De Société Céramique (Maastrichts: de Zjèrremik) was een aardewerkfabriek in de Nederlandse stad Maastricht, die van 1863 tot 1958 zelfstandig opereerde en daarna nog enkele decennia als onderdeel van N.V. Sphinx-Céramique en N.V. Koninklijke Sphinx. De naam van het bedrijf leeft voort in de naam van de wijk Céramique, die na de sloop van de meeste fabrieksgebouwen op het 23 hectare grote industrieterrein verrees. Ook de Avenue Céramique, de hoofdstraat van de wijk, en het Centre Céramique, dat een collectie Maastrichts aardewerk herbergt, herinneren aan het bedrijf.

Geschiedenis De geschiedenis van de Société Céramique was lange tijd in het duister gehuld doordat het bedrijfsarchief niet openbaar toegankelijk was.Ubachs/Evers (2005), pp. 489-490: 'Société Céramique'. In 2006 kwam daar verandering in door de publicatie van de inventarisatie van het archief, dat ondergebracht is bij het Tracé - Limburgs Samenlevingsarchief, voorheen Sociaal Historisch Centrum voor Limburg (SHCL).

Voorlopers (1851-1863) Het bedrijf was in feite de voortzetting van de in 1851 gestichte aardewerkfabriek Clermont & Chainaye, opgericht door Wijnand Nicolaas Clermont (1802-1879) en Charles Hubert Joseph Chainaye (1818-na 1866), samen met de vader van die laatste, Jérôme François Chainaye. Laatstgenoemde was alleen als financier bij de oprichting van de aardewerkfabriek betrokken. Verder is over de Chainayes weinig bekend. Wijnand Clermont was gehuwd met Adèle Elisabeth Chainaye, een zus van Charles. Clermont was een ervaren ondernemer. Samen met de bierbrouwer Nicolaas Antoon Bosch stichtte hij in 1835 een zoutziederij en zeepfabriek, die gevestigd was in en achter de Poort van Beusdael (hoek Hoogbrugstraat-Ruiterij). Met Petrus (I) Regout richtte hij in 1842 een geweerfabriek op aan de Boschstraat, die echter geen succes werd en mogelijk ook door onderlinge wrijving ten onder ging.Ubachs/Evers (2005), pp. 125-126: 'Clermont, Wijnand Nicolaas'.Mes (2006), p. 22.

thumb|left|230px|Beeldmerk van Clermont & Chainaye (C&C). "Delhi" is de naam van het decor thumb|left|230px|Bovenste Weyermolen, ca. 1935. De watermolen was van 1853 tot 1935 in gebruik door de Société Céramique en voorgangers Waarschijnlijk waren Wijnand Clermont en Charles Chainaye geïnspireerd door het succes van de Maastrichtse pionier Petrus ("Pie") Regout (1801-1878), die vanaf 1834 in kort tijd een bloeiend industrieel imperium had opgebouwd. Clermont en Chainaye zouden zich ontpoppen als geduchte concurrenten van Regout. In 1850 dienden ze een aanvraag in bij Gedeputeerde Staten van Limburg om een aardewerkfabriek te beginnen op een terrein in het zuidwestelijk deel van Wyck, vlak bij de Maas en grenzend aan de zout- en zeepziederij van Bosch & Clermont. Tegenwoordig liggen hier de Ruiterij en het westelijk deel van Plein 1992. Omdat Maastricht nog een vestingstad was, moest vergunning worden aangevraagd om via een poterne in de stadsmuur grondstoffen te kunnen aanvoeren en producten te kunnen afvoeren per schip. Een jaar na de oprichting had de fabriek al honderd arbeiders in dienst. Ze lokten daarbij de beste arbeiders bij Regout weg (wat Regout zelf in Wallonië had gedaan), wat tot een rechtszaak leidde en Regout noopte zijn geschoolde arbeiders te verplichten een contract te tekenen. De productie bestond voornamelijk uit transferware, serviesgoed met naar Engels voorbeeld gekopieerde tranferpatronen. Dat ze niet de enige navolgers van Regout waren blijkt uit het feit dat twee jaar later ook Nicolaas Bosch, Clermonts andere zakencompagnon, een eigen aardewerkfabriek begon aan de Wycker Grachtstraat.Mes (2006), p. 23.

Aanvankelijk werden de 'Hoge Barakken', een van de stad Maastricht overgenomen voormalig kazernecomplex, ingericht als productiegebouwen.Jenniskens/Mes/Panhuysen (1997), p. 33. In 1853 werd de watermolen De Reek aangekocht, ook wel Bovenste Weyermolen genoemd, oorspronkelijk een graanmolen, gelegen in de Heksenhoek in het Jekerkwartier. Hier stonden acht kuipen voor de glazuurbereiding opgesteld. De grondstoffen werden na bereiding met paard en wagen over de Sint Servaasbrug naar de fabriek in Wyck gereden. De molen zou tot 1935 in gebruik blijven als glazuur- en vernismolen van de Société Céramique.GM 16099 op beeldbank.rhcl.nl.

De fabriek van Clermont & Chainaye kwam, na een redelijk succesvolle start, nooit tot grote bloei. Het bedrijf bleek te conjunctuurgevoelig en de kwaliteit van de producten liet te wensen over. Na de recessie van 1857 balanceerde het op de rand van een faillissement. Bij notariële akte van 28 maart 1859 werd het bedrijf omgezet in een commanditaire vennootschap (cv). De cv droeg de lange naam Société pour la fabrication des faiences en produits céramiques de toute espèce sous la raison sociale Guillaume Lambert & Cie, of kortweg Guillaume Lambert & Cie, en was genoemd naar de nieuwe directeur, de Belgische mijningenieur Guillaume Lambert (1818-1909). Het kapitaal bedroeg 236.250 gulden, verdeeld in duizend aandelen, waarvan Clermont en Chainaye gezamenlijk de helft kregen. De andere helft kwam in handen van vier Belgische investeerders: François-Philippe de Haussy, oud-directeur van de Société Générale, Louis Troye, gouverneur van Henegouwen, de Luikenaar Gustave Dumont en de Brusselaar B. Lyon.Regout (1959), pp. 401-403. Na een voortvarende start liep ook deze onderneming al snel tegen allerlei problemen aan. Zo bleek een groot deel van de oude voorraden van inferieure kwaliteit, waardoor deze tegen sterk gereduceerde prijzen moest worden verkocht. De verliezen liepen op van 13.000 francs in 1859 tot ruim 50.000 francs in 1862, waardoor een faillissement onafwendbaar leek.Mes (2006), pp. 23-24.

Periode Jaunez (1863-1913) thumb|Portretfoto Victor Jaunez, door de Oostenrijkse, in Wyck-Maastricht gevestigde fotograaf Hermann Bopp, na 1900 thumb|Gezicht op de Stenenwal in Wyck met het fabriekscomplex van de Société Céramique (of een voorganger) en het 'poortje van Clermont' met loskade (J. Brabant, voor 1867) Een buitengewone vergadering van de aandeelhouders besloot begin 1863 tot omzetting van de cv in een naamloze vennootschap (nv), bekrachtigd in een koninklijk besluit van 2 april 1863. Het nieuwe bedrijf kreeg de naam N.V. Société Céramique. Vier nieuwe aandeelhouders traden toe, merendeels familieleden van de oorspronkelijke groep: Charles Gilliot, Edouard de Haussy (zoon van de eerder genoemde François de Haussy), Arthur en Jérôme Clermont (zonen van Wijnand Clermont) en Arthur de Cartier de Marchiennes (schoonzoon van Louis Troye). François de Haussy werd voorzitter (président) van de raad van bestuur, waarin verder de aandeelhouders W. Clermont, B. Lyon, G. Dumont en L. Troye zitting hadden. Guillaume Lambert, die een uitstekend ingenieur was, maar minder geschikt bleek als bedrijfsleider, werd op een zijspoor gezet en vertrok na enkele maanden. Als nieuwe directeur werd aangesteld de uit het Duitse Saarland afkomstige Victor Jaunez (1839-1916), die de eerste twee jaar door zijn vader Auguste Jaunez werd ingewerkt en daarna bijna vijftig jaar een stempel op het bedrijf drukte.Mes (2006), pp. 24-25.

De eerste jaren verliepen nog moeizaam. De verliezen waren in 1865 opgelopen tot 160.000 francs. Een aandelenemissie gaf ruimte voor investeringen in het verouderde machinepark. In 1867 werd graaf Henri de Meeûs aangesteld als administrateur. Deze wist, samen met De Haussy, een lening van 300.000 francs los te krijgen bij de Luikse bank Crédit Général. In 1869 overleed De Haussy en volgde De Meeûs hem op als 'president'. Toen de afzet in het midden van de jaren 1870 stagneerde als gevolg van de Grote Depressie, drong de bank aan op aflossing van de schulden. Er volgde een nieuwe aandelenemissie, waarna het bedrijf vrijwel geheel in handen was van de families De Meeûs, De Haussy, Dewandre, Gilliot en hun erven. De Société Céramique groeide dankzij deze kapitaalinjecties en de vasthoudendheid van de directie uit tot een krachtige onderneming. Het aantal arbeiders steeg van 229 in 1866 tot 764 in 1887. De meeste arbeiders werkten elf uur per dag; in de winter een half uur korter. De toenemende productie en afzet manifesteerden zich in een groeiend balanstotaal en forse winsten. In 1891 vermeldde de directie met trots dat de onderneming schuldenvrij was. De winst liep op van 42.000 francs in 1878 tot 750.000 francs in 1911.Mes (2006), pp. 25-27.

Na het opheffen van de vestingstatus van Maastricht in 1867, wist de directie, ondanks de precaire financiële situatie, een groot areaal aan voormalige vestingterreinen te verwerven in de directe omgeving van de fabriek. De 'Hoge Barakken' werden gesloopt en op de fundamenten verrezen nieuwe ovens, een decoratelier en de nog bestaande Biscuithal. Van de aanpalende gemeente Heer werd een terrein gekocht waar men voor eigen behoefte bakstenen produceerde. De directie onderhandelde met Staatsspoorwegen over een raccordement, een aansluiting op het spoorwegnet. Voor de aanvoer van de grondstof veldspaat exploiteerde het bedrijf een groeve in Nijvel.

In 1907 werd de eerste tunneloven gebouwd. In 1910 ging men over op elektrificatie, waartoe een honderdtal elektromotoren werd geplaatst.Mes (2006), p. 28. De fabrieksingang lag in het begin van de twintigste eeuw aan de Hoge Barakken, destijds een straatje van slechts enkele tientallen meters lang. Op de hoek van de Hoge Barakken en de Hoogbrugstraat lag het café "Céramique". Langs de Maas bouwde directeur Jaunez de nog bestaande 'villa' (in feite een herenhuis). De naastgelegen oudere directeurswoning is omstreeks 1990 gesloopt. Hierin waren kantoren voor beambten ondergebracht.GAM 26912 op beeldbank.rhcl.nl. Eveneens gesloopt is de imposante villa van commercieel directeur J.H. Defesche, gelegen in de as van de Wilhelminasingel. De villa in chaletstijl was versierd met tegeltableaus uit de eigen fabriek, mogelijk ontworpen door de plateelschilder Henri Breetvelt (1864-1923), die van 1902 tot 1906 (1909?) voor de Société Céramique werkte. Breetveld decoreerde onder andere siervazen met motieven naar Hollandse meesters of schilders van de Haagse School.

thumb|Detail van een ontwerp voor de hierboven afgebeelde fabrieksprent met een overzicht van de Division II (J.G. Wiebenga, 1912-13) thumb|Bijeenkomst van keramiekproducenten in Brussel, 1921. Zittend, uiterst rechts: directeur E. Michel; naast hem ex-directeur P.J. Lengersdorff, directeur van Villeroy & Boch

Periode Lengersdorff, Michel & De Meeûs (1913-1958) Begin twintigste eeuw bestonden er plannen om het bedrijf sterk te laten groeien. Een belangrijke rol daarin speelde de Duitse ingenieur Peter Joseph Lengersdorff (1868-1925), die in 1902 als technisch directeur was aangesteld en in 1913 werd benoemd tot directeur-gérant. Jaunez deed na vijftig jaar een stapje terug, maar bleef nog enkele jaren aan als administrateur. Henri de Meeûs was inmiddels opgevolgd door zijn zoon Louis als president. Aanvankelijk werd gedacht aan een tweede vestiging in België, maar uiteindelijk werd gekozen voor uitbreiding van de bestaande fabriek in Wyck. Omstreeks 1912 benaderde Lengersdorff het Bredase betonconstructiebedrijf Stulemeyer en Co. voor de realisatie van een complex moderne fabriekshallen op het zuidelijk deel van het fabrieksterrein. De jonge ingenieur-constructeur Jan Gerko Wiebenga (1886-1974), die nog maar pas bij Stulemeyer in dienst was, ontwierp de zogenaamde Division II van de Société Céramique in de stijl van het nieuwe bouwen met betonskeletten en schaaldaken. Het in 1913 opgeleverde complex had een investering gevergd van circa 1 miljoen gulden. Van het complex resteert slechts het ingekorte deel van één hal, de Wiebengahal.