thumb|Portret van Johan de Mepsche

Johan de Mepsche (Groningen ca. 1520 – Loppersum 7 april 1585) was ridder, luitenant der Hoofdmannenkamer te Groningen, proost te Loppersum, hoveling te Duirsum in Den Ham, Loppersum, Stedum en Scharmer. Hij was een toegewijd dienaar van de Spaanse koning en zijn regering en werd berucht als ketterjager.

Afkomst De familie De Mepsche stamde uit een van oorsprong Drents geslacht dat zijn wortels had in Westdorp, nabij Borger. Telgen van het geslacht trokken waarschijnlijk al in de veertiende eeuw naar Groningen. Bij de stichting (in 1479) van het Mepschengasthuis in de Oude Kijk in 't Jatstraat was indirect een lid van de familie Mepsche betrokken.

Jeugd en opleiding Johan was de zoon van Evert de Mepsche en Anna Jarges. Zijn grootvader sneuvelde in 1501 tijdens een bloedige aanval van de stad Groningen op Appingedam. Zijn vader was raadsheer van de stad Groningen. Johan volgde daar de klassieke lessen op de befaamde latijnse Sint Maartenschool. Zijn moeder overleed in 1541 en zijn vader vertrok daarna naar Duitsland met zijn negen kinderen.Nanninga p. 2 Johan de Mepsche ging in 1541 aan de Universiteit van Ingolstadt studeren. Daar was Viglius hoogleraar rechten en deze nam Johan in dienst als zijn assistent en gaf hem onderdak in zijn huis.Postma p. 23 Op voorspraak van Viglius werd Johan assessorEen assessor is een rechter die de voorzitter van een kamer terzijde staat. namens Bourgondië bij het Rijkskamergerecht in Spiers. Die functie had Viglius eerder ook gehad en het inkomen bedroeg 700 carolus goudguldens.Postma p. 59; Nanninga p. 3 In 1543 volgde Johan zijn oom Rudolf de Mepsche op als proost van Loppersum.Roelfsema p. 68

Vroege loopbaan De Mepsche rapporteerde op verzoek van zijn beschermheer Viglius wat er speelde in Spiers. Vilglius was in 1542 in Brussel lid was geworden van de Geheime Raad en in 1549 werd hij de voorzitter. De Mepsche vertrok in 1552 uit Spiers. In datzelfde jaar werd in Vollenhove het gerechtshof Kanselier en Raden voor Overijssel, Drenthe en Lingen opgericht en in 1554 werd De Mepsche door de keizer daar tot kanselier benoemd.Eerst was Ludolph van Hattem benoemd, zoon van een Kamper burgemeester. (Kamper Almanak, mei 1971 p. 152) De Mepsche was inmiddels getrouwd met Catharina van Siegen, dochter van de burgemeester van Keulen . De benoeming van De Mepsche als kanselier was een stap in het plan van de landsregering om meer eenheid in rechtsprak en bestuur te brengen en de gewestelijke autonomie te breken. De Staten van Overijssel waren fel tegen de aantasting van hun rechten en in de praktijk bleven de oude instanties rechtspreken volgens het landrecht.Nanninga pp. 4-7 Waarschijnlijk is Johan de Mepsche tot ridder geslagen gelijk met zijn benoeming tot kanselier.

In Groningen was de Hoofdmannenkamer de rechtsprekende instantie en tevens het bestuurscollege. De voorzitter (titel luitenant) Maarten van Naarden was er niet in geslaagd het gezag van de regering in stand te houden tegenover de lastige Groningers. Viglius bezorgde hem een functie bij het Hof van Holland en benoemde Johan de Mepsche tot luitenant van de Hoofdmannenkamer.Postma pp. 135, 136 In zijn aanstellingsbrief van de koning, gedateerd 4 augustus 1557, kreeg hij het recht om bij afwezigheid van de stadhouder, samen met de vier door de stadsraad gekozen hoofdmannen, alles te doen om de belangen van de koning te dienen en zorg te dragen voor de veiligheid en bescherming van de provincie. De wedde bedroeg 1200 carolus guldens. De Mepsche moest de eed afleggen ‘in handen van Viglius’.Nanninga pp. 60-63

Ketterjager en informant Maarten van Naarden had alleen Wederdopers vervolgd, maar De Mepsche vervolgde iedere pastoor die zich niet aan de Roomse kerkleer hield. Groningen was tolerant voor protestanten, trad niet op tegen de openlijke verkoop van calvinistische boeken en verzette zich tegen de komst van een bisschop in het nieuw gestichte bisdom Groningen.Nanninga pp. 12, 13 Sommige pastoors bijvoorbeeld in Farmsum, Appingedam en Wirdum droegen niet meer de mis op en lieten psalmen zingen ik kerken en scholen.

De Mepsche was voor de regering in Brussel een belangrijke informant. Daar wilde men o.a. op de hoogte blijven van de plannen van de Hanze en daarom gaf Viglius De Mepsche de opdracht bij zijn schoonvader te informeren wat er op de Hanzevergadering in 1558 aan de orde was geweest.Nanninga pp. 7, 8 De Mepsches vrouw Catharina overleed omstreeks 1559 en omstreeks 1561 hertrouwde hij met Agnes van Munster. Door dit huwelijk verwierf hij de borg Duirsum (Den Ham).Maria van Selbach (ca. 1510-1576) en enkele van haar nakomelingen

De door de landvoogdes toegezegde gematigde inquisitie na het smeekschrift der Edelen leidde in Groningen tot een grote toeloop naar protestante preken. In september 1566 werd toegestaan dat er in de Minderbroederkerk protestantse diensten mochten worden gehouden. De Mepsche had dat aan de stad geadviseerd om onheil te voorkomen. Uit voorzorg werden de beelden en kostbaarheden door de stad ordelijk opgeborgen. De Mepsche had voor de kerk in Loppersum, waarvan hij proost en collator was, ook de opdracht gegeven beelden en kostbaarheden elders op te bergen. Maar hij rapporteerde aan de stadhouder niet deze ordelijke handelingen, maar stelde dat er sprake was geweest van een beeldenstorm.Nanninga pp. 14-16 Onder toezicht van twee raadsheren wezen op 19 september 1566 enkele protestanten aan welke beelden ze uit de kerk wilden hebben. De stadsbouwmeester en enkele stadswerklieden zorgden dat het zo gebeurde. De plakkaten tegen de ketters werden opnieuw afgekondigd en hoewel daar niet meteen gevolg aan werd gegeven verhevigde De Mepsche zijn ketterjacht. Nadat de stad niet had gereageerd op herhaalde verzoeken van de landvoogdes om met de protestantse diensten te stoppen, dreigde De Mepsche dat er binnen drie dagen Spaans krijgsvolk voor de poorten zou staan als die diensten niet werden verboden. Uiteindelijk werd in maart 1567 de Minderbroederkerk door de protestanten ontruimd en werden de beelden en kostbaarheden teruggebracht.Nanninga pp. 12-19 Op bevel van De Mepsche moesten de drie protestantse predikanten de stad verlaten.

Voorspel van de Opstand miniatuur|Portret van Johan de Mepsche naar het originele schilderij In Brussel maakte men zich intussen zorgen over mogelijke aanvallen door uitgeweken protestanten vanuit Oost-Friesland en de legering van soldaten in Groningen was daarom van groot belang. De Mepsche rapporteerde aan de stadhouder dat de burgerij daar welwillend tegenover stond en op 6 juni 1567 trokken vier vendels huursoldaten de stad in. Op eigen gezag wees De Mepsche talloze hervormingsgezinde burgers aan en op 18 juni moesten zestig personen met vrouw en kinderen de stad verlaten. Andere door hem verdachte personen werden zodanig bedreigd dat ze vrijwillig vertrokken. Hij gaf bevel aan kerkenschenders in Oldambt en Gorecht het land binnen drie maal 24 uur te verlaten en op terugkeer stelde hij de doodstraf in het vooruitzicht. In de Ommelanden liet hij Mennonieten en Doopsgezinden beroven en verdrijven. De pastoors van Bedum en Slochteren en de vicarius van het Zandt werden eerst geschorst en daarna verbannen. De Mepsche wilde dat iedereen de katholieke eredienst bijwoonde en hij had overal spionnen die rapporteerden wie niet kwam opdagen. De meeste ballingen trokken naar Oost-Friesland en De Mepsche liet daar door spionnen hun doen en laten observeren en hij rapporteerde daarover aan Brussel.Nanninga pp. 20-22 Om de katholieke burgers positief te stemmen over de komst van de soldaten had De Mepsche hen voorgepiegeldl dat ze er financieel beter van zouden worden en dat de stad sterker zou staan in het proces tegen de Ommelanden.

Nadat in april 1568 de geuzen de Wedderborg, eigendom van stadhouder Arenberg, hadden veroverd, trok De Mepsche met luitenant-stadhouder Van Groesbeek naar Appingedam om de opmars van Lodewijk van Nassau te keren. De bevolking vreesde verwoestingen en overtuigde hen ervan dat deze niet versterkte plaats onverdedigbaar was. Terug in Groningen regelde De Mepsche dat zijn borg in den Ham bij Loppersum door enkele soldaten werd beschermd. Op 18 mei kreeg hij een bevelschrift van Lodewijk van Nassau, met als eis dat hij binnen twee dagen een verdrag met hem moest sluiten of 3000 thaler betalen. Zo niet dan zou zijn have en goed worden geconfisqueerd. Natuurlijk deed De Mepsche dat niet en daarop werden zijn borg en zijn beide huizen in Scharmer in brand gestoken en zijn landerijen in de Paddepoel onbruikbaar gemaakt.Nanninga pp. 23, 24 De soldaten bij de borg van De Mepsche hadden hun post voortijdig verlaten op advies van Barthold Entens. De soldaten wisten niet dat hij een vijand van De Mepsche was. Onder Selwert behoren de hoge en de lage Paddepoel, zijnde zeer goed kleiland, maar laag en daarom geschikt tot weiden voor het vee. (Sitter p. 178)

Samenwerken met Alva en De Robles

Nadat Alva de troepen van Lodewijk van Nassau bij Jemmingen had verslagen trok hij naar de stad Groningen. De Mepsche knielde voor hem, dankte hem voor de redding en vroeg zijn hulp bij het uitroeien van ketters en oproerlingen. Alva ontwapende alle burgers en De Mepsche mocht op een landdag namens hem vertellen hoe de nieuwe situatie was. Als de stad de nieuw benoemde bisschop zou toelaten en de plakkaten streng zou toepassen zou hij hun oude voorrechten zoveel mogelijk respecteren. Ter voorkoming van onlusten zou er binnen de stad een sterk kasteel worden aangelegd.Nanninga pp. 25, 26 Schroor p. 72, 73 De bouw van het kasteel of citadel begon op 29 oktober 1569 met De Robles als superintendent (hoofdopzichter) en De Mepsche als tresorier (penningmeester) om het bouwproces te sturen.

Bij zijn vertrek liet Alva de soldaten achter die al eerder in Groningen schandelijk hadden huisgehouden en dat deden ze opnieuw. Hij reageerde op de klachten door ze te vervangen door zes vendels Walen onder bevel van zijn kolonel Caspar de Robles. Deze kwam de stad binnen op 7 februari 1569 en rapporteerde al op 14 februari aan Alva dat de stad rustig was dankzij het wijze beleid van De Mepsche. In de stadsraad mochten alleen nog koningsgezinde burgers zitting hebben en voor de niet-loyale burgers richtte De Robles op de Grote Markt zijn wipgalg op. De Mepsche en de bisschop zouden de executies vanuit een huis aan de Markt hebben gadegeslagen.Nanninga pp. 27, 28 De bisschop was Johannes Knijff; hij overleed in 1576 aan de pest. Bij het onderzoek naar beeldenstormers wees De Mepsche de werklieden aan die beelden in opdracht van het stadsbestuur netjes hadden opgeborgen. Omdat ze dat niet met een schriftelijk opdracht konden bewijzen werden ze opgehangen. Er waren uiteraard geen bannelingen voor de bloedraad in Groningen verschenen en daarom werden in drie groepsvonnissen de bezittingen van 156 gevluchte Ommelanders verbeurd verklaard. Als rentmeester over die goederen werd aangesteld Feiko Frittema, een aangetrouwde neef van Viglius.Nanninga pp. 29-31 Het onderzoek naar de beeldenstormers deed Karel Quarré, lid van Alva's Raad van Beroerten.