Jan van Krimpen (Gouda, 12 januari 1892 - Haarlem, 20 oktober 1958) was een Nederlands typograaf en grafisch ontwerper. Hij werkte lange tijd voor lettergieterij Enschedé in Haarlem, waarvoor hij verschillende lettertypen ontwierp, die nog steeds in gebruik zijn.

In 1956 kreeg Van Krimpen de gouden medaille van de British Society of Industrial Artists als eerbewijs voor zijn werk.Specimen blade Series 556, The Monotype Corporation ltd. 3-61

Jeugd en opleiding De Van Krimpens waren een vrij notabele familie in Gouda. Jan was het vierde kind van Nicolaas van Krimpen (1854-1908), een welgestelde graanhandelaar, en Maria Braat (1856-1901). Zijn oudste broer Hendrik (1889-1961) werd later advocaat. In 1890 werd een tweeling geboren: de dochter Neeltje zou wiskundelerares worden, de zoon overleed een jaar later. In 1892 werd Jan geboren, het jongste kind. Toen hij negen jaar oud was overleed zijn moeder, en op zijn zestiende (1908) was hij een wees. Hij werd verder opgevoed door Huib Braat, een oom van moederszijde. Huib van Krimpen (1917-2002), eveneens een bekend typograaf, was zijn enig kind.

In 1910 begon Van Krimpen zich te oefenen in kalligrafie met behulp van het boek Writing & Lettering (1906) van Edward Johnston. In deze periode raakte hij geïnteresseerd in poëzie, waarbij zijn voorkeur uitging naar moderne Duitse dichters. Hij volgde een opleiding bij de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag tot 1912. Zijn vakken waren tekenen en anatomie. Daarnaast raakte hij geïnteresseerd in de vormgeving van tekst en boeken. Van Krimpen raakte bevriend met Nini Brunt, de dochter van een Haagse boekhandelaar die samen met hem studeerde. Via haar leerde hij ook haar zus Aty kennen, op dat moment werkzaam als verkoopster bij De Bois, een Haagse winkel in kunstenaarsbenodigdheden. Van Krimpen probeerde Nini over te halen tot het socialisme en leende haar daartoe Das Kapital van Karl Marx, en andere soortgelijke communistische werken. In 1912 en 1913 bezochten zij samen het congres van de SDAP in Krasnapolsky te Amsterdam. Maar spoedig zou Van Krimpen afstand nemen van het socialisme.

In 1916 traden Nini Brunt en Jan van Krimpen in het huwelijk. Op dat moment was hij werkzaam als kunstboekbinder, geheel naar de voorschriften van T.J. Cobden Sanderson. Van Krimpen had maar weinig klanten, en bond ook boeken in voor vrienden. Op 11 maart 1917 werd hun zoon Huibrecht van Krimpen geboren in Den Haag, waar het echtpaar woonde op Fahrenheitstraat 519. In 1929 liep het huwelijk echter stuk. Op 8 juli 1930 trouwde Van Krimpen met Catharina Elisabeth Henrietta ten Houte de Lange, ("Tootje", 1899-1937) redactrice van het culturele geïllustreerde maandblad Op de Hoogte. Dit tijdschrift werd gezet uit de Lutetia en ook de open-variant van deze letter was speciaal door Jan daarvoor ontworpen.

In 1930 verhuisde Jan met zijn tweede vrouw en zoon naar een luxe drie-onder-een-kap woning in Heemstede, op de J.H. Weissenbruchweg 19. Daar bleef hij tot zijn overlijden wonen. In 1937 overleed zijn tweede vrouw aan keelkanker, en een jaar later trouwde Van Krimpen met Catharine Jacoba Senn ('Toos', 1905-1990), die Catharina gedurende haar ziekbed had verzorgd.

Eerste schreden op het pad van de typografie 1912 was het jaar dat de Hollandsche Mediaeval uitkwam, de eerste letter van S.H. de Roos. Vanaf 1913 las Krimpen The Imprint, een nieuw Engels typografisch tijdschrift. De redacteuren, Gerald Meynell, Edward Johnston en Stanley Morison - die later voor Monotype zou gaan werken - wilden vooral commercieel drukwerk naar een hoger esthetisch niveau brengen.

Nog maar net van de academie af begon Van Krimpen samen met de letterkundige Jan Greshoff zelf ook een klein typografisch tijdschrift, dat de bedoeling had om de moderne Engelse en Duitse inzichten over boekvormgeving ook in Nederland te laten doordringen: De Witte Mier. Klein maandschrift voor de vrienden van het boek.

Greshoff behoorde, met de zusters Aty en Nini Brunt, tot Van Krimpens oudste vrienden. Het maandblad "De Witte Mier" bleef maar een klein jaar bestaan, maar het bevatte wel de eerste kalligrafische ontwerpen van Van Krimpen. Greshoff was samen met J.C. Bloem en P.N. van Eyck een bibliofiele uitgeverij begonnen, De Zilverdistel genaamd.

Op 14 juni 1914 publiceerde Van Krimpen een zeer kritisch stuk in de Amsterdammer over de principes en het drukwerk verschenen bij de "Zilverdistel". Deze felle kritiek zorgde ervoor dat Bloem en Greshoff vervangen werden door J.F. van Royen, de latere directeur van de PTT. Onder zijn leiding zal de "Zilverdistel" uitgroeien tot de eerste "private press" in Nederland. In die tijd gaf Van Royen ook opdracht aan S.H. de Roos om verder de typografie te verzorgen voor het drukwerk.

Een punt van kritiek richtte zich op het gebruik van een ijzeren handpers of boven-degel. Dat vond Van Krimpen een blijk van "bibliofiel snobisme", hij wilde meer "democratie in de boekkunst".

Een bezoek aan de "Internationale Ausstellung für Buchgewerbe und Graphik" in Leipzig (1914) voedde Van Krimpens belangstelling voor kalligrafie, typografie, letterontwerp en boekbinden nog meer. De eerste uitgevoerde ontwerpen van de jonge typograaf verschenen in deze jaren: band- en initiaal-ontwerpen voor "Het jaar der dichters", uitgegeven door Greshoff, en een als nog onuitgerijpt te kenschetsen omslag-ontwerp voor "Verzen" van J.L. Gregory.

In 1916 trouwde Van Krimpen met Nini (= Maria Paulina, 1891-1984) Brunt, terwijl haar zus Aty Brunt niet lang daarna trouwde met Jan Greshoff. In 1917 werd uit het huwelijk van de eerstgenoemden een zoon geboren, Huib van Krimpen, die later eveneens een zeer verdienstelijk en invloedrijk typograaf zou worden.

Eigen uitgaven In datzelfde jaar begon Jan van Krimpen in eigen beheer boeken uit te geven, die hij zelf tekstueel en typografisch bezorgde. Deze serie van vijf boeken is bekend onder de (later bedachte) naam Pre-Palladium (1917-1920). De auteurs waren jonge dichters: Albert Besnard, Sonnetten, MCMXVII, 75 exemplaren Jan Gustaaf Danser, Ontmoetingen, MCMXVII, 75 exemplaren Martinus Nijhoff, Pierrot aan de lantaarn, MCMXIX, 120 exemplaren Jacob Israël de Haan, Een nieuw Carthago, MCMXIX, 220 exemplaren H.W.J.M. Keuls,In den Stroom, MCMXX, 200 exemplaren thumb|Palladiumreeks, drukkersmerk Alle boeken werden in een kleine oplage (75-220 exemplaren) gedrukt met door S.H. de Roos ontworpen Hollandsche Mediaeval bij G.J. van Amerongen te Amersfoort.

thumb|Palladiumreeks Naarmate het talent van Van Krimpen verder rijpte ging hij steeds interessanter uitdagingen aan. Voor de jonge uitgeverij Hijman, Stenfert Kroese & Van der Sande begon hij met een nieuwe serie uitgaven, die de naam Palladium-reeks kreeg.

In 1920 verscheen het eerste, behoorlijk ambitieuze boek van de serie, A. Roland Holsts Deirdre en de Zonen van Usnach met een houtsnede van Bernard Essers in een oplage van 205 exemplaren, gezet met de voor de meeste boeken van de Palladium-reeks kenmerkende ronde, achttiende-eeuwse Engelse letter Caslon. Even kenmerkend is het omslag van dit boek, een blauwgrijs Ingres-achtig papier. Jan van Krimpen streefde naar eenvoud in zijn typografie, hij keerde terug naar de combinatie van zwarte inkt met enkele initialen in rood, uit de tijd van de incunabelen. thumb|Initialen in Werumeus Bunings In Memoriam

Opvallend is Van Krimpens gebruik van de gulden snede bij de lay-out. Het paginanummer staat uit het midden. De pagina-indeling en het marge-wit rond de tekst is zeer zorgvuldig geconstrueerd. Na dit deel werden voor Palladium haast geen illustraties meer gebruikt; wel tekende de volleerde kalligraaf Van Krimpen een vignet voor de serie, een medusakop met slangen in het haar, en verzorgde hij de initialen.

Verschillende belangrijke literaire werken werden door Greshoff en Van Nijlen aangebracht, zoals De Duytse Lier van Jan Luyken, Sonnetten van Hooft, Safija van Arthur van Schendel, Het Aangezicht der Aarde van Jan van Nijlen, De Ceder van Greshoff, Narrenwijsheid van J.C. van Schagen, Penthesileia van Marsman, Laethemsche brieven over de lente en Het zatte hart van Karel van de Woestijne, en last but not least in 1927 Clair Obscur van J. Slauerhoff. Deze reeks werd voortgezet tot 1927, en omvatte uiteindelijk 21 titels; een aantal titels beleefde herdrukken.Menno Voskuil, Palladium. Gearchiveerd op 12 augustus 2022.

21 februari 1920 schreef Van Krimpen een stuk voor de Arnhemsche Courant, de krant waar Greshoff als criticus werkte, en later (1923/1924) hoofdredacteur werd. Het artikel S.H. de Roos, boekkunstenaar en letter-ontwerper was zeer lovend, speciaal waar het de Hollandsche Mediaeval betrof.

thumb|Haarlemmer, een schreefletter ontworpen door Van Krimpen in 1938 thumb|Spectrum, een schreefletter ontworpen door Van Krimpen tussen 1941 en 1943

Samenwerking met Stols In 1922 woonde Van Krimpen in Den Haag aan de Fahrenheitstraat 519. Hij was in die tijd ook werkzaam als handboekbinder. In die hoedanigheid leerde hij in 1922 de jonge drukkerszoon A.A.M. Stols (1900-1973) kennen. Stols hield ook van mooie boeken en was net zelf met een uitgeverij begonnen. Stols werd al gauw een goede huisvriend van de Van Krimpens en de Greshoffs.

In de jaren 1923 tot 1932 verleende Van Krimpen zijn medewerking aan een stuk of dertig uitgaven van zijn vriend Stols. Hij leverde onder andere initialen, bandontwerpen, tekende de bandstempels en printersemblemen, later verzorgde hij ook de rest van de typografie.

In 1923 tekende hij voor het eerst, in opdracht van J.F. van Royen, de belettering van een serie postzegels, de Jubileumzegels. Willem van Konijnenburg tekende de beeltenis voor deze herdenkingszegels voor het Zilveren Jubileum van Koningin Wilhelmina. Op 10 november 1923 schreef Van Krimpen een artikel in het tijdschrift Wendingen over bibliografie en het ex libris. Ook later zou hij nog voor dit tijdschrift schrijven.

Belangrijke typografische ontwikkelingen in Engeland in 1923: Francis Meynell startte met The Nonesuch Press Stanley Morison werd typografisch adviseur bij The Monotype Corporation in Salfords (Surrey) de Cambridge University Press, Stanley Morison en Oliver Simon begonnen met het tijdschrift The Fleuron

Nu raakte Van Krimpens loopbaan pas echt op gang. Hij ontmoette op de tentoonstelling ter ere van 500 jaar uitvinding van de boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster Johan Enschedé, een van de directeuren van de gerenommeerde drukkersfirma Enschedé in Haarlem. Deze gaf hem de opdracht een letter voor die drukkerij te ontwerpen.

Letterontwerper Van Krimpen wist in 1924 niet hoe een dergelijke klus moest worden aangepakt. Hij vroeg aan De Roos om hulp, maar vertelde hem niet over zijn plannen. De eerste letter van Van Krimpen kreeg de naam Lutetia. Die naam verwijst naar de wereldtentoonstelling in Parijs (1925), waar de letter voor het eerst werd gepresenteerd: Lutetia is de Latijnse naam van Parijs.

In 1924 werd ook het eerste nummer de nieuwe reeks van De Witte Mier, maandschrift voor de vrienden van boek en prent uitgebracht, het typografietijdschrift dat Van Krimpen van 1912-1914 had uitgegeven. Hoofdredacteur was Greshoff, de uitgever was Boosten en Stols. Later werd de redactie uitgebreid met Van Krimpen en Stols. Er verschenen drie jaargangen; eind 1926 werd het opgeheven.

In 1925 voltooide Van Krimpen ook de cursief voor de Lutetia. Het verschijnen van de Lutetia bij de firma Enschedé, was een onaangename verrassing voor S.H. de Roos, die de voorman was van de concurrerende Lettergieterij "Amsterdam" voorheen N. Tetterode. Hij was wel bereid zijn kennis te delen met anderen, maar hij was ontstemd over de geheimzinnigheid van Van Krimpen. De Roos en Van Krimpen zouden nooit vrienden worden, ofschoon ze elkaar wederzijds waardeerden.