittal. As is easily to be seen, many dates of both types have found their way to an often far too skeptical public. [...]Given the well-attested possibility of rapid social changes including language growth/change/death (cf. the history of the Germanic tribes, the Turks, Arabs and Mongols, and of their respective languages), I would like to make an appeal to linguists and archaeologists to abstain from using the term Indo-European or ‘Proto-Indo-European’ for anything older than roughly 2500 BC. [...] To my mind, it is therefore historically irresponsible for the linguist to speak of ‘Proto-Indo-European’ in the 4th millennium, and linguistically meaningless for the archaeologist to argue about ‘Proto-Indo-Europeans’ living somewhere before ca 2500 B.C. (1988): 'On Dating IndoEuropean: A Call for Honesty' in Journal of Indo-European Studies, Volume 16, p. 371-375
De eerste schatting over de ouderdom van de Rigveda werd gedaan door Max Müller. Hij dacht Katyayana Vararuchi uit het twaalfde-eeuwse Kathasaritsagara van Somadeva te kunnen situeren in de tweede helft van de vierde eeuw v.Chr. omdat dit een minister was in het Nandarijk. Daarna stelde hij deze minister gelijk aan Katyayana, de auteur van diverse soetra's. Als gedachte-experiment stelde hij daarna voor om de grens voor de soetra tussen 600 en 200 v.Chr. te nemen. Voor de eerder geschreven brahmana's dacht hij dat deze tussen 800 en 600 v.Chr. opgesteld zouden kunnen zijn. Zo koos hij tussen 1000 en 800 v.Chr. voor de mantra's en tussen 1200 en 1000 v.Chr. voor de chanda's. (1859): A History of Ancient Sanskrit Literature So Far as it Illustrates the Primitive Religion of the Brahmans, Williams and Norgate Het arbitraire karakter van de 200 jaar per periode was al door Müller zelf aangegeven en werd al snel herhaald door anderen als Theodor Goldstücker, Jules Barthélemy-Saint-Hilaire, Horace Hayman Wilson, Georg Bühler, Hermann Jacobi en Moriz Winternitz. Müller zag de jaartallen dan ook vooral als bovengrens en zag ook 3000 v.Chr. nog als mogelijk toen Archibald Sayce in een oude Babylonische tekst het woord sindhu tegenkwam, wat overeen zou komen met de Indus. (2001): The Quest for the Origins of Vedic Culture. The Indo-Aryan Migration Debate, Oxford University Press
Alfred Ludwig kwam in 1885 op basis van in de Rigveda genoemde zonsverduisteringen op een oudst mogelijke datum van 1300-1200 v.Chr. (1885): 'Über die Erwähnung von Sonnenfinsternissen im Ṛgveda' in Sitzungsberichten der Königliche böhmische Gesellschaft der Wissenschaften. Philos.-hist.-philol. Classe, p. 90 De meest extreme schatting situeert het ontstaan van de Rigveda in het zevende millennium v.Chr., zoals Bal Gangadhar Tilak in 1893 deed op basis van de stand van het sterrenbeeld Orion. (1893): Orion, or Researches into the Antiquities of the Vedas, Radhabai Átmaram Sagoon Dit zou de Rigveda nog voor de Indusbeschaving situeren, waarmee de Indo-Arische migratie-theorie onhoudbaar zou worden. Dat zou betekenen dat de Ariërs inheems waren en deze out-of-India-theorie past goed binnen de ideeën van het hindoenationalisme. Rond het zevende millennium v.Chr. bevond het subcontinent zich nog in de steentijd, terwijl de Rigveda blijkens de tekst uit de kopertijd stamt.
Ook Jacobi kwam op basis van astronomische interpretaties tot een vroegere periode voor de Rigveda. (1894): 'Beitrage zur Kenntnis der Vedischen Chronologie' in Nachrichten von der Königl. Gesellschaft der Wissenschaften zu Göttingen. Philologisch-historische Klasse, p. 105-115 Precessie van de aardas maakt dat de stand van de sterren in de loop der eeuwen verandert, iets wat teruggerekend kan worden. Om daar conclusies aan te kunnen verbinden, moet duidelijk zijn welk hemellichaam genoemd wordt en moet de genoemde positie voldoende nauwkeurig zijn. George Thibaut, William Dwight Whitney en Hermann Oldenberg kwamen al snel met weerleggingen. (1895): 'On some recent attempts to Determine the Antiquity of Vedic Civilization, Indian Antiquary, Volume 24, p. 85-100 (1895): 'On a recent attempt, by Jacobi and Tilak, to determine on astronomical evidence the date of the earliest Vedic period as 4000 B.C.' in Indian Antiquary, Volume 24, p. 361-369 (1894): 'Der Vedische Kalender und das Alter des Veda' in Zeitschrift der Deutschen Morgenländischen Gesellschaft, Volume 48, No. 4, 629-648 Whitney stelde dat er niets was wat erop wees dat de Indo-Ariërs de hemelbol dusdanig systematisch bestudeerden dat astronomische observaties in de Rigveda voldoende nauwkeurig waren om hier enige conclusies aan te verbinden. Dat zou tot gevolg hebben dat schattingen op basis van genoemde observaties meer dan een millennium uiteen konden lopen. Hierop volgde dan ook een discussie in hoeverre de Indo-Ariërs in staat waren om deze observaties voldoende nauwkeurig uit te voeren.
In 1906 vonden Hugo Winckler en Theodore Makridi het archief van Bogazköy uit het oude Hattusa. Een van de documenten betreft een verdrag tussen Shattiwaza van Mitanni en Suppiluliuma I van de Hettieten uit de veertiende eeuw v.Chr. waarin naast andere goden Mi-it-ra, U-ru-w-na, In-da-ra en Na-sa-at-ti-ia worden aangeroepen. In de Rigveda worden Mitra, Varuna, Indra en Nasatya genoemd, ook samen gegroepeerd. Jacobi zag hierin aanwijzingen dat zijn chronologie mogelijk was, maar Oldenberg kon zich ook in deze uitleg niet vinden. (1909): 'On the Antiquity of Vedic Culture' in The Journal of the Royal Asiatic Society of Great Britain and Ireland, p. 721-726 (1909): 'On the Antiquity of Vedic Culture' in The Journal of the Royal Asiatic Society of Great Britain and Ireland, p. 1095-1100 Een andere tekst uit dit archief ging over Kikkuli, een paardentrainer uit dezelfde periode. Hierin werden Indo-Arische termen gebruikt. De Rigveda zou desondanks ouder kunnen zijn dan deze teksten, maar zou dan lange tijd vrijwel onveranderd moeten zijn. Dit is mogelijk, het Akkadisch en het Chinees schrift zijn lange tijd relatief onveranderd gebleven als schrijftaal, maar is uitzonderlijk.
Parallellen tussen de Rigveda en de Iraanse Avesta in taal en cultuur zijn opmerkelijk groot. Aangezien Zarathustra de auteur zou zijn van het oudste deel van de Avesta, zou zijn datering kunnen helpen bij die van de Rigveda, maar ook de schattingen van wanneer hij heeft geleefd lopen wijd uiteen. Daarmee brengt de tekst de oplossing niet dichterbij, maar is het onderdeel van hetzelfde probleem. Ook de vermelding van de strijdwagen met spaakwielen in beide teksten brengt de oplossing niet dichterbij. Zo kunnen dateringen in het derde en begin van het tweede millennium niet uitgesloten worden.
De problematiek met het dateren van de Veda's betekent ook dat bij het reconstrueren van de geschiedenis van Zuid-Azië de nodige terughoudendheid in acht moet worden genomen. De periode van de Vedische tijd is dan ook geen vast gegeven. (2008)
Overlevering thumb|De Susruta-Samhita als palmbladmanuscript De vroegst overgeleverde teksten van de Veda's zijn afkomstig uit de elfde eeuw, maar eerdere versies werden waarschijnlijk vanaf 500 v.Chr. op schrift gesteld. Dat betekent dat zij een millennium lang alleen mondeling zijn overgedragen. Speciale leden van de brahmanen, pandits, hadden de taak de verzen uit het hoofd te leren. De vedische recitatie maakt gebruik van mnemonische technieken als het metrum en de standaardformuleringen om het uit het hoofd leren te vergemakkelijken en door dit muzikale beginsel was het mogelijk een werk intact te houden. Doordat er meer nadruk lag op de praxis dan op het geloof, is er meer sprake van orthopraxie dan orthodoxie.
De orale traditie werd in stand gehouden omdat de Veda's niet voor iedereen toegankelijk waren en daarom pas na lange tijd op schrift werden gesteld. Stammen en brahmanen daarbinnen waren veelal niet bereid om hun kennis te delen met buitenstaanders. Die traditie had tot gevolg dat bij Vedische scholen die hun aanhang verloren, ook hun recensies (shakha's) verloren gingen. Dit gold ook toen teksten op schrift werden gesteld, aangezien nog lang gebruikgemaakt werd van palmbladmanuscripten, die vergankelijk van aard waren en afhankelijk waren van kopiisten. Zo verdwenen veel shakha's en veel van de diversiteit daarvan. Dit werd versterkt door de canonisering onder de Kuru's waarbij de klassieke shrauta-rituelen gevormd werden. (1997): 'The Development of the Vedic Canon and its Schools: The Social and Political Milieu' in (ed.) Inside the texts, Beyond the Texts, Harvard University Department of Sanskrit and Indian Studies