thumb|300px|Voorpagina van de Popol Vuh De Popol Vuh (K'iche': Popol Wu'uj) is een historisch-mythologische tekst van de K'iche' (in de oude spelling: Quiché), een Mayavolk uit Guatemala, die kort na de Spaanse verovering voor het eerst in Europees schrift werd uitgeschreven (midden 16e eeuw). Het document werd vermoedelijk opgesteld door leden van de K'iche'-adel om in de beginnende koloniale maatschappij de eigen positie te legitimeren.
In het eerste deel van de Popul Vuh wordt de schepping van de aarde en de mens uit de doeken gedaan. Het scheppen van de mens lukte niet in een keer: de eerste poging leidde tot de schepping der dieren, de eerste mens van leem was te week, de tweede van hout had geen verstand en liep op handen en voeten, pas de mens van maïs was volmaakt. Té volmaakt en zijn zicht moest worden vertroebeld, zodat z'n wijsheid werd ingeperkt. Hij moest niet als de goden zijn. Tijdens zijn slaap werd z'n echtgenote geschapen. Vier mensenparen, geschapen uit maïs, waren de voorouders van de K'iche'e Maya's.
Vóór hun geschiedenis verder wordt verteld komen de mythen rond de goddelijke tweeling Hunahpu en Ixbalanqué aan bod: hun overwinning op de trotse Zevenpapegaai en zijn zonen, hun geboorte uit het speeksel van Hun Hunahpu (Een Eenjager) en de ongehoorzame jonkvrouw Ixquic. Ze wilde van de verboden vruchten van de jicara-boom proeven. Die boom was gaan bloeien nadat het lichaam van Hun Hunahpu er in was gelegd. Hij was verslagen door de Heren van de Onderwereld, Xibalba. Hun Hunahpu had al twee zonen en die werden door de goddelijke tweeling, nadat de oudere broers in apen waren veranderd, naar de bossen verjaagd. De tweeling keerde terug naar Xibalba en versloeg er de Heren van de Dood. Daarna stegen de broers op als zon en maan.
De volksverhuizingen van de Maya-stammen, beschreven in het tweede deel, leidden oostwaarts van Tula (Tollan) naar Santa Cruz del Quiché, terwijl in het boek herhaaldelijk geschreven staat dat de Maya's oorspronkelijk uit het oosten kwamen, naar Tula trokken en dat zelfs Tula in het oosten lag. Er moet zich een ramp hebben voltrokken, aangezien de Maya's hun thuisland verlieten, door het duister trokken, slechts in huiden gekleed, in kou en zonder voedsel. Ze moesten door de zee waden en de dageraad afwachten, tot de zon eindelijk het aardoppervlak droogde.
Drie zonen van de voorouders van maïs trokken 'naar de andere zijde van de zee' in de richting 'waar de zon gemaakt wordt [het oosten]: van daar kwamen onze vaders.'Cordan, Popol Vuh, p.189 Ze ontvingen van koning Nacxit (Topiltzin Ce Acatl Quetzalcoatl), 'de heer van de zonsopgang', de tekenen van het koningschap en 'de schrift uit Tula', waarin hun geschiedenis stond opgetekend, en keerden er mee terug naar huis.
Handschriften en edities Het eerste handschrift van de Popol Vuh is verloren gegaan: alle edities gaan terug op een kopie uit het begin van de 18e eeuw, het handschrift van Chichicastenango (Chuilá in het K'iche'). Deze 112 bladzijden tellende kopie is van de hand van de pastoor van Chuilá, de Dominicaan Francisco Ximénez (1666-1729) en geeft in twee kolommen de Mayaanse tekst en de Spaanse vertaling. De moderne editiegeschiedenis van de Popol Vuh begint in 1861 met de publicatie van het origineel en de Franse vertaling daarvan door Brasseur de Bourbourg; met het vorderen van het onderzoek naar de traditionele Mayaanse cultuur zijn sedertdien tal van nieuwe, becommentarieerde vertalingen verschenen (met Schultze Jena, Recinos, Edmonson, Tedlock en Christenson als voornaamste).
Inhoud Popol Vuh betekent letterlijk 'Boek (vuh) van de Mat (popol)', op te vatten als 'Boek van de Raadsvergadering'. Het is in wezen een geschiedenis van de oorsprong van het K'iche'-koninkrijk Q'umarkaj die teruggrijpt tot in het verre mythologische verleden. De opbouw van de tekst herinnert daardoor enigszins aan die van de Bijbel (van Genesis naar Koningen en Kronieken). Maar ofschoon de kerstening al in volle gang was, is de invloed hiervan op de tekst zelf miniem.
Eerste deel Schepping Het verslag vangt aan bij de schepping van de aarde en de eerste, nog mislukte pogingen om de mens te scheppen. Vooral in dit gedeelte bevinden zich de oudste gebedsteksten die van de Maya's bekend zijn.
'Eens was er het rustende heelal. Geen zuchtje. Geen geluid. Roerloos en zwijgend de wereld. En de ruimte des hemels was leeg'. Zo begint het verhaal over de schepping. 'In het water, door licht omstraald' waren 'Tzakól, de schepper; Bitól, de vormer; de overwinnaar Tepëu en de groengevederde slang Gucumátz; Alóm ook en Caholóm, de verwekkers.' en er was Huracán, 'het Hart van de hemel dat Cabavil heet, hij-die-in-het-donker-ziet. (..) Zijn eerste verschijning is de bliksem, Cakulhá. Zijn tweede de donder, Chipi Cakulhá. zijn derde het weerlicht Raxa Cakulhá. Deze drie vormen het hart van de hemel.' Tepëu en Gucumátz kwamen samen en bespraken de 'schepping van de mens'. Ze schiepen de aarde. De aarde werd gevormd door 'het hart van de hemel' en 'het hart van de aarde', die 'haar het eerst bevruchtten'. Daarna werden de dieren geschapen, 'onze eerste werken, onze eerste wezens', maar de verwekkers Tzakól en Bitól waren ontevreden, omdat de dieren niet spreken konden en de goden niet konden prijzen en vereren. 'Daarom zullen wij anderen scheppen, die bereidwillig zijn.'
Er werd een nieuwe poging ondernomen om de mens te scheppen. 'Uit leem maakten zij het vlees van de mens, maar 'het was te week, het was zonder beweging en zonder kracht (..) het had geen verstand'. Het kon niet lopen of zich vermenigvuldigen en werd vernietigd. De verwekkers besloten: 'Laten we tegen Ixpiyacóc [Dagoervader, grootvader], Ixmucané [Schemeringsoermoeder, grootmoeder], tegen Hunahpú-Vuch en Hunahpú-Utiú zeggen: Probeer het nog eens.'
Ixpiyacóc 'wierp het lot' met tsité-bonen en er werden 'mensen van hout' geschapen. 'Uit tsité was het vlees van de man gemaakt, maar het vlees van de vrouw (..) uit riet.' De houten mensen 'hadden geen ziel, geen verstand (..) zij liepen op handen en voeten. (..) Dat waren de eerste mensen, talrijk leefden zij op het aangezicht der aarde.' Ook zij werden vernietigd, geslagen door stokken en stenen, potten en pannen, verscheurd door honden, verdronken in een vloed. 'En men zegt dat hun nakomelingen de apen zijn die nu in de bossen leven. Aan de apen kan men degenen herkennen waarvan de schepper en vormer het vlees uit hout maakten. Daarom lijkt de aap op de mens, als herinnering aan een schepping van mensen, aan mensen die niets anders waren dan poppen van hout.'
De Goddelijke Tweeling Daarna worden de daden van de zonen van Ixquic, de Heldentweeling Hunahpu en Ixbalanqué beschreven: hun onschadelijk maken van de trotse Zevenpapegaai, een vogeldemon en diens twee zonen Zipacná (de Sterke) en Cabracán (de Schokker, Tweebenige). Zipacná had '400 jongelingen' de dood ingejaagd, die eerst met een enorme boomstam Zipacná hadden willen begraven in een kuil. Zipacná wordt door de heldentweeling gedood met een list. Ze maakten een kreeft en legden die in het water aan de voet van een berg. Toen Zipacná er naar dook, schoof de berg over zijn borst. Cabracán werd uitgeschakeld door hem een met witte kalk bestreken vogel te eten te geven, waardoor hij al zijn kracht verloor en geboeid werd begraven.
Pas ná de dood van Zevenpapageaai en zijn zonen, wordt verteld hoe de heldentweeling geboren werd. De broers Hun Hunahpu en Vucub Hunahpu (Een-eenjager en Zeven-Eenjager) verloren in de Onderwereld hun leven in de strijd met Eendood en Zevendood en het lichaam van Hun Hunahpu werd in een jicara-boom gehangen, die daarop wonderschoon begon te bloeien. Ixquic, de dochter van een van de Heren van Xibalba, de Onderwereld, wilde van de jicara's proeven, sprak met het hoofd van Hun Hunahpu en ontving zijn speeksel op haar hand. Daarna was ze zwanger en werd ze door de Heren van Xibalba verjaagd. Ze trok naar het huis van Ixmucané, de moeder van Hun Hunahpu en Vucub Hunahpu. Ixmucané verzorgt de twee zonen van Hun Hunahpu's eerdere vrouw. Ixquic moet aantonen dat ze werkelijk de zonen van Hun Hunahpu draagt. De heldentweeling wordt geboren.
Dan volgt het verstoten van Een-Aap en Een-Meester, twee jaloerse oudere broers naar de bossen, en vooral het wreken van de vader door de onderwerping van de onderwereld, een avontuur waarin het Meso-Amerikaans balspel een grote rol speelt. Hunahpu en Ixbalanqué veranderen respectievelijk in de zon en de maan.
Voleinding van de schepping Ten slotte volgt de 'voleinding van de schepping': 'Verschijnen moeten zij, die ons onderhouden en ons voeden, de stralende zonen van het licht.' De 'stof des levens' werd gevonden, 'uit Pan Paxil en Pan Cayalá [een wondermooi land vol aangename dingen] kwamen de gele en witte maïskolven.' Er waren vier dieren die de gele en witte maïs brachten: de wilde kat, de coyote, de papegaai en de raaf. Ixmucané wreef de maïskolven fijn en maakte negen dranken, die 'kracht en overvloed' gaven, waaruit 'de kracht en de sterkte van de mens' werd geschapen. Uit maïsbrij werden de vier voorouders van de K'iché geschapen: Bosjaguar, Nachtjaguar, Heer van de nacht en Maanjaguar. Zij werden geschapen en gevormd, z waren niet uit een vrouw geboren. 'Slechts door een wonder, door toverij werden zij geschapen en gevormd door Tzakól, Bitól, Alóm, Caholóm, Tepëu en Gucumátz. (..) Verstand was hun geschonken. Zij schouwden naar binnen en tevens keken zij in de verte; zij kwamen zover dat zij alles zagen, alles kenden wat er op de wereld bestaat (..) Groot was hun wijsheid. (..) En wat groot of klein is aan de hemel of op de aarde - wij zien het. (..) Spoedig kenden zij alles.' Maar de schepper en vormer waren niet tevreden en zeiden: 'Moeten zij dan ook goden zijn? (..) Moeten zij tenslotte gelijk zijn aan ons, die hen schiepen en die heel in de verte kunnen zien, alles weten en alles zien?' Daarop wierp Huracán 'een sluier over hun ogen. En die werden troebel (..): zij konden nog slechts zien wat dichtbij was (..) Zo werden de wijsheid en alle kennis van de vier mensen van de oorsprong en het begin vernietigd.'
Toen werden de echtgenoten geschapen, zij verschenen 'gedurende de slaap': Hemelwater was de vrouw van Bosjaguar, bronwater van Nachtjaguar, Kolibriwater van Heer van de nacht en Papegaaiewater van Maanjaguar. 'Zij verwekten de mensen, de kleine en de grote stammen. En zij waren de oorsprong van ons, van de Quiché-stam. (..) Er waren er meer dan vier, maar vier waren de verwekkers van onze Quiché-stam. verschillend waren de namen van allen, toen zij zich daar in het oosten vermeerderden, en talrijk waren de namen van de stammen: Tepëu [Tepëu-Yaqui], Olomán [Olméca's], Cohá, Quenéch, Aháu. Zo noemden zich de stammen toen zij zich daar in het oosten vermeerderden. Ook de afkomst van de Tamúbstam en van de stam Ilocáb is bekend, ginds vanuit het oosten kwamen zij gezamenlijk. Balam-Quitzé, Bosjaguar, was de grootvader en vader van de negen grote Cavéc-families. Nachtjaguar, Balám-Acáb was de grootvader en vader van de negen grote Nimhaib-families. Mahucutáh [Heer van de nacht] de grootvader en vader van de vier grote Ahau-Quiché-families. Drie familiegroepen waren er; maar zij vergaten de naam van hun grootvader en vader niet, niet degenen die zich verbreidden en vermeerderden in het oosten. Ook de Tamúb en Ilocáb kwamen [in Tula] aan en dertien bijstammen, de dertien van Tecpán [Pocomanes en Pocomchis]. En de Rabinales, de Cakchiqueles, die van Tzikinahá. en die van Zacahá en van Lamák, Cumatz, Tulhalhá, Uchabahá, die van Chumilahá, die van Quibahá, die van Batenabá, Acul-Uinák, Balamihá, de Canchahéles en de Balám-Colób. (..) Zij vermeerderden zich ook daar [in het donker] in het oosten. (..) Zij leefden allen samen en in het oosten trokken zij rond. (..) Er waren vele donkere en lichte mensen. (..) Zij hadden één enkele taal.' Ze beschouwden de morgenster Venus en verwachtten de (nieuwe) zon.
Tweede deel